De ongewisse toekomst van de melkboer

De Nederlandse melkveehouders betreden een nieuw tijdperk. Nog even en de overheid staat niet meer in voor hun inkomen. De Dutch Dairymen Board (DDB) blijft zich verzetten: „De vrije markt voor melk bestaat niet, en je moet ’m ook niet willen.”

Aan het einde van de golf van boerenacties waren de bloemetjes aan weerszijden van haar voordeur verlept. „Dat krijg je als je ze twee weken geen water geeft”, zegt Sieta van Keimpema, voorzitter van de Dutch Dairymen Board. De aanblik van de groene weiden met haar paarden en de grazende koeien rond de boerderij met zestig melkkoeien in het Friese Akkrum verraadt niets van de opwinding onder de Nederlandse melkveehouders.

De DDB – gelieerd aan de (NMV), de Nederlandse melkveehoudersvakbond – zette in mei en juni een al lang sluimerend conflict op scherp. Onder leiding van Van Keimpema voerden boeren harde acties voor een hogere melkprijs. Ze blokkeerden de toegang tot fabrieken van Friesland Foods en Campina, waardoor de productie er spaak liep. Ze verspilden bovendien demonstratief melk door het uit te rijden met giertanks of er een opblaasbaar zwembad mee te vullen.

„Expres melk laten weglopen is in Nederland voor het laatst gebeurd in de Tweede Wereldoorlog”, zegt Van Keimpema. „Toen deden boeren het uit verzet tegen de deportatie van mensen naar Duitsland.” Nu wilden de melkveehouders ermee demonstreren dat de melkprijs zo laag is dat ze het goedje net zo goed kunnen weggooien. „De lege schappen in de supermarkt als gevolg van de blokkades waren nodig om de consument bij het probleem te betrekken”, zegt Van Keimpema. „Die moet zich realiseren dat goed voedsel een prijs heeft. Je kunt de prijzen voor boeren niet eindeloos blijven verlagen.”

Maar of de boeren met hun acties iets hebben bereikt, is ernstig de vraag. De kritiek kwam niet in de laatste plaats van collega-boeren. Voedsel rondsproeien of erin gaan zwemmen schaadt het vanouds sterke imago van de Nederlandse melkveehouderij. Bovendien verhinderden de acties aan de fabriekspoorten dat de boeren hun melk konden afleveren. Alleen al bij Friesland Foods had dat tot gevolg dat 212 boeren naar schatting een miljoen kilogram melk moesten laten lopen, omdat hun eigen melktanks overliepen.

Friesland Foods heeft de door de acties gedupeerde boeren beloofd de schade te zullen vergoeden. Maar de acties hebben een tegenstelling blootgelegd die de melkveehouders tot op het bot verdeelt. Want de melkprijs die de zuivelbedrijven aan de boeren uitbetalen is niet het echte probleem: alle melkveehouders en hun belangenbehartigers vinden dat de opbrengsten voor de boer omhoog moeten.

Het echte meningsverschil is macro-economisch: de Europese Unie bouwt haar beschermingsconstructies voor boeren af, ten gunste van de vrije wereldmarkt. De discussie die de melkveehouders in zijn greep houdt, behelst de vraag hoe daar mee om te gaan.

Voor Van Keimpema en haar boeren is het eigenlijk simpel: „Je kunt wel doen of er een vrije markt voor melk is, maar het tegendeel is waar. In de eerste plaats ’verkopen’ de boeren hun melk niet, ze leveren het aan hun vaste afnemer en die volgt de prijs die door de vijf grote Nederlandse coöperaties wordt vastgesteld. Ook de kleinere afnemers van melk kunnen weinig anders doen dan die prijs volgen. Verder kun je het wel vergeten om als individuele boer met de coöperatie over je contract te onderhandelen. Daar willen ze gewoon niet aan. Alles is in plichten vervat: je levert zoveel melk per maand, punt.”

Voor zover er wél een vrije markt bestaat, is dat volgens Van Keimpema de wereldmarkt. „Maar dat is in feite een dumpmarkt”, zegt ze. „Daar komen alleen overschotten terecht.” Ze hekelt ook de sterk internationale oriëntatie van de grote Nederlandse zuivelcoöperaties, waaronder haar eigen afnemer Friesland Foods. Die investeert veel in Afrika en Azië.

„De filosofie is dat daar de welvaart stijgt en daarmee de consumptie van zuivel”, zegt Van Keimpema. „Maar Chinezen die ik onlangs sprak, vertelden dat de melk er wordt geproduceerd voor 14 cent per kilo en dat de supermarkten het verkopen voor 16 cent. Met zulke prijzen hebben wij daar níets te zoeken. Sterker, ik verwacht dat de Chinezen binnenkort zelf de wereldmarkt zullen bestormen. En onze slechte exportsituatie, met een lage dollar en een sterke euro, zie ik niet zo snel veranderen.”

De DDB vreest dat de Nederlandse melkveehouder geen enkele kans heeft als de Europese Unie hem niet meer beschermt. Maar volgens Siem Jan Schenk, voorzitter van LTO Melkveehouderij en zelf melkveehouder, is er helaas geen ontkomen aan. „Geloof me, ik houd zelf ook helemaal niet van veranderingen”, zegt hij. „En een melkprijs van 43 cent per kilo klinkt aantrekkelijk, maar zo werkt de wereld niet. ik weet wel zeker dat het melkquotum – de maximumhoeveelheid melk waarmee het aanbod schaars wordt gehouden – er in enkele jaren niet meer is. Er zijn al EU-landen die hun quotum niet eens meer volmelken.”

LTO Nederland – vanouds de grote vertegenwoordiger van de boeren in Den Haag – kiest daarom voor een pragmatische koers. De organisatie is een voorstander van het huidige beleid van minister van landbouw Gerda Verburg om het melkquotum elk jaar met twee procent te verruimen. „Dat betekent onzekerheid op de korte termijn, want de markt verandert en het grotere aanbod zet de prijzen onder druk”, zegt Schenk. „Maar op de middellange termijn heeft de Nederlandse melkveehouderij heel goede kansen op de wereldmarkt.” En op de lange termijn? „Tja, dat weet ik ook nog niet. Maar dat de markt liberaliseert, staat wel vast. Ons voordeel is dat Nederland met zijn moderne veehouderij zeer goed geplaatst is. Ons nadeel is dat Nederland klein is; er zit een bovengrens aan wat we kunnen produceren.”

Schenk snapt overigens heel goed waar de boeren zich ongerust over maken. Hij deelt het fundamentele standpunt van Van Keimpema dat voedsel een prijs heeft en dat ook de consument zich moet realiseren dat hij geen hoogwaardig voedsel tegen dumpprijzen kan krijgen. „In de jaren zeventig besteedde de Nederlander nog 25 tot 30 procent van zijn geld aan voedsel, nu nog maar 12 procent”, zegt Schenk. „De afgelopen maanden zijn de marktprijzen van veel voedsel met 20 tot 30 procent gestegen, en dan roept iedereen onmiddellijk ’er is een voedselcrisis’ Kijk, ik vind niet dat de politiek ons goede prijzen hoeft te garanderen, maar ze zou er toch over moeten nadenken.”

De DDB richt zich bij uitstek op de korte termijn. Ze hekelt de winsten die de zuivelindustrie en de supermarkten maken op zuivelproducten, terwijl de boeren er bekaaid af komen. Het Landbouweconomisch instituut (Lei) geeft ze in zekere zin gelijk: het berekende onlangs dat de melkveehouders op hun melk slechts twee procent winst maken, terwijl de fabrieken en de supers marges hebben van rond de twintig procent. Daarom kiezen de boeren voor een heel eenvoudige oplossing: de zuivelcoöperaties zouden ten opzichte van hun afnemers genoegen moeten nemen met minder winst en het verschil verwerken in de melkprijs voor de boeren. Zo stijgt de melkprijs en krijgen de boeren direct meer geld op hun rekening gestort.

Op basis van haar aanpak als voorzitter van de DDB zou men Van Keimpema best de ’Wien van den Brink’ van de melkveehouderij kunnen noemen. In de jaren negentig was het immers Van den Brink die zich met zijn Nederlandse Vakbond van Varkenshouders (NVV) losmaakte van de gevestigde boerenorganisaties en uitdrukkelijk alleen het ’boerenbelang’ ging uitdragen. Daarin school de beschuldiging dat organisaties als LTO Nederland veel te veel hun oren lieten hangen naar de politiek en het bedrijfsleven, en dus veel te veel concessies aan hen deden. Ook Van Keimpema maakt LTO dit verwijt. Met het argument dat ’s lands voedselproductie gekoesterd moet worden, willen haar melkveehouders door de overheid worden beschermd, net als destijds de varkenshouders van Wien van den Brink.

Een verschil met diens NVV is wel dat de melkveehouders zich ook in Europees verband sterk organiseren. Binnen de EMB, de Europese organisatie waarbij de DDB is aangesloten, heeft Van Keimpema vooral contact met Duitse veehouders. Die organiseerden de afgelopen maanden eveneens leveringsstops en protestacties waarmee ze de zuivelfabrieken zwaar onder druk zetten.

Maar haar Duitse collega’s hadden het gemakkelijker dan Van Keimpema en haar club. Zij vochten tegen een aantoonbaar onrecht, namelijk een fout in de wet waardoor de Duitse industrie de hoeveelheid melk die boeren leverden jarenlang verkeerd omrekende van liters naar kilo’s. Daardoor hebben de boeren al die tijd 1 procent méér melk geleverd dan ze kregen betaald.

Maar Van Keimpema en de LTO kampen met een fundamenteel verschil van mening, een probleem waarvan ze beiden toegeven dat er eigenlijk geen ideale oplossing voor is. De DDB wil handhaving van het melkquotum en op de korte termijn een hogere melkprijs. LTO vindt het goed dat het melkquotum verdwijnt en rekent op de heilzame werking van de vrije markt op de melkprijs.

Het verdeelt de boeren, en zeker niet alleen in theorie. Wie een bedrijf heeft dat groot genoeg is en kan wachten op de voordelen van de opening van de markt, doet mee met LTO. Wie die speelruimte niet heeft en voor zijn inkomen direct is aangewezen op de uitbetalingen van de zuivelcoöperatie, sluit zich aan bij DDB. Zo lijkt de Nederlandse melkveehouderij op een tragische manier verdeeld te zijn geraakt: tussen kansrijke en kansarme boeren in een sector waar zwaar moet worden geïnvesteerd om de door de markt oplegde schaalvergroting bij te houden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden