De ontembare roes

Denker des Vaderlands Marli Huijer en drugsspecialist August de Loor kijken met een wijsgerige bril naar drugs. Hun conclusie: legaliseren heeft geen zin.

Sinds ze enkele jaren bij de Amsterdamse Junkiebond heeft gewerkt, vermoedt Marli Huijer, Denker des Vaderlands, dat elke samenleving de drugs kent die bij de tijdgeest passen. Heerst optimisme, dan worden drugs populair die die sfeer benadrukken. Slaat de tijdgeest om, dan komen andere drugs bovendrijven.

Bij de Junkiebond ontmoette Huijer drugskenner August de Loor. Ook hij ziet dat verband. Drugs, zegt hij, werden populair in de jaren vijftig, rond Elvis Presley. "Bij hem vindt de doorbraak plaats van een zelfstandige jeugdcultuur in muziek, mode, taal, met in het kielzog de opkomst van een drugssubcultuur van vooral speed. In die cultuur zetten jongeren zich af tegen de benauwde wereld van hun ouders. In de jaren zestig kwam de beat- en hippiecultuur op. Zij begonnen hasjiesj te roken en lsd te slikken, drugs die je euforisch maken. De hippies zorgden voor de verdere democratisering van de drugs, die in de decennia daarvoor alleen in hogere kringen gebruikt werden."

Dat beaamt Huijer. "De filosoof Walter Benjamin tekende in de jaren dertig van de vorige eeuw al zijn ervaringen met hasjiesj en mescaline op. De roes bracht hem ervaringen die het alledaagse ver te boven gingen."

Voor Huijer is die roes is belangrijk. "Als we ons alleen laten leiden door het apollinische principe, door matigheid, beheersing en orde, en we de dionysische roes onmogelijk maken, raken we verveeld. De drang tot het dionysische wordt weggedrukt, maar zodra de gelegenheid zich voordoet om aan het apollinische te ontsnappen neemt het dionysische het weer over - om dan vaak te ontsporen. Die roes zorgt ervoor dat het principe van individuatie, het idee dat je als individu te onderscheiden bent van al het andere, buiten werking wordt gesteld. In de roes wordt je autonomie opgeheven, je gaat als het ware op in je omgeving. Die ontsnapping aan jezelf kan zowel aangenaam als angstaanjagend zijn. In beide gevallen ervaar je dat je onderdeel bent van een wereld die - of een 'zijn' dat - groter is dan jijzelf."

De 'popularisering van de drugsroes' verliep wereldwijd, in de hand gewerkt door de komst van satellietverbindingen. De Loor: "'All You Need is Love' van de Beatles was het eerste nummer dat door een satellietverbinding live wereldwijd kon worden uitgezonden. Dat was op 25 juni 1967, er keken 350 miljoen mensen naar. De muziek van de Beatles was doordrenkt met verwijzingen naar drugs. Net als bijna alle andere muziek uit die jaren. Volgens Aldous Huxley openden drugs the doors of perception; de deuren waren de entree naar een nieuwe wereld. Timothy Leary beschreef deze ervaringen als 'Turn On, Tune In, Drop Out'."

Dat, zegt Huijer, is 'het dionysische bij uitstek. "Je doorbreekt de grenzen van de waarneming. Je hoort, ziet en ruikt intenser. Er gaan waarnemingsdeuren open die anders gesloten blijven. Dat leidt tot nieuwe inzichten. En tot zelftranscendentie: je overstijgt jezelf. Drugs hoorden toen bij de jeugdcultuur van jongeren die zich afzetten tegen hun hardwerkende ouders uit de jaren vijftig, zestig."

We hebben nu een paar drugs gehad: speed, cannabis, lsd. Maar heroïne blijft ongenoemd.

De Loor: "Dat is logisch, want heroïne is een volkomen andere drug, die niets met een jeugduitgaanscultuur te maken heeft.

Integendeel, heroïne is een wegdroomdrug, waarbij je denkt dat er geen problemen zijn - de roze wolk. Heroïne sloeg aan in de jaren zeventig, toen de hippiecultuur verbleekte, en Love and Peace schone schijn bleken. Het werd het decennium van jeugdwerkloosheid, woningnood, oliecrisis, en de Club van Rome, die voor het eerst de mens verantwoordelijk stelde voor de eindigheid van de wereld."

Huijer: "Heroïne heet wel de loserdrug, passend bij de veranderende, pessimistische tijdgeest rond 1980."

De Loor: "De eerste groep heroïnegebruikers waren de geflipte hippies. Daarna volgden Surinaamse jongeren, die nog voor de officiële onafhankelijkheid van hun land uit Suriname waren weggetrokken en in Amsterdam het paradijs dachten aan te treffen. Zij werden weggestopt in de Bijlmer en geweerd uit de discotheken op het Leidse en Rembrandtplein. Als uitgaansgebied kozen zij de cafés op de Zeedijk, waar zij met de ziel onder de arm rechtstreeks in de heroïnewereld terechtkwamen."

Huijer: "Wat mij opviel in de tijd dat ik voor de Junkiebond werkte, is de woede die ik zag, de ongebreidelde woede op de wereld. Gebruikers waren op zichzelf gericht, wat paste binnen de sombere, geen toekomst biedende tijdgeest."

De Loor: "Tot de laatste groep junkies in de jaren zeventig behoorden de Marokkaanse en Turkse jongeren, toen de nieuwe onderklasse. Ook teleurgesteld, ook woedend. Hun ouders waren met dezelfde illusie als de eerste generatie Surinamers naar Nederland gekomen, maar hun kinderen stuitten op werkloosheid en discriminatie. Wie hoogopgeleid is, kan dit wellicht verwerken, wie dat niet is raakt gedesillusioneerd. En dan kan heroïne toeslaan."

"Begin jaren tachtig nam de populariteit van heroïne af", vervolgt De Loor. "Door de opkomst van hiv en aids werd de junkie, die daarvoor altijd iets Robin Hood-achtigs had, pas echt een loser, want hij speelde met de dood."

"Toen hebben wij de spuitenruil opgezet, en wij gaven ze doosjes, waarin elke junk zijn eigen spullen bewaarde: zijn watjes, zijn water, zijn ascorbinezuur en zijn gebruikte naalden weer in een apart doosje. 'Jij bent je eigen koning,' was de boodschap, 'en dit zijn je spullen die je niet moet delen.' De verslavingszorg zag deze aanpak als een ode aan het junkiedom, maar het was niet alleen de beste strategie tegen hiv-besmetting maar ook tegen de populariteit van heroïne."

"De populariteit van heroïne nam in de jaren tachtig ook af doordat de volgende generatie allochtone jongeren zag wat heroïne aan ellende had veroorzaakt. Daarbovenop integreerden zij heel snel in onze samenleving, wat de voedingsbodem wegnam voor het gebruik van heroïne."

Tegelijk met de afname van heroïne, begin jaren tachtig, komt de yuppencultuur op. Bij die zakelijkheid hoorde in het uitgaanscircuit het snuiven van cocaïne, meestal in combinatie met alcohol. De Loor: "Het was de tijd van de glitter en glamour, David Bowie. Maar zoals elke drug begint bij een elite en later afzakt naar een grotere groep gebruikers, zo raakte cocaïne populair tot in de brede uitgaanscircuits van allochtone en autochtone harde werkers."

Huijer: "Cocaïne past bij een samenleving waarin mensen zichzelf op de kaart willen zetten. De opkomst van het neoliberalisme, het vrijemarktkapitalisme, verleidt mensen om maximaal te presteren, vaak in competitie met anderen. Maar dit 'alles uit jezelf halen' kunnen zij naar hun idee alleen volhouden als zij in het weekeinde een snuif cocaïne nemen. Cocaïne hoort bij de neoliberale samenleving die vanaf eindjaren tachtig de tijdgeest begon te bepalen."

De Loor: "Er bestaat niet zoiets als een drugsgebruiker, er is een samenleving waarin drugs gebruikt worden. Zo kwam in 1986 de Housecultuur op, het nieuwe uitgaan, dat teruggreep naar de hippietijd met grote manifestaties, met Love & Peace, met de bijbehorende drug xtc, de lightversie van lsd en speed. Het leidmotief uit de jaren zestig 'Turn On, Tune In, Drop Out' krijgt een lightvariant: Turn On, Tune In, maar maandag weer vroeg op."

Huijer: "De managers van die tijd introduceerden in het bedrijfsleven de oude hippiegedachte dat het goed was om in vrijheid hard aan je eigen creativiteit te werken. Vooral in de ICT-sector namen werknemers zelf de verantwoordelijkheid om zich lekker creatief een slag in de rondte te werken."

De Loor: "De hippies moesten zich afzetten tegen hun ouders, in de jaren tachtig was dat niet meer nodig: je ouders waren je beste vriend."

Huijer: "Het lijkt erop dat er niet alleen vanuit de samenleving maar ook vanuit de subcultuur zelf telkens een nieuwe ordening tot stand komt met bijbehorende rituelen, die het dionysische verlangen binnen de perken houdt. Het gebruik van xtc is genormaliseerd op speciale momenten: niet door de week, niet op vrijdagmiddag tijdens de bedrijfsborrel, maar alleen in het weekeinde."

De Loor: "Wetenschappers beweren dat 64 procent van de gebruikers black-outs kent tijdens xtc-gebruik. Tijdens een black out val je om, krijg je hoofdwonden. Ik zie het niet, en ik ben toch op vrij veel festivals geweest om pillen te testen. Ik heb de GGD gebeld, naar ambulancecijfers gevraagd, maar die bevestigen dit beeld absoluut niet."

"Als onderzoeksbureaus hun resultaten presenteren, luiden ze altijd de noodklok. 'Zorgwekkende toename van crystalmeth'. 'Amsterdam het Sodom en Gomorra van de drugs.' 'Meer dertienjarigen aan ...' - noem de drug maar op. Niemand onderzoekt welke drugs verdwijnen, of welk gebruik afneemt. Al deze zorgwekkende cijfers presenteren de beleidsmakers vol bombarie in de media, die dan later weer de schuld krijgen, omdat zij de cijfers uit hun verband trekken. De weerzin tegen drugs is te groot om er helder over te kunnen denken."

Huijer: "Wat jij nu benoemt, is de apollinische reactie op het dionysische exces. De orde, de wet, zou liefst al het dionysische uitbannen."

Moet je drugs dan vrijgeven?

De Loor: "De vraag of je drugs moet legaliseren, doet me erg denken aan de legalisering van prostitutie, nu tien jaar geleden. Zijn de problemen er kleiner door geworden?"

Huijer: "Als je drugs wilt legaliseren, dan ga je ervan uit dat het goed is om het gewoon te maken. Daarmee haal je de angel uit het dionysische, de kans is groot dat mensen dan onmiddellijk op zoek gaan naar andere vormen van roes en exces."

De Loor: "Seks, drugs & rock 'n roll zullen altijd tegen de maatschappelijke orde blijven aanschuren. Als Sting via zijn muziek aandacht vraagt voor het behoud van de oerwouden is dat uiteraard lovenswaardig, maar de rocker in hem is dan wel overleden."

Het apollinische kan het dionysische nooit blijvend beteugelen?

De Loor: "Een drugsgebruiker eist een recht op vrijheid, om zelf zijn weg te mogen zoeken. En de weg te mogen kwijtraken. Een tijd in de vergetelheid te mogen leven. Dat hebben we soms nodig. De overheid moet dat niet verbieden, de overheid moet ruimte bieden en compassie tonen, klaarstaan om als het echt fout dreigt te lopen gebruikers bij de kladden te grijpen. De vraag die hierbij gesteld dient te worden is of het legaliseren van drugs deze compassie kan garanderen."

Huijer: "Als je het dionysische werkelijk serieus neemt, moet je accepteren dat er soms een grens wordt overschreden, met alle gevolgen van dien. En dat is vanuit de apollinische geest die ons evengoed in de greep heeft, moeilijk te verteren."

De Loor: "Orde kan niet zonder de chaos; chaos niet zonder ordening. Een overheid die drugsgebruik verbiedt, ontkent de behoefte aan de roes, en de helende noodzaak van chaos; een overheid die de roes zijn gang denkt te kunnen laten gaan door drugs te legaliseren ontkent dezelfde tegenstelling. Het legaliseren van drugs levert alleen maar resultaten op als er met de tegenstelling tussen het apollinische en dionysische rekening wordt gehouden."

Apollo versus Dionysos

Apollo was de olympische godheid die de Grieken de weg naar de beschaving wees. Als vertegenwoordiger van rationele schoonheid stond hij tegenover Dionysos, die als god van de wijn de roes en extase symboliseert. De filosoof Friedrich Nietzsche gaf deze Griekse goden in het moderne denken opnieuw een plaats. In zijn boek 'De geboorte van de tragedie' zet Nietzsche beide driften naast elkaar. Het apollinische staat voor de ordening en gemeenschappelijke structuren en is gematigd, redelijk, beheerst, optimistisch. Het dionysische is het grens- overschrijdende, de roes, gaat losbandig en chaotisch op in het grotere geheel, is pessimistisch. De wisselwerking tussen het apollinische en het dionysische kan volgens Nietzsche een cultuur tot grote hoogten opstuwen.

De Loor, Huijer & de Junkiebond

August de Loor was in 1977 medeoprichter

van de MDHG, de Belangenvereniging voor

Druggebruikers, in een tijd dat het aantal verslaafden sterk toenam. De MDHG groeide uit tot een denktank van allerlei nieuwe drugsprojecten.

In de strijd tegen hiv en aids was De Loor een

van de drijvende krachten achter de spuitenruil.

In 1986 richtte hij het Adviesbureau Drugs op en startte hij met het testen van xtc op houseparty's. Om de risico's van het gebruik te beperken,

heeft hij afgelopen decennia meer dan

190.000 drugstests uitgevoerd.

Marli Huijer is Denker des Vaderlands. Zij werkte begin jaren tachtig als coördinator/arts bij de MDHG, beter bekend als Amsterdamse Junkiebond.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden