De oorlog als entertainment

Herinneringen aan de oorlog werden eerst verzwegen, daarna inzet van politiek debat. Volgens historica Ismee Tames is nu een nieuwe periode aangebroken: oorlogsverhalen zijn vermaak geworden.

Begin september sprak Matthijs van Nieuwkerk in ’De Wereld Draait Door’ met de bijna 101-jarige psychiater Hans Keilson. Hij was uitgenodigd omdat enkele van zijn romans na een halve eeuw in de Verenigde Staten opeens zijn herontdekt. Wat Keilson in die romans over de oorlog schreef vond Van Nieuwkerk niet interessant. Noch het feit dat hij jarenlang als psychiater bezig is geweest met de Tweede Wereldoorlog. Van Nieuwkerk wilde alleen weten of Keilson deze erkenning niet ervoer als ’eindelijk gerechtigheid’. Keilson kon daar duidelijk niet mee uit de voeten. Gerechtigheid, zei hij, gaat over hele andere dingen. Hij noemde zijn ouders, die zijn afgevoerd naar Auschwitz.

Een stokoude psychiater en zijn oorlogsoeuvre in de snelste en populairste talkshow van het land: Keilson was entertainment geworden, het ging om de sensatie, niet om het authentieke verhaal.

Dit jaar, 2010, ligt het einde van de Tweede Wereldoorlog vijfenzestig jaar achter ons. De oorlog gaat met pensioen en er zijn weer talloze publicaties en websites met verzamelde verhalen verschenen. Deze aandacht is heel anders dan vijfentwintig jaar geleden. Of vijftig. Zelfs historici bekijken mensen met een oorlogsverhaal door een compleet andere bril.

Sinds het einde van de twintigste eeuw is naar mijn idee een nieuwe fase in de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog aangebroken. De gangbare indeling in tijdsperioden behoeft aanvulling.

In de bestaande indeling spreken we over de ’stilte’ van de jaren vijftig, die rond 1970 werd afgelost door aandacht voor slachtoffers.

Die periode is nu afgelopen. We bevinden ons inmiddels in de fase waarin human interest domineert. Anders dan in de vorige eeuw ligt de nadruk op het persoonlijke verhaal en de emotie. De politieke boodschappen zijn verdwenen. Interviews over de oorlog wijken nauwelijks nog af van interviews over een vreselijke ziekte, een ernstig ongeluk of een gezinsdrama.

Laten we om te beginnen teruggaan naar de tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog. Voordat de periode van de ’stilte’ aanbrak, was er veel aandacht voor de bezettingstijd. Vlak na de bevrijding verschenen brochures, pamfletten en opgetekende herinneringen, er kwamen comités en onderzoeken. Na enkele jaren, toen de zichtbaarste gevolgen van de oorlog verdwenen waren, ebde deze eerste golf van aandacht weg.

Wat volgde staat bekend als ’de stille jaren vijftig’. De meeste mensen wilden niet meer terugkijken, maar vooruit, naar een betere toekomst. Toch was de oorlog alom aanwezig. Denk aan de ophef rond het verlenen van gratie aan Duitse oorlogsmisdadigers in 1952. Of de in koude oorlogsretoriek verpakte verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog tijdens de Hongaarse opstand in 1956. De communisten waren blij dat het ’Hongaarse fascisme’ door de Sovjets de kop in werd gedrukt. In het Westen werd juist het ’rode fascisme’ als het grote gevaar gezien. Verwijzingen naar de oorlog waren, kortom, sterk ideologisch verpakt en integraal onderdeel van de politiek.

In de loop van de jaren zestig trad een belangrijke verschuiving op. De Jodenvervolging kwam in de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog op de voorgrond. Slachtoffers kregen aandacht. Dat werd duidelijk na het verschijnen van Jacques Pressers ’Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945’. Van dat boek uit 1965 waren in een mum van tijd 100.000 exemplaren verkocht.

De publieke aandacht voor de slachtoffers kon de druk op de politiek flink opvoeren. Zo werden de ’Drie van Breda’ tot twee keer toe toch niet vrijgelaten. Bovendien werd in 1973 de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers ingevoerd en opende de speciale kliniek Centrum’ 45 zijn deuren.

Dat alles maakte het voor allerlei mensen gemakkelijker om aandacht te vragen voor hun oorlogsgerelateerde problemen. Behalve de Joodse overlevenden waren er de oud-verzetsstrijders met psychische schade (aanvankelijk noemde men dat KZ-syndroom, later posttraumatisch stresssyndroom). Ook mensen die in de Japanse interneringskampen hadden gezeten, herkenden zich daarin. Evenals burgeroorlogsslachtoffers, Indië-veteranen en allerlei ’tweede generaties’, oftewel degenen die tijdens de oorlog kind waren geweest of na de oorlog waren geboren.

De jaren zeventig en tachtig laten zien hoe steeds nieuwe oorlogservaringen publieke aandacht krijgen en opgenomen worden in de psychische hulpverlening. Dit ging niet zonder strubbelingen. In een uitzending van ’Rondom 10’ in 1989 sloeg de vlam in de pan toen de zoon van een verzetsman weigerde met kinderen van NSB’ers te praten.

Maar de een na de andere groep kreeg maatschappelijke erkenning als getroffen door de oorlog. Ook de kinderen van ’foute’ ouders werden opgenomen in het hulpverleningscircuit. Onder publieke druk moest de overheid tot begin jaren negentig telkens wetten uitbreiden en oprekken. Enkele jaren later was er voor iedereen met een oorlogsprobleem wel een loket.

Allerlei mensen uit de tweede generatie gingen zich steeds meer in elkaar herkennen: wij zijn allemaal kinderen van de oorlog. Treffend voorbeeld van deze ’pacificatie’ was de kranslegging op de Dam in 1995, toen voor het eerst ook representanten van de kinderen van ’foute’ ouders officieel aanwezig waren.

De politieke strijd was gestreden, van politieke polarisatie in de Koude Oorlog tot bevochten toegang tot psychische hulpverlening en maatschappelijke erkenning. Zo liep deze periode, begonnen aan het eind van de jaren zestig, ten einde. Wat volgde was een vorm van depolitisering in de publieke herinnering aan de Tweede Wereldoorlog: behalve met enige regelmaat een verwijzing naar het foute verleden (Bruin I, PVV is NSB of: de Koran is ’Mein Kampf’) speelt de Tweede Wereldoorlog in het politieke debat nauwelijks een rol meer. De oorlog werd een zaak van human interest. Hoe ging dit proces in zijn werk?

De generaties die de oorlog bewust hadden meegemaakt waren op de achtergrond geraakt. Daardoor ontstond meer ruimte voor anderen om hun verhaal te vertellen. Zij hoefden niet meer bang te zijn dat de eerste generatie hen wegzette als kind dat toch niets meegemaakt had. Bovendien verdwenen met de volwassenen uit de oorlog ook de tegenstelling van toen: goed versus fout, Nederland versus Nederlands-Indië, enzovoorts.

Tegelijkertijd werden Nederlanders van na de oorlog zich ervan bewust dat unieke herinneringen en ervaringen in snel tempo uitstierven. Of eigenlijk al verdwenen waren.

De interesse voor persoonlijke herinneringen was al sinds 1970 enorm toegenomen. Maar sinds eind jaren negentig zijn ze niet meer inzet van de politieke strijd van voorheen. Gewone mensen vertellen verhalen over hun jeugd in of vlak na de oorlog, soms ook over de moeilijke en pijnlijke ervaringen van toen en hoe die hun leven beïnvloedden.

Jaarlijks verschijnen tal van bundels met interviews. Op internet is het ene na het andere project gestart om maar te behouden wat te behouden valt. Het grote conserveringsprogramma Erfgoed van de Oorlog van het Ministerie van VWS, begonnen in 2007 en vorige maand afgerond, stimuleerde deze ontwikkeling.

Historici zijn druk bezig met het verzamelen van persoonlijke geschiedenissen. Dit kan unieke documenten en juweeltjes van verhalen opleveren. Maar soms lijkt de verzamelwoede ongericht: ieder verhaal is goed, interviewers vragen niet door, uitspraken worden niet gecheckt. Soms weten zelfs de interviewers niet waarvoor dit materiaal eigenlijk gebruikt moet gaan worden, afgezien van het bewaren om het bewaren, tonen om het tonen.

Journalisten en historici die beginnen met het verzamelen van ooggetuigen nemen uit praktische overwegingen al snel genoegen met mensen die in 1940-’45 heel jong waren. Dit is logisch, maar ook problematisch. Want hoe representatief zijn zij? De dertigers en veertigers van toen zijn op een hand te tellen, de vijftigers en zestigers al jaren dood. Minder dan een procent van de Nederlanders van nu was gedurende de hele bezetting volwassen. Wat betekent het dat het vooral kinder- en jeugdherinneringen zijn die nu worden opgetekend? Hoe verschillen die van herinneringen van volwassenen? Welke historische vragen kunnen we op basis van deze verzamelingen wel beantwoorden en welke niet? Over dergelijke hoofdbrekens wordt in menig interviewproject gemakkelijk heengestapt. Iets is beter dan niets.

Oorlogsverhalen kunnen op een warm onthaal rekenen. Niet meer om vervolgens politieke druk mee uit te oefenen zoals vroeger, maar omdat een verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog alleen al voldoende is om mensen de oren te laten spitsen.

Zo is de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog een zaak van human interest geworden. Cabaretière Claudia de Breij vertelde onlangs bij Pauw en Witteman over haar voorstelling waarin ze vanuit 2060 terugblikt op onze huidige tijd. Ze riep daarbij uit dat „we allemaal NSB op ons voorhoofd hebben staan”, oftewel, dat we allemaal fouten maken of zelfs fout zijn. Hoe onsamenhangend haar betoog ook was, de beide interviewers lieten het begaan. Oorlog, NSB, fout: het was wel vermakelijk.

Een ander voorbeeld van de inmiddels vrijwel apolitieke benadering betreft de manier waarop nakomelingen van NSB’ers in de media geportretteerd worden. Vaste ingrediënten zijn de gevoelens van buitengesloten zijn en het taboe dat op het verleden rust. Een bloemlezing: ’Verhaal NSB-kind moet verteld worden’ (Parool 13/1/2010) ’Kinderen van ’foute’ ouders schamen zich nog’ (NRC 11/10/2006), ’Mijn vader de SS’er’ (Trouw 16/10/2004), ’Mijn vader was NSB’er’ (Telegraaf 4/5/2002). De verhalen waren niet meer mobiliserend of polemiserend, maar onderhoudend.

Dit geldt voor heel veel getuigenissen van oorlogsslachtoffers of -getuigen. Elke voorgaande historische periode legde een mal over de persoonlijke herinnering. En dat is – o ironie – ook in dit tijdperk van fixatie op het individuele verhaal het geval. Ook nu weer zijn er sjablonen: is het niet het verhaal van het ’onschuldige kind versus de boze buitenwereld’ dan is het wel de frases ’altijd moeten zwijgen’ en ’nooit erkenning’ die mensen in de mond gelegd krijgen. Dat gebeurt vaak onbewust. De journalist of historicus bezwijkt voor sensatiezucht (Zwarte bladzijde! Taboe!) of denkt juist het goede te doen en op deze manier eerbied voor zijn gesprekspartner te tonen. En ook deze is zich soms niet eens meer bewust van de manier waarop zijn herinneringen zijn gevormd en gekneed. Laat staan dat de lezer zich over dergelijke problemen het hoofd breekt.

Is dat erg? Het voorbeeld van psychiater Keilson bij ’De Wereld Draait Door’ toont dat het wel pijnlijk kan zijn wanneer iemands verleden geen recht wordt gedaan. Of wanneer de verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog niet meer is dan een holle frase waar op den duur iedereen zijn schouders over ophaalt. Het is ook pijnlijk wanneer de droevige geschiedenis van mensen slechts dient om kijkcijfers of oplagen op te stuwen.

In dat opzicht is de nieuwe fase van human interest niet alleen maar een vooruitgang en kleven er opnieuw, net als met de verpolitiekte verpakking van vroeger, verraderlijke kantjes aan. Het moge duidelijk zijn dat de oorlogsherinnering geen inzet meer is van ideologische strijd zoals in de Koude Oorlog, of van strijd om politieke en maatschappelijke erkenning van leed zoals daarna. Die strijd is gestreden. In de 21ste eeuw is de oorlog entertainment geworden: onomstreden belangrijk, onomstreden erg, onomstreden goed voor aandacht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden