De onderwijscrisis: hoe verder?

Het eindrapport van de Commissie parlementair onderzoek onderwijsvernieuwingen is deze week met een donderende klap in de publiciteit beland. De koppen in de kranten waren stuk voor stuk alarmistisch: ’Kwaliteit onderwijs is ernstig verwaarloosd’ was nog mild vergeleken bij: ’Leerlingen dupe van 20 jaar politiek falen’, ’Crisis van het systeem’, ’Onderwijsexcessen’ en de mening van commissie-voorzitter Jeroen Dijsselbloem, over de hele breedte van de pagina: ’Publiek is misleid over niveau van het onderwijs’.

Opvallend was ook de hardheid waarmee de verantwoordelijke ministers hun falen werd verweten, beschuldigd van ideologisch doordrammen of van het verzwijgen van de daardoor aangerichte schade. Over de rol van de Kamerfracties heb ik echter weinig gelezen. Toch zaten die er in hun volle bewustzijn bij toen de ministers hun plannen indienden. Ze dragen tenminste zoveel verantwoordelijkheid voor de beroerde gang van zaken als de bewindslieden.

Terecht signaleert de commissie dat er sprake is geweest van een diepe kloof tussen politiek en burger. Maar er moet ook een afstand hebben bestaan tussen de burgers en de belangenorganisaties in het onderwijs die, anders dan de politieke partijen, niet aan enig regeerakkoord waren gebonden en bovendien de werkelijke problemen van nabij kenden. Ook hier is plaats voor gewetensonderzoek, mogelijk voor reorganisatie.

De politiek is echter het meest hardleers. Dat kwam prachtig tot uiting in het Kamerdebat deze week over de verplichte urennorm in het voortgezet onderwijs waarover al een hele tijd een felle openbare discussie wordt gevoerd.

Tot nog toe stond staatssecretaris Van Bijsterveldt pal voor de handhaving van de verplichting van 1040 uren per jaar. Nog op 16 januari stelde ze met veel aplomb in de Kamer dat de norm absoluut nodig was om de scholen tot hogere prestaties aan te zetten en dat ze af wilde van ’de terreur van de grauwe middenmaat’. Zoals verwacht, kreeg ze steun van een ruime Kamermeerderheid.

Toenemend verzet uit het onderwijs en van de kant van de leerlingen bracht haar nauwelijks aan het wankelen. Reeds begon het departement met het uitdelen van forse boetes aan scholen die de norm niet haalden, toen bleek dat daarbij juist scholen werden getroffen die excellent onderwijs boden. Sterker nog: onderzoekers lieten zien dat onder de factoren die de prestaties in het onderwijs bepalen, de onderwijstijd slechts een klein effect sorteert. Tegelijk moest de onderwijsinspectie toegeven nooit te hebben onderzocht wat nu eigenlijk de relatie was tussen uren maken en onderwijspeil. Kortom: Van Bijsterveldt en de Kamer waren bezig een beleid door te drijven dat in het rapport-Dijsselbloem als funest wordt aangemerkt.

Dat is uiteraard niet onopgemerkt gebleven. In de afgelopen paar dagen gingen zowel Van Bijsterveldt als de Kamer overstag en toonden zich ineens bereid de kwestie van de 1040-urennorm aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. Het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie was precies op het juiste moment verschenen.

Hetzelfde gold voor een minder ingrijpend voorstel, afkomstig van het Kamerlid Henk Jan Ormel (CDA). Hij bepleitte deze week scholieren les te geven in seksuele moraal, precies 24 uur nadat Dijsselbloem gewaarschuwd had tegen de neiging „alle maatschappelijke kwesties bij het onderwijs over de heg te gooien. Seksuele voorlichting, het tegengaan van radicalisering, lessen over dikke en dunne kinderen: we moeten de onderwijstijd schonen van dit soort dingen. Op school leer je rekenen en schrijven”.

Het is goed gesproken, maar toch past bij deze kloeke uitspraak een principiële kanttekening. Zoals wel vaker het geval is, pleegt fundamentele kritiek uit te monden in een extreem contra-standpunt. Dat inmiddels is gebleken dat het streven naar kansengelijkheid via het onderwijs niet haalbaar is en dat de hervormingen in de afgelopen twintig jaar alleen al om die reden moesten mislukken, impliceert niet dat het onderwijs behalve kennisoverdracht geen andere en ruimere maatschappelijke functies zou hebben. ’Schrijven en rekenen’, natuurlijk, maar een school is meer dan een leermachine. Het is ook een cultureel en maatschappelijk instituut en een organisatie waar veel morele omgangsnormen die in de grote maatschappij gelden, in het klein kunnen worden beoefend. Onderwijs is tevens vorming, ook maatschappelijke vorming, extra dringend in een samenleving als de onze, die zo sterk is geïndividualiseerd.

Indien de commissie-Dijsselbloem een grondige opruiming heeft gehouden onder de vele illusoire verwachtingen die men van het voortgezet onderwijs koesterde, dan ligt de weg open na te gaan welke reële verwachtingen men van dat onderwijs wél mag koesteren. Er blijft werk aan de winkel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden