De ongetemde jager als kleine boer

“De 'Ghost dance' was een dans waarbij groepen Indianen uren of zelfs nachtenlang hand in hand tegen de klok in cirkelden rond een paal of denkbeeldig middelpunt. Tijdens deze ceremonie kwamen er visioenen los over terugkerende bizons, over voldoende eten, over herrijzende doden en het voor altijd verdwijnen van de blanke man.” Kleine geschiedenis van de ondergang en de wedergeboorte van de Indiaan.

Indianen gedragen zich trots, krijgshaftig en waardig. Dat zij het aflegden tegen de grootste macht ter wereld, de Verenigde Staten van Amerika, is niet iets waarvoor zij zich hoeven te schamen.

Op de tentoonstelling 'Indianenverhalen' in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden staan de Noord-Amerikaanse Indianen van de 'Great Plains' in het 'Wilde Westen' centraal. Hier worden onder andere de wereldberoemde kiekjes getoond die de fotograaf Edward Curtis in de eerste decennia van deze eeuw maakte van de roodhuiden, en die sedertdien op ons netvlies staan gebrand: stille gezichten, gesloten monden, kracht en kalmte. Zo zijn de Indiaanse krijgers, hun ondergang ten spijt, de geschiedenis ingegaan.

In de portretten ontbreekt de wanhoop, de radeloosheid en de vertwijfeling waarmee die ondergang gepaard ging. Die uitdrukking vinden we niet bij Edward Curtis, maar staat wel op een standbeeld van Curtis' tijdgenoot, James Earle Fraser (1876-1957), dat tentoongesteld staat in de 'National Cowboy Hall of Fame' in Oklahoma. Het beeld, getiteld 'The end of the trail' (1915), toont een afgemat, sjokkend paard, de kop omlaag, met op zijn rug een gebroken roodhuid, het hoofd nog dieper voorovergebogen dan dat van zijn rijdier, de lans, met prehistorische stenen punt, geveld.

Een eeuw geleden bleek uit de volkstelling van dat jaar dat de Indianen hun demografische dieptepunt hadden bereikt. Er waren toen nog 237 196 Indianen. Dat was ongeveer een achtste van de kleine twee miljoen native Americans die het pre-Columbiaanse Noord-Amerika bevolkten. Het beeld van Fraser symboliseerde het einde van een eeuw vervolging, uitroeiing, en oorlog.

Grote golven immigranten die vanuit het oosten de Verenigde Staten binnenkwamen, vestigden zich na de Napoleontische tijd in de Verenigde Staten waardoor telkens weer problemen met de Indianen ontstonden. De VS breidden zich naar het westen uit en naarmate de frontier opschoof, werden de Indianen als het ware voor de kolonisten uit in dezelfde richting gejaagd.

Tijdens het presidentschap van Andrew Jackson (1829-1837) werd de draconische maatregel genomen om zo'n 100 000 Indianen te deporteren vanuit het zuidoosten naar het mid-westen. Het was een deportatie die met veel ellende onder de Indianen gepaard ging, die de afgelegde route de benaming 'trail of tears' opleverde.

Ook in het Wilde Westen waren de Indianen niet veilig. De frontier schoof steeds verder naar het westen op, onder andere door de goldrush in de richting van Californië. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) kozen de Indianen de partij van zuidelijke plantagehouders tegen de Yankees in het noorden. Opnieuw een noodlottige keuze die voorwendsel werd de Indianen verder terug te dringen. Terwijl links en rechts blanke kolonisten op de Great Plains neerstreken werden de Indianen opgesloten in reservaten en verloren zij hun politieke zelfstandigheid.

In de reservaten waren zij overgeleverd aan de door de regering aangestelde Indian Agents die moesten zorgen voor de verdeling van (schaarse) rantsoenen die dienden als aanvulling op de geringe opbrengst van hun landbouwgrond. De jacht werd hun ontzegd. Gedwongen kostschoolbezoek moest er voor zorgen dat de Indianen veramerikaniseerden.

Gehoopt werd dat de indianen daardoor als etnische minderheid zouden verdwijnen. In de jaren negentig van de vorige eeuw was er verder wetgeving uitgevoerd die het collectieve grondgebied in de reservaten verdeelde in kleine individuele lapjes grond (Land Allotment Act 1887).

In 1890 werd vervolgens officieel de frontier voor gesloten verklaard en werden de Indianen in de ogen van de blanken onderdeel van het verleden. De ongetemde jager van de 'Great Plains' was veranderd in een kleine boer en daarmee formeel sociaal gelijkgesteld aan de blanke boeren. In de liberale ideologie van die tijd betekende dit individuele 'bezit' dat er juridisch eigenlijk alleen nog individuen bestonden van Indiaanse afkomst, maar geen Indiaanse stammen of volkeren. Het publiek werd aangepraat dat dit grondbezit zou zorgen voor complete assimilatie van de rode man in de Amerikaanse samenleving.

Die politiek mislukte. De Indiaanse krijgers waren er nauwelijks over te spreken: landbouw was vrouwenwerk en de oude stamverbanden waren niet opgeheven met een juridische pennenstreek. Als een laatste opflakkering van Indiaanse onafhankelijkheid kwam in 1890 Wounded Knee.

Die 'slag' bij Wounded Knee was in werkelijkheid niet meer dan een zinloze slachtpartij door zenuwachtige en corrupte 'Indian Agents' en de aan hen toevertrouwde soldaten onder de Lakota-Indianen. Hun nervositeit ontstond door de heftigheid van een religieuze opwekkingsbeweging die in dat jaar over het gehele westen van de Verenigde Staten golfde en die bekend is geworden als de 'Ghost Dance Movement' die op de tentoonstelling in Leiden ook in beeld komt, samen met het levensverhaal van Zwarte Eland (Black Elk), één van de leiders van de beweging.

Vanuit Nevada op de grens met Californië sloeg deze beweging over naar bijna alle staten ten westen van de Missouri, van Noord-Dakota aan de Canadese grens tot in Texas. De 'Ghost Dance' was een dans waarbij groepen Indianen uren of zelfs nachtenlang hand in hand tegen de klok in cirkelden rond een paal of denkbeeldig middelpunt.

Tijdens deze ceremonie kwamen er visioenen los van in trance verkerende Indianen die de tragiek van het lot van de rode man indringend in beeld brengen: de bizons zouden terugkeren, er zou voldoende te eten zijn, de doden zouden herrijzen en de stammen weer onderwijzen in de oude zeden en gebruiken. Ziekte en gebrek zouden voor altijd verdwijnen en zo ook de blanke man.

Die bizons waren in de decennia daarvoor massaal uitgeroeid. Van de veertig miljoen bizons die er in 1800 nog rondliepen, waren er in 1870 nog veertien miljoen over, daarna slonk hun aantal in rap tempo tot elfhonderd ten tijde van de Ghost dance. Daarbij was er veel meer aan de hand dan wat zinloze schietpartijen op vreedzame bizons vanuit rijdende treinen.

Het verdwijnen van de bizon was een bewuste politiek, een vorm van ecologische oorlogvoering om de ruggengraat van de Indiaanse zelfstandigheid te breken. Zo verklaarde James Throckmorton, lid van het Huis van afgevaardigden, in 1876 dat het een grote stap voorwaarts zou zijn voor de beschaving van het westen van de Verenigde Staten wanneer de bizons verdwenen. Pas dan kon men de Indianen onder controle houden.

Het resultaat was er naar. James Mooney, de man die uitvoerig van alles verzamelde wat op de Ghost Dance betrekking had en zijn wetenswaardigheden in 1896 publiceerde, noteerde onder andere deze wanhopige Ghost Dance song van de Sioux:

Mother come home, mother come home My little brother goes about always crying My little brother goes about always crying Mother come home, mother come home

Gevolgd door het hoopvolle visioen:

The whole world is coming The nation (de sioux) is coming The Eagle has brought the message to the tribe The father says so, the father says so Over the whole earth they are coming The buffalo are coming, the buffalo are coming

Ook bij de Kiowa kwamen de overledenen terug, mét de bizons:

The spirit host is advancing, they say They are coming with the buffalo, they say They are coming with the new earth, they say.

Die gehoopte terugkeer van de voorouders had veel meer om het lijf dan alleen het weerzien met de overledenen. De aantallen Indianen waren door 'blanke' ziektes zoals cholera, bewuste uitroeiing en alcoholisme in de reservaten in aantal dusdanig geslonken en ontredderd, dat het vele Indianen aan een goede opvoeding in Indiaanse mores had ontbroken. Het leven verruwde, de sociale verbanden ontbraken.

Vooral in de kleine stammen verkeerden de Indianen in een staat van volledige desintegratie omdat haast niemand meer wist w t de tradities waren: oude dansen, oude ceremonieën, oude gebruiken, oud volksvermaak zelfs. Alles was verdwenen. De Pawnees zongen:

They are coming back They are bringing the old ways and the buffalo Dance, dance, dance!

De ceremonie kon zeer indrukwekkend zijn, zeker wanneer vele honderden mensen in wel tien of twaalf tegen elkaar in draaiende cirkels binnen een vierkant van kampvuren een nacht lang doordansten en hun liederen en visioenen declameerden. Dat visioenen over het verdwijnen van de blanken onderdeel uitmaakte van de Ghost Dance, deed de spanningen tussen Indianen en blanken soms hoog oplopen. Dat was zeker het geval waar, zoals bij de Mormonenstad Salt Lake City, in de decennia daarvoor voortdurend schietpartijen en schermutselingen over grondeigendom waren geweest.

Toch was de beweging over het algemeen vreedzaam bedoeld. Dat vechten tegen de blanken zinloos was, hadden de meeste Indianen moeten accepteren. Het verdwijnen van de blanken werd dan ook overgelaten aan bovennatuurlijke krachten. De blanken zouden teruggezonden worden over de oceaan, omkomen in aardverschuivingen en lawines, cyclonen of aardbevingen. Een enkele stam kon het nog opbrengen dat blank en rood zich in harmonie zouden vermengen, maar voor de meeste van de dertig deelnemende stammen was dat toch te veel gevraagd.

Gewelddadig waren alleen de Sioux, die gekleed in speciale Ghost Dance hemden zichzelf onkwetsbaar verklaarden en zo de blanken te lijf wilden gaan. Maar dat was in strijd met de oorspronkelijke doelstelling van de 'Ghost Dance Movement'. De profeet van de beweging, Wovoka in Nevada, ontving rond 1886 visioenen waarin hij de opdracht kreeg dat de Indianen in vrede met elkaar en de blanken moesten leven, hun onderlinge gekrakeel moesten staken, en geweld moesten afzweren. Dan zouden zij worden verenigd met hun voorouders en zouden ouderdom, ziekte en gebrek verdwijnen. Geregelde uitvoering van de Ghost Dance zou het proces versnellen, aldus het verslag van James Mooney.

Niet alle stammen deden overigens mee in de opwekkingsbeweging.

Na de 'slag' bij Wounded Knee verliep de Ghost Dance Movement. Sporadisch werd de dans onder de Shoshones nog wel uitgevoerd in de jaren negentig, maar rond de eeuwwisseling was het over, toen gebleken was dat noch bizons, noch voorouders herrezen. Maar, in de decennia rond 1900 komen er meldingen binnen van een nieuwe beweging: de 'Sun Dance Movement' die in vele opzichten de gematigde opvolger van de Ghost Dance was. Deze beweging kwam op onder invloed van zowel de missionarissen die in de reservaten werkten, als van de sjamanen die naar een nieuwe vorm van saamhorigheid voor hun volk zochten. Een curieus voorbeeld van de invloed vanuit de missie was de gewoonte bij de Shoshones om de kraal waarin gedanst werd niet meer af te perken met tien maar met twaalf palen die de twaalf apostelen verbeeldden.

Alhoewel de Sun Dance kon worden voorafgegaan door schijngevechten, lag in de 'visioenen' geheel de nadruk op gezondheid, het bijstaan en genezen van de zieken, saamhorigheid, wederzijds respect en vreedzame samenwerking. Daarmee smeedde de 'Sun dance' minstens ten dele een nieuwe lotsverbondenheid tussen de leden van de stam.

Opmerkelijk genoeg zette met deze nieuwe beweging ook het eerste herstel van de Indiaanse bevolking in. Na het dieptepunt in 1900 nam het aantal Indianen geleidelijk aan weer toe en groeide aan tot bijna 350 000 aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Een demografisch herstel dat na de oorlog werd gevolgd door een culturele herwaardering onder invloed van de Civil rights movement.

De bezetting van Wouded Knee in 1973 door jonge Indianen richtte de ogen van de wereld op het lot van de Indianen in de reservaten. In deze tijd kwam er sterke opleving in de bestudering van de Indiaanse geschiedenis die veel verder ging dan het beschrijven van de 'western-oorlogen'. 'Native American History' werd een volwaardig vak met eigen gespecialiseerde onderzoeksscholen en verdieping van de kennis van het pre-Columbiaanse verleden door middel van de archeologie.

De Amerikaanse geschiedenis is niet meer alleen de successtory van de blanke en de rode man niet langer de 'wilde' die het tegen de oprukkende beschaving aflegde. Sedertdien verloopt de emancipatie van de Indiaan minder moeizaam. Curieus genoeg stopte rond 1900 ook de uitroeiing van de bizon. In 1902 besloot de Amerikaanse regering dat de bizon een beschermde soort was, waarna hun aantal langzaam steeg. In 1970 waren er zo'n 30 000 bizons, tegenwoordig meer dan 200 000.

Zonder bovennatuurlijke ingreep heeft Wovoka, die overleed in 1932, het begin van de vervulling van zijn profetie kunnen meemaken. De eenvoudige Ghost Dance song van de Comanches zoals opgetekend door James Mooney, werd alsnog bewaarheid:

We shall live again We shall live again

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden