De oogst van het jaar

Ieder jaar verschijnen er méér boeken. Ze zijn niet allemaal onmisbaar. Maar er zijn er bij die het jaar meteen mee helpen vormen en inkleuren. 'Het complot tegen Amerika' van Philip Roth is er in de ogen van velen, in de hele westerse wereld, zo één. Wat Nederland betreft, heeft de nieuwe Bijbelvertaling veel teweeg gebracht. Hieronder vertelt een groot aantal boekbesprekers van Trouw welke boeken zij de beste van het afgelopen jaar vonden.

BERT KEIZER is columnist.

Ten eerste Kathi Diamants 'Kafka's Last Love - the mystery of Dora Diamant' (Vintage, Londen/New York), het ontroerende en verdrietige levensverhaal van een onvergetelijke vrouw die zich met recht als Kafka's weduwe beschouwde.

Een ongelofelijk soepel en warm boek vanuit het domein der strammen is het herfstdagboek van Leo Vroman: 'Vroeger donker dan gisteren' (De Prom, Amsterdam). Vroman is 89 en durft alles te zien wat hij ziet: ,,Wat is dat toch altijd een gezeur met de dood, nou de jouwe weer, hij verveelt me soms dood.''

Jonathan Bate schreef met 'John Clare, a biography' (Picador, Londen/New York) het levensverhaal van Engelands sympathiekste dichter, een eenvoudige landarbeider die in een inrichting eindigde: Wat was de 19e eeuw toch een rot-eeuw. Kijk eens naar de korsten die men Clare toewierp vanuit de landhuizen.

Eindelijk de ingekorte versie van Donald Kagans 'De Peloponnesische oorlog' (Balans, Amsterdam). Alcibiades blijft een ongelofelijke waaghals. Kagan zegt het allemaal zo strak mogelijk. Ook goed voor wie nog zwijmelt bij 'de Antieke Wereld'.

Bob Dylan: 'Kronieken' (Nijgh & Van Ditmar): Dylans strijd voor de lachspiegel van zijn wereldroem. Wat hebben we hem aangedaan? Veel beter opgeschreven dan we vreesden.

'Vier ongemakkelijke filosofen: Nietzsche, Cioran, Bataille, Derrida' (Sun, Amsterdam) van Ger Groot is grondig, begrijpelijk en onderhoudend. Daar komt nog de bijzondere ernst bij waarmee de schrijver je meeneemt naar het ongemak in deze vier. Klinkt verschrikkelijk? Dan zeg ik het verkeerd.

MARTIN REINTS is dichter en essayist en koos 'Landschap en Wereldbeeld, van Van Eyck tot Rembrandt' van Boudewijn Bakker (Thoth). Een ongeveer alomvattende studie over het landschap in de schilderkunst in samenhang met het denken over de natuur.

'Albert Eckhout, Een Hollandse kunstenaar in Brazilië', geredigeerd door Quentin Buvelot (Waanders). De catalogus bij een indrukwekkende tentoonstelling in het Mauritshuis van een van de schilders die Johan Maurits in 1636 had meegenomen naar Brazilië. Gedeeltelijk bizar en steeds prachtig overzicht van de mensen, planten en dieren die de toenmalige Nederlandse kolonie bevolkten:

Ik blijf een hartstochtelijk liefhebber van de Statenvertaling en was aanvankelijk sceptisch, maar ik geef me gewonnen. Deze vertaling in het gewone Nederlands van onze tijd leest als een erg goed boek, wat het tenslotte ook is: 'De Nieuwe Bijbelvertaling' van het Nederlands Bijbelgenootschap, (Querido, Jongbloed).

Tot slot 'De gedichten' van Bert Schierbeek, bezorgd door Karin Evers (De Bezige Bij). Het complete dichtwerk van een van mijn dierbaarste schrijvers uit de vorige eeuw.

HANS DIJKHUIS is filosoof en bespreekt gestorven en levende vakgenoten

Precies tweehonderd jaar na de dood van Immanuel Kant verscheen dan eindelijk de Nederlandse vertaling van zijn 'Kritiek van de zuivere rede' (Boom). Deze systematische speurtocht naar de voorwaarden en grenzen van de menselijke kennis is en blijft een van de meest indrukwekkende werken uit de geschiedenis van de filosofie. Kant wordt vaak gelaakt om de dorheid van zijn stijl, maar in dit boek wemelt het van de geestrijke observaties.

Het andere hoogtepunt op filosofisch gebied was wat mij betreft de verschijning van 'De eeuw van Sartre' door Bernard-Henri Lévy (Bert Bakker). Een zeldzaam gedreven boek, dat beter dan ooit tevoren de tegengestelde tendensen in Sartre's oeuvre en persoonlijkheid analyseert: enerzijds de kampioen van het individualisme, anderzijds de pleitbezorger van een (communistisch) totalitarisme. De studie geeft tevens een fascinerend beeld van de tijd waarin Sartre leefde en de intellectuele kringen waarin hij verkeerde.

Ten slotte wil ik de 'De Nieuwe Bijbelvertaling' noemen, en wel in de prachtige uitgave van Athenaeum - Polak & Van Gennep met illustraties van Gustave Doré. Hier wordt de bijbel ook serieus genomen als een literair werk, dat voortaan in de boekenkast kan prijken naast 'Don Quichot' of de 'De goddelijke komedie'.

JAAP DE BERG is ex-hoofdredacteur van Trouw en bespreekt taalkundige boeken

Naast de Nieuwe Bijbelvertaling en Geert Maks 'In Europa' heb ik dit jaar vooral verwelkomd 'Taal als mensenwerk - Het ontstaan van het ABN' door Nicoline van der Sijs (Sdu). Een schatkamer voor wie beseft dat een bezonken oordeel over het Nederlands van nu kennis van de voorgeschiedenis vergt.

Ook heel welkom is de complete 'Van Dale' in één band (4295 blz.): handzamer dan de driedelige versie. Hopelijk verschijnt zo'n goedkopere editie de volgende keer tegelijk met de driebander, en niet pas vijf jaar later.

Bill Brysons 'A Short History of Nearly Everything' (Black Swan-paperback; vertaald als 'Een kleine geschiedenis van bijna alles', uitgeverij Atlas). Een bekroonde introductie tot de bevindingen en lotgevallen van grote natuurwetenschappers, even leerzaam als onderhoudend voor allen die - net als Bryson zelf tot vier jaar geleden en ik tot voor kort - eigenlijk niets weten van de aarde waarop en het heelal waarin ze leven.

Michael Ignatieff geeft een redelijk en veelszins overtuigend antwoord aan hen die onder alle omstandigheden burgerlijke vrijheden en het recht op privacy voorrang geven boven de bestrijding van terreur in 'Het minste kwaad - Politiek en moraal in het tijdperk van terrorisme' (Cossee).

JOEP ENGELS is wetenschapsredacteur van Trouw.

en verkiest 'De snelheid van honing' door Jay Ingram (Spectrum). De aard van alledaagse verschijnselen wetenschappelijk verklaard. Het tollen van een rijksdaalder op tafel, de illusie te worden aangestaard of het kleuren van de bladeren in de herfst. Ingram gaat niet lichtvaardig te werk maar diept zijn onderwerpen tot op de bodem uit. Werkelijk alles wat erover te zeggen valt, komt aan bod. Totdat hij op het punt komt dat de wetenschap moet passen. Dat is wel eens vermoeiend, maar Ingram legt het geduldig en luchtig uit.

Dan een geslaagde biografie van een van de grootste genieën aller tijden. 'Isaac Newton' door James Gleick (De Bezige Bij). Gleick slaagt erin om in slechts tweehonderd pagina's een bevattelijk beeld te schetsen van een man die niet alleen liet zien dat de hemelse sferen aan dezelfde wetten zijn onderworpen als aardse zaken, maar daarin ook het bewijs zag van Gods hand. Grondvester van de moderne wetenschap, maar zelf nog met beide benen in de alchemistische traditie.

Bill Brysons 'Een kleine geschiedenis van bijna alles' (Atlas) is een kloek boek dat de wording van de wetenschap beschrijft aan de hand van de belevenissen van individuele onderzoekers. Van excentriekelingen vooral, want Bryson houdt van het conflict, kiest partij voor de zonderling die wordt verketterd. Wetenschap is hier geen verzameling feiten en weetjes, maar een zoektocht die pas net is begonnen. Als lezer vraag je je geregeld af waar dit heen leidt. Niet doen, gewoon laten meeslepen.

FRANK KOOLS is correspondent in New York voor Trouw.

Een spirituele roman, bestaat dat? Absoluut, blijkt uit 'Gilead' van Marilynne Robinson, de literaire sensatie van deze winter in Amerika (Farrar, Strauss & Giroux). Daarin houdt de doodzieke 76-jarige John Ames, predikant in Gilead in Iowa, een dagboek bij voor zijn zoontje van zeven. Hij mediteert over het geloof en over onze wonderlijke wereld. Hij verhaalt over zijn grootvader en vader, beiden ook predikant. De eerste vocht mee in de Burgeroorlog, vader was pacifist. En hij worstelt met een verloren zoon, zijn petekind, dat erg in de smaak valt bij zijn jongere vrouw.

Ondanks de overpeinzingen is Gilead geen zware kost, maar een sereen, aangrijpend boek over vaders en zonen. Op het eind wil je het Ames nazeggen: ,,Er zijn duizend en duizend redenen om het leven te leven en elk daarvan is voldoende.''

Twee Britse journalisten van The Economist leggen in een van de beste politieke boeken van het jaar uit dat George W. Bush' presidentschap het resultaat is van een conservatieve revolutie waar veertig jaar aan gewerkt is. 'The Right Nation - Conservative Power in America', door John Micklethwaith en Adrian Wooldrigde (Penguin). Rechts heeft de intellectuelen, een toegewijd voetvolk en een superieure organisatie. En dus de macht.

ARJAN TERPSTRA is historicus en bespreekt historische literatuur.

De analyses van N.C.F.van Sas in 'De metamorfose van Nederland - Van oude orde naar moderniteit, 1750-1900'(Verloren) hebben een scherptediepte van het soort dat enkel door decennia denken tot stand komt. Een verzameling hoogstaande essays over de politieke en maatschappelijke gedaanteverwisseling van Nederland tussen 1750 en 1900.

Dirk Vlasbloms 'Papoea - Een geschiedenis' is een uitstekende studie over zowel de Papoea-geschiedenis als over de manier waarop een volk geschiedenis verkrijgt, samengesteld uit een vruchtbare mix van historisch, antropologisch en journalistiek onderzoek (Mets & Schilt).

'The Plot Against America' (vertaald als 'Het complot tegen Amerika', Meulenhoff) door Philip Roth, een meesterlijke what if?-geschiedenis, die laat zien hoe makkelijk Amerika met Nazi-Duitsland mee had kunnen gaan als maar een paar dingen anders waren gelopen. Een literaire smulpartij die te denken geeft. Wat wil een mens meer?

HANS ORANJE is toneelcriticus en bespreekt boeken uit en over de Oudheid.

'De koning van de mieren - Mythologische vertellingen' door Zbiginiew Herbert (Bezige Bij) zit vol humor, ironie en relativering, zoals vertaler Rasch al opmerkte. Aangrijpend is Herberts schets van Hekabe, de koningin van Troje, die door een Griekse soldaat de bloederige resten van haar kleinzoon op haar knieën krijgt gesmeten. Zij begint haar kleed aan repen te scheuren en het kleine lichaampje daarin te wikkelen. Waanzinnig geworden van verdriet, verandert zij in een teef, ,,aangezien alleen een groot dierenhart zoveel ongeluk kan bevatten''.

'Bloemsdag' van Bindervoet en Henkes (Harmonie, Trouw) is een hallucinerende tocht door Amsterdam. Door de geestelijke vader ervan, 'Ulysses' van James Joyce, heb ik me nooit helemaal heen hunnen worstelen, omdat ik dacht dat ik het boek toch in het Engels moest kunnen lezen. Dankzij 'Bloemsdag' heb ik de ook dit jaar verschenen nieuwe vertaling van Paul Claes en Mon Nys gekocht.

Hanneke Wijgh schreef in 'Het Kaïnsteken - Mijn eigen kleine oorlog' (Mets & Schilt) over haar foute familie in de oorlog. Het boek ontroerde me door de droog-documenterende stijl, die zij als journaliste zo goed beheerst, maar ook door de lange zoektocht naar allerlei plaatsen in Europa die met die oorlog en haar familie te maken hebben.

SAMUEL DE LANGE bespreekt sociaal-wetenschappelijke en historische boeken

Uit het Oosten en Zuiden komt een epidemie van antisemitisme, vrouwenverachting en bijgeloof opzetten, die de moderne wereld in zijn metropolen bedreigt. Occidentalisme, of westerhaat, heet het complex in het gelijknamige boek: 'Occidentalism' door Ian Buruma & Avishai Margalit (Penguin, vertaald als 'Occidentalisme' bij Atlas uitgekomen). De schrijvers voorspellen het westen niet veel goeds voor de komende jaren: ze haten ons. Die aandoening blijkt een wederopleving van een ontsnapte kiem, want de twee onderzoekers ontdekten in het occidentalisme veel kritiek die eerder in het Westen zelf door fascisten en andere fundamentalisten is opgehoest.

Wie wil vasthouden aan de idee dat de islam de bron van alle ellende is, moet vooral níet het meesterlijke boek van Pieter van der Plank lezen, dat de mensenjacht en massamoord in Midden-Europa tot onderwerp heeft. 'Etnische zuivering in Midden-Europa' (Universitaire Pers Fryslân). Uit naam van alle geloven die het oude continent geproduceerd heeft, zijn daar de laatste eeuw tientallen miljoenen mensen vermoord, gezuiverd en verdreven. Occidentalisme is waarschijnlijk ons voorland, maar zeker is dat etnische zuivering Europa's verleden is.

Hoe zo'n haatcampagne werkt, is griezelig overtuigend voorgedaan door Philip Roth, die een stukje Amerikaanse geschiedenis voorbeeldig heeft laten ontsporen, in 'The plot against America' (vertaald als 'Het complot tegen Amerika', Meulenhoff).

HANS ACHTERHUIS is filosoof en bespreekt filosofische literatuur

Kort na de aanslag op de Twin Towers kocht ik in Parijs een studie erover van de Franse filosoof André Glücksmann met de verrassende titel 'Dostoievski à Manhattan'. Mijn intuïtie was dat de afkeer van het Westen die een beweging als Al Kaida ten toon spreidde, meer met westerse zelfverguizing dan met de Islam te maken had. Glücksmanns boek bevestigde deze intuïtie, maar werkte haar nauwelijks bevredigend uit. Dat gebeurt wel op schitterende wijze in 'Occidentalisme' van Buruma en Margalit (Atlas). Betoogd wordt dat al minstens twee eeuwen in het westerse denken zélf felle kritiek op de Verlichting, de democratie en de vooruitgang ontwikkeld is. Buitenlandse vijanden verbinden dit soort kritiek met hun eigen geloof of ideologie. Wie een aantal van de denkers die in 'Occidentalisme' worden besproken verder wil verkennen kan terecht in het meesterwerk 'De mens in opstand' van Albert Camus, dat meer dan vijftig jaar na zijn verschijning actueler dan ooit blijkt te zijn (en misschien daarom vertaald voor De Prom).

MAARTEN PRAK is hoogleraar vroeg-

moderne geschiedenis.

Voor de liefhebbers van de geschiedenis van de Gouden Eeuw is 2004 het jaar waarin A.Th. van Deursen zijn geschiedenis van Nederland tussen 1555 en 1702 publiceerde 'De last van veel geluk' (Bert Bakker). Maar omdat die liefhebbers dat boek intussen natuurlijk al lang uit hebben, hier twee andere aanraders voor tijdens de donkere dagen: De Utrechtse kunsthistoricus Albert Blankert heeft in talrijke artikelen en catalogusbijdragen ons beeld van de Nederlandse kunst van de zeventiende eeuw grondig helpen herzien. Die verspreide opstellen zijn nu eindelijk bij elkaar gebracht in een zeer rijk geïllustreerd boek: 'On Dutch Painting: Rembrandt, Van Beke, Vermeer and Others' (Waanders). En op de valreep publiceerde Luuc Kooijmans, dit jaar ook winnaar van een oeuvreprijs van het Prins Bernhardfonds, 'De doodskunstenaar - de anatomische lessen van Frederik Ruysch' (Bert Bakker), over de Amsterdamse arts wiens bizarre, uit orgaanweefsel gebouwde ensembles indertijd wereldberoemd waren. In de 17de eeuw te bewonderen in een museum bij Ruysch aan huis, nu in Sint Petersburg. Voor het fascinerende verhaal wordt de lezer door Kooijmans op zijn wenken bediend.

Twee autobiografieën die ik daarnaast dit jaar met veel meer dan gemiddelde belangstelling las waren Anoniem, 'Een vrouw in Berlijn - dagboekaantekeningen van april tot juni 1945' (Cossee) en Bob Dylans 'Kronieken deel 1' (Nijgh & Van Ditmar), twee getuigenissen van binnenuit over verschijnselen die de meesten van ons gelukkig alleen maar uit de krant kennen: de aankomst van een vijandig leger en plotselinge beroemdheid. Beide verbijsterend, maar tegelijkertijd ook hoopgevend over de menselijke veerkracht onder buitengewone omstandigheden.

ROB SCHOUTEN bespreekt Amerikaanse en Nederlandstalige literatuur.

Het boek dat dit jaar de meeste indruk op mij maakte is Philip Roths 'Het complot tegen Amerika' (Meulenhoff, Amsterdam), waarmee de oude meester sommige twijfels over zijn oude dags-niveau in één klap van tafel veegde. Het verhaal bevat de perfecte if-history van een Amerika dat in plaats van met Roosevelt, met de rechtse ex-vliegenier Charles Lindbergh de Tweede Wereldoorlog ingaat. Realistisch en psychologisch volstrekt overtuigend beschrijft Roth de angst van Amerikaanse joden voor de komst van de nazi-ideologie. Geen spektakelstuk maar een ingeleefd drama van alledaagse verwachtingen en angsten, gezien door de ogen van de jonge Philip Roth zelf.

Ook dichter bij huis stelde 2004 niet teleur. Zo was er 'Het grote baggerboek' van Ilja Leonard Pfeijffer (De Arbeiderspers, Amsterdam), een alleszins onthutsende stijloefening in het vulgairst denkbare Nederlands, met op de bodem ook nog een behartigenswaardig verhaal over echte emoties en hypocrisie.

En verder werd ik eerlijk gezegd nogal aangenaam verrast door de bundel 'Uitgespaard zelfportret' van de dichteres Christine d'Haen (Meulenhoff, Amsterdam), die ik er altijd van verdacht een soort Vlaamse Ida Gerhard te zijn, maar die in deze, ook in erotisch opzicht soms onthullende autobiografische fragmenten, zich ontpopt als meesteres in verschillende stijlen en genres.

PETER DE BOER bespreekt poëzie en kinderboeken.

2004 was een uitstekend kinderboekenjaar. Met weglating van heel veel goeds noem ik 2 titels in het bijzonder: 'Het boek van alle dingen' van Guus Kuijer (Querido, Amsterdam) Surreëler dan de boeken over Madelief en Polleke, beschrijft dit boek de ongelukkige jeugd van Thomas. Jezus ('Alles kits?') en de engelen doen ook mee. Ongeluk met zo nu en dan een komische noot: dat stemt de lezer gelukkig.

'De driehoeksdans' van Rita Verschuur (Van Goor, Amsterdam) is het zevende deel uit een prachtige reeks jeugdherinneringen. In dit deel staat Rita's erotische bewustwording centraal. Slimme eenvoud, nuance en voortreffelijke karaktertekening: zij vormen de kracht van dit boek.

Wat de poëzie betreft: 'Laat alle deuren op een kier - De Verzamelde Gedichten van Leonard Nolens' (Querido, Amsterdam) is verplichte kost voor de meer verinnerlijkte maar tegelijk niet geheel onwereldse poëzielezer. Vaak illusieloze maar grootse verzen over falen, liefde, poëzie en wat al niet. Dit staat nog wel een eeuwtje.

Het heeft even geduurd voor ik zijn poëzie leerde waarderen, maar om 'Puur' van Pieter Boskma (Prometheus, Amsterdam) kun je echt niet heen. Postmodern én realistisch, breedvoerig en super lyrisch, romantisch, kosmisch en uitermate speels. Boskma biedt het allemaal.

IRIS PRONK schrijft reportages, interviews en recensies over literatuur.

Hoe komt een naamloze, opgezette Afrikaan in een Spaans museum terecht? Deze intrigerende vraag beantwoordt Frank Westerman in 'El Negro en ik' (Atlas, Amsterdam). Hij reconstrueert de 170-jarige geschiedenis van El Negro en laat meteen zien hoe racisme de blanke blik heeft gekleurd. Westermans zoektocht naar stoffige paperassen leest als een spannende thriller, hoewel hij ook het concept ontwikkelingssamenwerking bekritiseert. Maar hoe het dan wel moet tussen blank en zwart, daarover zwijgt Westerman.

Ook in 'Voor de leeuwen' van Alexandra Fuller (De Bezige Bij, Amsterdam) staat de verhouding tussen blank en zwart op scherp. Fuller debuteerde twee jaar geleden met de indrukwekkende autobiografische roman 'We gaan niet naar de hel vannacht'. Daarin beschreef ze hoe het was om in een racistisch blank gezin op te groeien in Afrika. In haar tweede boek gaat Fuller op pad met een getraumatiseerde blanke oud-soldaat, die flink 'aan de aarskant van het leven' heeft gelikt.

Jeanette Winterson zoekt niet de aarskant maar de liefde in haar poëtische roman 'Vuurtorenwachten' (Contact, Amsterdam). Dat levert fonkelende zinnetjes op, waarvan je langzaam moet genieten.

'Leela.exe' (Podium, Amsterdam), de tweede roman van Hari Kunzru, is minder fijnzinnig, maar wel geestig.

Vervolg op pagina 39

De oogst van het jaar

Vervolg van pagina 38

In vliegende vaart verbindt Kunzru de filmset van Bollywood met de zakenwereld van Dubai, de gebakken lucht van 'consultants' in Londen en het treurige leven van mislukte Indiase immigranten in Amerika. Je reinste literaire globalisering dus.

T.VAN DEEL bespreekt Nederlandse en Vlaamse literatuur.

Ik kies alleen boeken die ik heb besproken. Allereerst de zinderende liefdesroman 'Hajar en Daan' (Querido, Amsterdam) waarin Robert Anker de multiculturele samenleving op politiek, maatschappelijk, religieus en individueel niveau genadeloos analyseert. Leraar Daan Hollander, sympathiek is anders, raakt verslingerd aan zijn Marokkaanse leerlinge Hajar en leert zo zijn ware bestemming kennen. Een meerstemmige, multiculturele roman vol spanning.

'Rondo Venetiano' (Querido, Amsterdam) is de kroon op het werk van Gerrit Krol: hij weet zijn kennis van de natuurwetenschap, en van de grote ontdekkingen die de mechanisering van ons wereldbeeld hebben bepaald, soepel te verbinden met een verhaal over een wetenschappelijk congres in Padua en Venetië, waarin vrouwen, natuurlijk, een belangrijke rol spelen.

Ook Jacques Kruithof, een weinig op de voorgrond tredende, maar niet te versmaden schrijver, kwam dit jaar met wat toch beslist zijn magnum opus moet heten: 'Het slotfeest' (Atlas, Amsterdam/Antwerpen). Het is een ronduit magistrale, breed opgezette roman die de tweede helft van de 20ste eeuw beslaat en culmineert in een proces van afscheid nemen, rekenschap afleggen en een nieuw leven beginnen. Het is zowel egodocument als roman, in een vermenging die literatuur wordt genoemd. Ik koester deze roman.

Ten slotte 'Alle verhalen tot nu toe' (Augustus, Amsterdam) van Henk Romijn Meijer, een zeer productieve verteller, die hier in meer dan duizend bladzijden zijn verhalen verzamelt. Het verhaal is zeker zijn specialiteit, maar ook de romanvorm beheerst hij volkomen, zoals onder andere blijkt uit 'Mijn naam is Garrigue' en 'Oprechter trouw'. Romijn Meijer is een weinig vleiende waarnemer van het leven, vooral van hoe de mensen al sprekende met elkaar omgaan, of liever strijd voeren. Zijn blik is scherp, maar omvat ook altijd het mededogen. Hij zou veel meer gelezen moeten worden.

ANTOINE VERBIJ bespreekt Poolse en Russische literatuur.

In mijn standplaats Berlijn krijg ik boeken uit het Duitse en Oost-Europese taalgebied vaak eerder onder ogen dan de Nederlandse lezer. Nu ze in vertaling zijn verschenen, kan ik ze eindelijk aanbevelen.

Allereerst het monumentale boek van Jörg Friedrich 'De brand: De geallieerde bombardementen op Duitsland 1940-1945' (Mets & Schilt, Amsterdam). Een indrukwekkende catalogus van de desastreuze gevolgen die de geallieerde bommentapijten hadden voor de Duitse steden en stedelingen. Lokte veel discussie uit. De Duitsers als slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, kan dat wel?

De literaire verrassingen kwamen dit jaar uit Polen. Eerst 'De uil is de dochter van de bakker' (Contact, Amsterdam) van Marek Hlasko, de jong gestorven James Dean van Polen. Heel existentialistisch en absurdistisch. Dan 'Sneeuwwit en Russisch rood' (De Bezige Bij, Amsterdam) van de piepjonge Dorota Maslowska. Een hedendaagse wanhoopskreet uit de buitenwijk van een provinciestad. Ook heel absurdistisch, daar zijn de Polen nu eenmaal goed in.

ELMA DRAYER is Trouw-redacteur (religie en filosofie) en recenseert Nederlandse debuten.

De Bijbel (Querido/Jongbloed, Amsterdam/Heerenveen) én de Naardense Bijbel (Skandalon, Vught) Ex aequo. De Nieuwe Bijbelvertaling omdat die het stof van eeuwen eraf heeft geblazen. De Naardense omdat die de geheimenis intact laat. Kiezen hoeft niet, geloven evenmin. Beide wondermooie uitgaven verdienen een ereplaats in ieders boekenkast.

Guy de Maupassants 'Adonis/Bel-Ami'. (Athenaeum, Polak & Van Gennep, Amsterdam) is een voortreffelijk vertaalde roman uit 1885 over het journalistieke bedrijf. Brandend ambitieuze nitwit en womanizer belandt precies waar hij wil komen. Titelheld én situaties zijn ook in 2004 nog veelvuldig aan te treffen. Leerzaam.

'Verloren illusies' van Honoré de Balzac (Van Oorschot, Amsterdam) is nog zo'n meesterlijke 19de-eeuwse roman, meesterlijk vertaald. Aartsijdele jongeman, op zoek naar roem en aanzien, vertrekt naar Parijs. Pijnlijke zedenschetsen, kraakheldere karakters. De hoed gaat diep af voor zoveel verteltalent, zoveel inzicht in de menselijke ziel.

De meeste critici reageerden geërgerd op Marja Brouwers' 'Casino' (De Bezige Bij, Amsterdam), maar haar roman bleek meeslepend en prettig eigentijds. Wél haar wijsneuzige lemmata over pakweg sterrenstelsel, Rousseau en de zeven hoofdzonden overslaan. Onbegrijpelijk genoeg voor geen enkele prijs genomineerd.

Tenslotte Halldór Laxness' 'Het visconcert' (De Geus, Breda). Weesjongen Alfgrim beziet hoe de moderne tijd het idyllische, onbedorven IJsland binnensluipt. Erg romantisch, maar indrukwekkend mooi geschreven. De twee andere vertaalde romans van Nobelprijswinnaar Laxness liggen inmiddels op de stapel.

CHARLES FORCEVILLE bespreekt Engelstalige literatuur.

In al zijn eenvoud is William Sutcliffe's Verkeerde Vrienden (Prometheus, Amsterdam) een onrustbarende verbeelding van de peer pressure waar een kind aan bloot kan komen te staan. Daar helpt, letterlijk, geen lieve moeder aan.

Ann-Marie McDonald heeft aan de microcosmos van een Canadese legerbasis genoeg om te laten zien hoe het geluk van aardige mensen uiteenrafelt door omstandigheden die elke keuze tot een verkeerde maken. Een verontrustende ontleding van het menselijk tekort: De Kraaien Zullen het Zeggen (Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam).

En vooruit: Dick Bruna's 'Miffa ad Mare' (Nijntje aan Zee, Bornmeer: Leovardiae, 2004; zie www.bornmeer.nl) is een speelse aandachttrekker voor het belang van Latijn anno nu. Deze proefvertaling voor halve en hele Latinisten is ideale gespreksstof tijdens December-borrels (ChF).

WIL ROULEAUX bespreekt Duitstalige en Hongaarse literatuur.

Allereerst 'Mijn broer bijvoorbeeld' van Uwe Timm (Podium, Amsterdam), autobiografische herinneringen van de Duitse schrijver, in de eerste plaats aan zijn broer, die tijdens de oorlog lid was van de SS en in 1943 stierf. Maar het boek gaat ook over zijn ouders in de naoorlogse jaren. Timm heeft weinig woorden nodig om emoties op te wekken. Een heel ontroerend boek.

Rüdiger Safranski leverde met 'Schiller; Oder die Erfindung des deutschen Idealismus' (Hanser, München) een nieuwe biografie van de grote Sturm- und Drünger. Hij betoont zich een subliem kenner van Schiller en zijn tijdperk. Dit boek is zelf grote literatuur.

Van alle boeken uit de Oost-Europese literatuur die ik het afgelopen jaar las maakte de autobiografische roman 'Die Zugereisten' (Drava Verlag, Klagenfurt, 1984) van Lojze Kovacic de grootste indruk op mij. Kovacic, een Sloveense auteur die dit voorjaar op 75-jarige leeftijd overleed, schrijft over zijn kinderjaren in Ljubljana vlak voor en tijdens de oorlog. Hitler en Mussolini zijn in opkomst. Het gezin Kovacic was afkomstig uit Basel in Zwitserland, waar zijn vader bontwerker was; zijn moeder kwam uit Duitsland. Aanpassingsproblemen, ook in taalkundig opzicht, en vooral bittere armoede kenmerken zijn jeugd. Gevoelige herinneringen van een geboren outsider. Een groots boek.

BEATRICE DE GRAAF is historica. Ze bespreekt literatuur en non-fictie uit Duitsland.

Nu de vooruitzichten voor de oostelijke deelstaten van Duitsland zo somber zijn, pak ik graag het boek Wie es leuchtet van Thomas Brussig nog eens uit de kast (S.Fischer Verlag, Frankfurt). Deze roman laat zien hoe heel gewone Ossi's de wonderlijke Wende-dagen in 1989/1990 beleefden. Het vijftienjarig jubileum van de val van de Muur dit jaar was voor veel Duitsers geen reden tot feestvieren, maar dat was het toen wél. Men vierde de eerste gelukte en vreedzame revolutie in Duitsland. Zonder sentimenteel te worden, beschrijft Thomas Brussig, zelf in de DDR opgegroeid, hoe dit wonder van de 20ste eeuw alle ogen liet stralen. Tussen de Plattenbauten werd gedanst en champagne gedronken. De Wende wás een Oost-Duits volksfeest, en die ervaring mogen de Oost-Duitsers zich nu niet door arrogante Besserwessi's of teleurstellende economische ontwikkelingen laten afpakken.

Hetzelfde, maar met veel meer kanttekeningen, deed ook Claudia Rusch in Mijn vrije Duitse jeugd (Fischer Verlag, Frankfurt). Ook zij wilde haar DDR, en haar leven niet prijsgeven aan verbitterde oud-communisten of naïeve Ostalgiker. De DDR was niet leuk, maar wij waren leuk, aldus Rusch. Rusch en Brussig hebben oog voor de condition humaine temidden van grote historische omwentelingen. Ze laten zien dat de vele individuele DDR-verhalen het waard zijn om verteld te worden en dat zulk historisch besef heilzaam kan zijn.

PIETER VAN DEN BLINK is correspondent voor Trouw in Parijs. Hij bespreekt Franse literatuur.

Van de familiegerichte, godvrezende Afrikaanse dorpsgemeenschap naar het isolement van een eenpersoonsflat in de buitenwijk van een Franse stad, loopt een telefoonkabel. In Fatou Diome's roman De golven van de oceaan (Sirene, Amsterdam) spendeert de vertelster haar halve inkomen aan telefoneren met haar broertje in Senegal. Zo lichtvoetig geschreven dat pas langzaam duidelijk wordt hoe tragisch het verhaal is. Terwijl zij doet alsof er niets aan de hand is, heeft Diome het over alles.

Met de titel 'Fitna' (Gallimard, Parijs) verwijst Gilles Kepel naar de interne strijd binnen de islam: fitna is de tegenhanger van de djihad. Als we dan toch in tijden leven waarin het noodzakelijk is kennis te nemen van godsdienstwaanzin, dan is het een zegen dat Kepel degene is die het uitlegt. Deze islamoloog verwerft zich het recht om kritisch te zijn door zijn enorme kennis van de islamitische wereld. In Trouw werd de Engelse vertaling besproken: 'The war for muslim minds - Islam and the West' (Harvard University Press, Cambridge (Mass.))

Noëlle Châtelet, de schrijfster van 'De dame in het blauw' (2000) vertelt in 'La Dernière Leçon' (Seuil, Parijs) over de zelfgekozen dood van haar moeder. Dit boek verscheen vlak voordat de euthanasie-discussie in Frankrijk weer oplaaide en er wordt in het debat daarover vaak naar verwezen. De vorm -een monoloog aan de overledene- maakt het zeer indringend.

Florian Zellers 'La Fascination du Pire' (Flammarion, Parijs) heb ik gekocht uit nieuwsgierigheid, gelezen met stijgende bewondering en onthouden als een veelbelovende aankondiging van een groot oeuvre. Zeller is pas vijfentwintig, en dit is zijn derde roman. Net als de jonge Flaubert maakt de hoofdpersoon een reis door de Oriënt, waar hij zijn 'fascinatie met het ergste' omzet in levenservaring.

JAAP GOEDEGEBUURE bespreekt Nederlandstalige literatuur.

Schrijven hoort eigenlijk een vorm van niet aflatend zelfonderzoek te zijn, gewetensvol en kritisch als het kan, maar graag ook met humor en relativering. Aan dat verlangen voldeden dit jaar: Willem Jan Ottens roman 'Specht en Zoon' (Van Oorschot, Amsterdam), een moraliteit die is geënt op het evangelische lijdensverhaal, maar dan wel met de nodige ruimte voor scepsis en twijfel; Willem Barnards dagboekselectie 'Anno Domini' (De Prom, Amsterdam), vol ingehouden woede en zelfspot; Antjie Krogs 'Een andere tongval' (Contact, Amsterdam), een nu eens droefgestemde en dan weer euforisch uitpakkende liefesverklaring van een blanke Zuidafrikaanse aan haar land; en Georges Perecs 'Ik ben geboren' (De Arbeiderspers, Amsterdam) een bonte verzameling van diverse teksten waarin met minuscule steentjes een uiterst persoonlijke wereld wordt gebouwd.

RONALD DE ROOY bespreekt Italiaanse literatuur.

Na de vette Dante-jaren 2000-2002, waren 2003 en 2004 weldadig voor andere Italiaanse grootmeesters uit het verleden. Giovanni Boccaccio, Torquato Tasso, en Alessandro Manzoni werden alledrie onthaald in Athenaeum's Gouden Reeks, stuk voor stuk in knappe en sprankelende vertalingen. Op de valreep van 2004 is er gelukkig ook nog een prettige Dante-nagalm in de vorm van een 'kleine' Komedie: 'Dante's Goddelijke Komedie uitgelezen' (Primavera Pers) met alle hoogtepunten uit de grote Komedie, vertaald en aan elkaar verteld door Rob Brouwer, én vergezeld van een audioversie van de hele 'Komedie'. Zó klinkt Dante als Nederlandse poëzie.

Mijn favoriete moderne Italiaanse debuut

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden