De onverwoestbaarheid van religie

Deze week was Rome het middelpunt van de wereld. Honderden staatshoofden gaven er acte de présence, miljoenen pelgrims reisden erheen en honderden miljoenen volgden de plechtigheden in het Vaticaan op radio en televisie.

Verwonderlijk is deze wereldwijde aandacht niet. Het lange en in menig opzicht grensverleggende pontificaat van Johannes Paulus II liet niet anders verwachten dan een overweldigende belangstelling bij zijn heengaan. De paus, die meer dan honderd landen bezocht, krijgt nu alsnog vele dankbare gelovigen op tegenbezoek.

Toch is dit alleen de buitenkant. Echt opmerkelijk is de bijzonder respectvolle en vaak welwillende toon in de talloze commentaren die het gebeuren in Rome dagenlang hebben begeleid. En wat nog opmerkelijker is: ze gingen de begrijpelijke gefascineerdheid voor het geboden schouwspel ver te boven; ze namen, zij het soms met kritische noten, het instituut van de kerk volledig serieus.

Dat is terecht. Er mag in de Europese oorsprongsgebieden sprake zijn van massale geloofsafval, mondiaal gezien heeft de roomse kerk zich meer dan uitstekend weten te handhaven. Het oude geloof, dat al in de negentiende eeuw ten dode leek te zijn opgeschreven, legt nog steeds een verbazingwekkende vitaliteit aan de dag. Zonder veel concessies aan het moderne denken en in uiterlijke vorm zelfs een volstrekt anachronistisch fenomeen, overleeft het alle kritiek en weerstand met een vertoon van zekerheid dat op het eerste oog onverklaarbaar is.

Op het eerste oog, want elders in de wereld staat de zaak van de religie er nog florissanter voor. Zo'n 85 procent van de Amerikanen zegt het geloof 'zeer belangrijk' te vinden. Het conservatieve christendom wint in dit machtigste land ter wereld voortdurend aan invloed en vormt in het kamp van de Republikeinen een belangrijke machtsfactor.

George W.Bush heeft dat uitstekend begrepen. Hij heeft zijn status als born again christian voortdurend politiek uitgebuit en ook in de laatste presidentsverkiezingen ging hij zijn volgelingen biddend voor. De Amerikanen juichen het in meerderheid toe. God bless America wordt steeds minder een frase, steeds meer een nationale strijdkreet.

In het jodendom zijn overeenkomstige tendenties te bespeuren. Israël, gesticht als een seculiere staat, komt de laatste tientallen jaren meer en meer in de greep van fundamentalistische stromingen. Er tekent zich een kloof af tussen gelovigen en ongelovigen die menig waarnemer van de Joodse staat zorgen baart.

Het vierde voorbeeld van een religie die in de laatste decennia het orthodoxe pad is opgegaan, houdt ons zelfs in Nederland dagelijks bezig: de islam. Hoewel hij andere tijden heeft gekend en op sommige momenten in zijn geschiedenis aanpassing zocht bij de moderne wereld, staat hij tegenwoordig te boek als de godsdienst waarop de term 'fundamentalistisch' bijna exclusief van toepassing is.

Terugkerend naar het Vaticaan, zouden we kunnen besluiten met de nuchtere constatering dat Johannes Paulus II in zijn specifieke rechtzinnigheid niet alleen heeft gestaan, en dat zijn opvolger, waarschijnlijk eveneens conservatief in geloofszaken, niet eenzaam zal zijn. Hij treft een wereld aan die hem begrijpt.

Het is echter verleidelijk wat dieper te graven en ons af te vragen hoe deze mondiale terugkeer van de religie te verklaren is. Wat is er gebeurd met de rigoureuze afwijzing van alle godsdienst die toch bij uitstek het moderne denken kenmerkt?

Ik lees op dit moment een vorig jaar verschenen studie van de Engelse theoloog Alister McGrawth, met de veelzeggende titel: The twilight of atheism: The rise and fall of disbelief in the modern world. De auteur is een man van de grote historische greep die zijn kaarten al op de eerste bladzijde op tafel legt. De geschiedenis van het ongeloof, schrijft hij, gaat momenteel ten einde. Ze begon haar loop, ze beleefde haar bloei en ze ondergaat haar verval precies in de tweehonderd jaar die gelegen zijn tussen de val van de Bastille in 1789 en de val van de Berlijnse Muur in 1989. Het eerste feit, dat de Franse Revolutie aankondigde, vormt het symbool van de levensvatbaarheid en creativiteit van een wereld zonder God, zoals de val van de Muur het inzicht symboliseert dat zo'n wereld aantoonbaar onbewoonbaar is.

Tussen beide momenten manifesteerden zich politieke ideologieën die, met een neiging tot toenemende radicaliteit, de taak op zich namen de publieke ruimte in te richten bij gelijktijdige verdringing van de religie naar de particuliere sfeer. Het liberalisme scheidde kerk en staat, het socialisme gaf die staat de macht over maatschappij en cultuur, het communisme poogde alle godsdienst geheel uit te roeien terwijl het nazisme, veel geraffineerder, een eigen plaatsvervangende religie ontwierp, een onwrikbaar geloof en een massacultuur met liturgische trekken.

Het socialisme kwijnt weg, het nazisme werd vernietigd en met de val van de Muur ging ook het laatste grote atheïstische project jammerlijk ten onder. Vrijwel gelijktijdig begon Johannes Paulus zijn mondiale offensief, vond in Iran een islamitisch-fundamentalistische revolutie plaats, hernam het Oost-Europese orthodoxe christendom zijn rechten en gingen in Amerika conservatieve christenen zich met de politiek bezighouden.

Om met de belangrijkste actuele vraag te eindigen: zal dit alles niet ook de liberaal-domocratische scheiding tussen kerk en staat op den duur onder druk zetten? Het wordt in ieder geval zoeken naar een nieuwe balans.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden