De onvergetelijke leraar

Ooit had hij een blinkend naambord naast zijn deur, zoals de dokter, maar nu wordt hij meewarig aangekeken als op een feestje zijn werk ter sprake komt. Het gaat de leraar niet goed. De Verdieping besteedt deze maand extra aandacht aan de problemen van onderwijsgevenden. Er is weinig animo om leraar te worden. Wat is er waar van de klachten over het beroep: andere omgangsvormen, een laag salaris, Zoetermeerse plannen? Is er nog toekomst voor de klas? Vandaag schrijver en docent Jan Siebelink: hoe de leraar een tweederangs figuur werd.

Die scène is mij altijd bijgebleven. Ik zit in de vijfde klas van de lagere school. De deur van het lokaal gaat open, het hoofd van de school komt binnen, fluistert iets tegen onze meester die onderdanig knikt, naar zijn bureau loopt en een lijst aan het hoofd overhandigt. Ik, elf jaar, kijk angstig en opgewonden toe. Voel ik aan dat de dingen die gaan gebeuren van beslissende betekenis voor mijn verdere leven zullen zijn? Toch is er geen enkele reden tot ongerustheid. Voor alle vakken op school behaal ik hoge cijfers. Maar de bovenmeester kijkt zo streng, doet zo plechtig en zijn zwartbehaarde handen ... Hij begint namen op te lezen; Jan Willem Wefers Bettink, Elsbeth Portheine, Jan Willem die naast mij zit, is de zoon van een Velpse advocaat, Elsbeth is de dochter van een arts. Het schoolhoofd knikt naar die twee, zegt: ,,Nee, die zitten niet goed. Die verhuizen naar de rij bij het raam.'' De man leest andere namen op. Dan: ,,Wie heb ik niet genoemd?'' Vingers gaan omhoog. ,,Jullie kunnen op je plaats blijven.'' Ik zit in de middelste rij. Eén keer klapt hij in zijn handen, het rumoer duurt maar kort. In dat rumoer schop ik tegen het schot van mijn bank, dring mijn tranen terug.

Als de volksverhuizing voorbij is, zijn er drie nieuwe rijen gevormd, naar inkomen en milieu. Een onverbiddelijk vonnis is geveld. De raamrij, dom of niet, mag 'door', naar de middelbare school. In de middelste rij de kinderen, geschikt voor het middelbaar onderwijs, maar bestemd voor de ulo. Hun ouders zijn arbeider of kleine middenstander. De kastrij gaat later naar de ambachtsschool of spinazieacademie. Mijn vader is 's avonds nog bij het schoolhoofd aan huis geweest. Zijn démarche had geen succes. Hij berust: ,,We moeten er maar vrede mee hebben, jongen.'' Dat was in 1950.

Beduusd, ontmoedigd. Op de ulo holden mijn cijfers achteruit. Ik voldeed aan de laag gestelde verwachtingen. Self fulfilling prophecy. Totdat de onderwijzer die Nederlands gaf, (een leerkracht aan een ulo was geen leraar!) de volgende zin ter redekundige ontleding op bord schreef: 'zuiver ABN wordt alleen in Haarlem en omgeving gesproken, en wel door advocaten, artsen en leraren'.

Mijn ademhaling versnelde. Die eerste twee beroepen waren met mijn vooropleiding onhaalbaar, maar het laatste ... Via de kweekschool, via aktestudie, was er een mogelijkheid ... Stond aan de hoofdstraat van ons dorp, in de tuin van een groot huis, niet een opvallend wit bord met in zwarte letters: J. Nuchelmans, leraar MO? Ineens kreeg mijn toekomst vorm. Ik zou leraar worden en later zou ik ook in een kast van een huis wonen en mij trots afficheren middels zo'n groot bord.

Ik werd onderwijzer, behaalde de akte l.o. Frans, en de akten m.o. A en B in hetzelfde vak. In 1970 werd ik benoemd aan het Marnix College in Ede. Daar heerste de orde der dingen zoals ik mij die altijd op de middelbare school had voorgesteld. Er was een rector die gepromoveerd was op Plotinus, een conrector, gedisserteerd op de Correspondance tussen Flaubert en George Sand, er waren veel doctorandussen en een geringer aantal docenten zonder universitaire titel die zich, zoals ik, een plaats hadden veroverd in dat universum. De laatste groep zat aan een aparte tafel in de docentenkamer. Die oude orde zou echter spoedig verdwijnen.

Twee jaar eerder was de Mammoetwet ingevoerd. Het havo-experiment was net begonnen en het klassieke gymnasium en de HBS hadden plaats gemaakt voor het VWO. Nieuw waren de vakkenpakketten. Leerlingen hoefden niet meer in veertien vakken examen te doen. Het talenonderwijs werd drastisch vernieuwd. Het zich mondeling uitdrukken in de vreemde taal zou boven alles voorrang verkrijgen. Daarvoor werd door de overheid veel geld gefourneerd. Alle middelbare scholen kregen dure talenpracticumlokalen. Verzonken in gleuven van elke tafel lag een koptelefoon. De schriftelijke examens voor de talen werden anders ingericht. In plaats van de vertaling kwam de tekst met meerkeuzevragen. Kennis moest objectief getoetst kunnen worden. Voortaan hoefden de talenleraren niet zelf meer de examens na te kijken. Dat deed de computer.

In het algemeen leek deze grote onderwijshervorming te voldoen. Belangrijk winstpunt was dat leerlingen binnen de eigen school konden doorstromen van het ene schooltype naar het andere. Verlies leverden de vakkenpakketten op. Voor wie, bijvoorbeeld, geen geschiedenis koos, verviel dit vak na de onderbouw. Zo kon het gebeuren dat enkele jaren geleden bij een enquête onder kamerleden, sommigen dachten dat Willem de Zwijger bij Dokkum was vermoord.

Op een dag, in de jaren zeventig, bespeurde ik een andere sfeer op school. In de gangen hing tijdens de pauzes een nieuw soort lawaaiigheid. Of vergiste ik mij? Want het was ook de tijd dat leerlingen ineens klompschoenen gingen dragen. Dat was echter een simpel modeverschijnsel dat even onverwacht weer verdween. Het hardere, onheilspellender, moeilijk te duiden rumoer bleef. Ze viel samen met een scherpere polarisatie tussen de docenten onderling. De een wilde dat zijn lessen maatschappelijk relevant waren, de ander wilde 'slechts' vakkennis overdragen.

Ik herinner me een plenaire leraarsvergadering. De deur van de docentenkamer wordt opengegooid, een groep leerlingen komt binnen, ontvouwt een spandoek. Ze eisen een leerlingenparlement, de bevoegdheid om zelf de lesstof uit te zoeken, zelf het cijfer van de proefwerken te mogen bepalen, en een schoolrechtbank om leraren te berechten die zich verzetten.

De opstandigheid werd later gekanaliseerd en ongevaarlijk gemaakt in de medezeggenschapsraad. Maar eerst nog gooide de minister van onderwijs Jos van Kemenade olie op het vuur. Hij lanceerde een lumineus idee: ouders zouden voortaan zomaar de klas mogen binnen lopen om de sfeer te proeven, om te kijken hoe het met hun zoon of dochter ging, om kritisch naar lesmethodes te kijken. Heilloos natuurlijk, les als doorlopende theatervoorstelling. De minister begreep niets van het precaire evenwicht in een klas.

Studiedagen kwamen in zwang. Bebaarde agogen en andragogen, in gebleekte, met kleurige lappen bestikte spijkerpakken, probeerden ons inzicht in alle turbulentie te verschaffen. Zij hielden ons 'een stuk spiegel voor', spraken over 'een brok rebelsheid' - nooit eerder kreeg de Nederlandse taal zo'n aanval van vervuiling te verduren. Maar ze konden niet verklaren waarom de koptelefoon en de andere apparaten in de talenpractica steeds maar weer gemold werden. Ze waren door alle verhullende jargon niet in staat uit te leggen waarom jongeren op feestelijke avonden geen toneel meer wilden.

De meeste leraren lieten zich in de klas bij de voornaam noemen. Bij schaduwverkiezingen, ook een novum, stemden leerlingen massaal op de PPR, de Politieke Partij Radicalen van Bas de Gaay Fortman. Bij de diploma-uitreiking in de aula droegen de geslaagden, net als de meeste leraren, rafelige spijkerkleding. Alle decorum verdween. De zaal was zelfs tijdens de toespraak van de rector niet stil te krijgen. Gezag kalfde af.

De frequentie van het aantal oekazes van het onderwijsministerie nam toe. Exameneisen werden onophoudelijk bijgesteld, weer teruggedraaid, vaak kort voor het examen. 'De tijd bewoog zich. Men wist alleen niet waar naar toe. Men kon evenmin goed onderscheiden wat boven en onder was, wat voor- en achteruit ging' citeerde een docent de schrijver Robert Musil tijdens een van de vele bijeenkomsten. De overheid zaaide verwarring. De ene keer moesten de leerlingen onregelmatige Franse werkwoorden aanleren. Een maand later kwam het bericht dat dit essentiële onderdeel van de Franse taal mocht worden losgelaten. Volstrekt krankjorum natuurlijk.

De leraren zelf werden niet geraadpleegd. Ze werden onzeker, murw, apathisch. Elke docent hanteerde zijn eigen overlevingsstrategie. 'Houd ik nog wel van mijn vak', vroegen velen zich af. 'Nee, ik verdraag het.' In de gang van het Marnix kom ik een van mijn collega's Frans tegen. Zo vrolijk heb ik hem in lang niet gezien. Hij steekt twee vingers omhoog. ,,Jan, nog twee maanden. En dan wegwezen. Geen vergaderingen meer, geen drukke brugklassen. Joh, ik ga reizen, veel lezen, klussen afmaken, vissen, misschien een cursus kunstgeschiedenis.'' ,,Gefeliciteerd'', zeg ik, doe enthousiast en dank de hemel dat ik volgend jaar Deo Volente nog op school rondloop. Mijn opgewekte collega, de zoveelste 'dopper' die van school vertrekt.

Onder zware druk van de vakbonden had de overheid de Dop-regel bedacht; Doorstroming Onderwijzend Personeel. Met behoud van het volledige salaris mocht je vanaf je vijfenvijftigste het onderwijs verlaten. Ten gunste van de vele jonge afgestudeerden die stonden te trappelen om het onderwijs in te gaan. Een kortzichtige maatregel van de overheid: een groot aantal docenten met een schat aan ervaring en gezag verdween en de vacatures die ontstonden konden moeilijk vervuld worden. De eerste tekorten deden zich voelen.

Mijn vertrekkende collega's vond ik al even kortzichtig. Ze dansten de school uit, dachten dat het geluk hen toelachte. Meewarig keek ik hen na. Eén kwam ik onlangs tegen. Ik was hem uit het oog verloren en schrok. Hij liep moeizaam, zijn voeten schoven over de trottoirtegels.

,,Hoe gaat het?''

,,Niet goed. Ik kan geen vijftig meter meer lopen. Hart. Evenwichtsproblemen. Jij?'' ,,Ik geef nog steeds les'', zeg ik. Ik zei maar niet dat ik, hoewel van zijn leeftijd, de tien kilometer nog altijd binnen het uur liep. Wel dacht ik: het is goed voor een mens om te werken, het boek Prediker leert het ons al. Naar de cursus kunstgeschiedenis heb ik niet durven vragen.

Ongemerkt was er een andere geest in de school gevaren. Het werd rustiger. Op schoolavonden werd weer toneel gespeeld. Bij de diploma-uitreiking droegen de jongens een net kostuum en stropdas en de meisjes een zondagse jurk. Een uiterlijk fenomeen dat zich weer vertaalde in ander stemgedrag: de VVD was nu favoriet, niet alleen op mijn school. Dit geschiedde eind jaren tachtig.

In de laatste decade van de vorige eeuw verschenen nieuwe goeroes op de Nederlandse middelbare scholen. Zoetermeer geloofde dat een grote cultuuromslag aan het plaatsvinden was. Het antwoord daarop was het studiehuis. De school als snel en accuraat toeleveringsbedrijf voor adequaat personeel van de natie! Het klassikale systeem werd misprijzend 'het frontale lesje', genoemd dat zijn tijd zou hebben overleefd. In het studiehuis zou leerlingen niet in de eerste plaats kennis, maar vaardigheden om kennis te vergaren, worden bijgebracht. Van de leerlingen werd verwacht dat ze hun eigen leerproces in de gaten zouden houden, een opdracht die je zelfs niet zo gauw aan een volwassene geeft. De hooggekwalificeerde vakdocent zou zijn plaats moeten inruimen voor de teamplayer, de begeleider, de regisseur van het leren. Zo zei de 'procesmanager' van het ministerie, mevrouw Clan Visser 't Hooft in een interview: ,,Je was docent Frans, je had een lokaal met een deur en een ruit. Op de ruit plakte je een poster van de Eiffeltoren en je trok de deur achter je dicht. En je was God in Frankrijk. Die tijd is goddank voorbij.''

Natuurlijk zag menig docent dat er bezwaren kleefden aan het klassikale systeem, maar het stak dat iemand, voortkomend uit het onderwijs op zo'n verachtelijke, zo'n ordinaire toon, over het leraarsambt sprak. In datzelfde interview zei deze mevrouw nog dat ze er van uitging dat ,,zo'n tien procent van alle docenten en dan praten we over zo'n slordige tienduizend collega's de nieuwe ontwikkelingen niet kunnen bijbenen. Voor hen zit er niets anders op het onderwijs, liefst eigener beweging, te verlaten.''

Veel docenten joeg zij de gordijnen in. Alleen al door de berichtgeving kwamen velen met ernstige, lichamelijke klachten in de wao terecht. Er werd flink gemord; de maatschappij is rustelozer, onoverzichtelijker dan ooit, mensen zoeken naarstig naar het rustgevende, vertrouwenwekkende, gezin, buurt, vereniging; maar op de middelbare school wordt de meest verwarrende lesvorm aller tijden ingevoerd.

Juni 2001 zit ik tijdens een plenaire vergadering naast een collega Nederlands. Hij laat mij een kaart zien van zijn leerlingen uit de vwo-examenklas. Een verscheidenheid aan bedankjes, zoenen, groeten voor hun leraar Nederlands. Ze waren blij geweest met zijn verhalen.

,,Mooi'', zeg ik. ,,Een blijk van waardering.''

,,Zo'n kaart zal ik waarschijnlijk nooit meer ontvangen.'' Hij kijkt mij somber aan.

,,Ga je weg?''

,,Nee, maar dit was wel de laatste klas oude stijl. Jan, er is in het studiehuis geen gelegenheid meer voor mooie verhalen over de literatuur en het leven. Ik wil leerlingen laten merken hoe ik over de dingen denk. Nu is alle lesstof voorgeprogrammeerd, voor elk woord dat ik uitspreek moet met mijn collega's gecoördineerd worden. Ik sta andermans opdrachten uit te voeren en ben in de klas bezig om het net nog acceptabele geluidsniveau te handhaven. Het aardige van het vak is er af.'' Het vak is steriel geworden, zegt hij, niet vitaal meer. Heel soms kan hij door een roosterverschuiving de studieplanner even negeren zonder last met het management te krijgen. ,,Dan ben ik zo blij als een kind. Ik mag zelf mijn les bedenken en tegen de klas zeggen: 'gisteravond heb ik een prachtige roman van P.F. Thomèse gelezen, 'Het zesde bedrijf'. Zeer aan te raden voor de lijst. Het gaat over...' en ik begin te vertellen. Ik wil zo graag vertellen. Zo is er kans dat je voor leerlingen een onvergetelijke leraar wordt...''

De leraar is een tweederangsfiguur geworden, van zijn plaats voor de klas verdreven. Niet langer worden hoge eisen van vakmanschap aan hem gesteld. Hij doceert niet meer, hij is leerpartner. Leraar on his way out. Een schrale troost, dat wie ooit zijn gelijken waren, advocaat en arts, ook veel van hun status zijn kwijtgeraakt.

Kennis overdragen aan een groep is een mooi vak, misschien wel het mooiste vak dat er is. Leermeester en leerling, het is zo oud als de wereld. De ene is op de hoogte, de ander nog niet. Dat is de klassieke situatie. De intimiteit van een klas is daarvoor van een onschatbare waarde. Maar vakmanschap heeft een slechte reputatie gekregen, want zij impliceert dat je niet meewerkt aan veranderingen.

Het tekort aan leraren is schrijnend. Het ambt zal alleen dan weer attractief worden als de overheid de scholen een flinke tijd rust gunt en de lerarenopleiding jonge mensen aflevert met een grote kennis op hun vakgebied: de geletterde elite die zij ooit was. Die zal met gezag voor de klas staan, weer in staat belangstelling te wekken voor zaken die de leerling tot nu toe volkomen vreemd zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden