De onbestelbare brief van Isaac Lipschits

Rotterdam herdenkt de Holocaust dit jaar door huis aan huis het boekje ’Onbestelbaar’ te verspreiden, dat Isaac Lipschits in 1992 in briefvorm schreef aan zijn in Auschwitz vermoorde moeder.

Groningen, 5 februari 1992

Lieve moeder,

Vandaag is het uw geboortedag. Tweeënnegentig jaar zou U zijn geworden. Als U de oorlog zou hebben overleefd, zou U waarschijnlijk toch niet meer in leven zijn. Dat is een gedachte die me steun geeft, al zal ik nooit aan het idee wennen dat ze U hebben vermoord. Bijna vijftig jaar geleden heb ik U voor het laatst gezien. Vader en U zaten ondergedoken bij oom Piet en tante Nel, op de Schieweg. Ik zat ergens in Crooswijk, bij mensen die erg bang waren met het joodse jongetje dat ze in huis hadden genomen. (...) Het schrijven van deze brief heb ik steeds uitgesteld. Maar iemand moet U toch verslag uitbrengen over wat er gebeurd is met ons gezin en met de familie van U en met die van Vader. Ik ben de enige die dat nog kan doen en ik ben ook niet meer een van de jongsten. Ik ben al twintig jaar ouder dan U ooit geworden bent. Alex kan U geen verslag uitbrengen. Hij weet er niets vanaf; hij was nog geen jaar oud toen de oorlog uitbrak. En behalve Alex en ik leeft er niemand meer van ons gezin. U begrijpt dus wel dat ik niet zo veel leuks te schrijven heb. Ik ben bang om het U allemaal te vertellen en daarom heeft het zo lang geduurd voordat ik aan deze brief begon.

In 1992 schrijft Isaac Lipschits – hij is dan 62 jaar – een brief aan zijn moeder, al weet hij dat deze onbestelbaar is. Want zijn moeder werd vergast in Auschwitz. Toch wil hij haar vertellen wat er sinds die laatste ontmoeting allemaal is gebeurd. Lipschits’ brief wordt nu alsnog bezorgd, in Rotterdam, waar de verhalen in zijn brief zich grotendeels afspelen.

Morgen valt de brief in boekvorm gratis in de bus bij 250.000 huishoudens. Rotterdam wil hiermee de Holocaust herdenken en de bevolking aanmoedigen de lotgevallen van het gezin Lipschits uit de Agniesestraat te lezen. Vanmiddag overhandigt burgemeester Ivo Opstelten van Rotterdam het eerste exemplaar van ’Onbestelbaar’ aan Isaac Lipschits.

Eigenlijk hadden we met Lipschits terug willen gaan naar de Agniesestraat 59b, waar hij werd geboren en opgroeide in het gezin van een joodse marktkoopman, tot hij in 1942 op 12-jarige leeftijd moest onderduiken. Maar dat gaat niet vanwege zijn slechte gezondheid. Hij hoopt er wel bij te zijn als morgen op het Rotterdamse stadhuis zijn boekje wordt gepresenteerd. „Als ik me goed voel kunnen we na afloop misschien toch nog even door de Agniesestraat rijden. Dat zou geweldig zijn.”

Ik ga af en toe nog wel eens kijken in de Agniesestraat. U zou het niet herkennen. Ze hebben alle huizen opgeknapt en ze hebben van ieder beneden- en bovenhuis één huis gemaakt. Er wonen nu allemaal mensen die uit Turkije komen. Hoe die Turken na de oorlog in Rotterdam terecht zijn gekomen is een ingewikkeld verhaal, dat er nu niet zoveel toe doet.

Lipschits kan maar moeilijk accepteren dat hij door zijn ziekte veel moet rusten. „Ik heb elke dag acht flessen zuurstof nodig en moet ’s middags een paar uur slapen. Zonde van mijn tijd, maar anders houd ik het niet vol.” ’Je tijd niet verlummelen, altijd doorgaan en nooit opgeven’ werd het devies van Lipschits, toen hij na de oorlog hoorde dat vrijwel het hele gezin en ook een groot deel van de familie van zijn ouders was vermoord in de gaskamers of omgekomen in het concentratiekamp. „Ik heb maar één keer een zenuwcrisis gehad, waarvoor ik toen ben behandeld door een psychiater. Ik kreeg die crisis toen mijn jongste zoon net zo oud was als toen ik ging onderduiken en mijn moeder me moest afstaan. Mijn dochter had op dat moment de leeftijd die ik had toen ik terugkwam na de oorlog en mijn moeder er niet was. Ik realiseerde me hoe groot het offer van mijn moeder en vader is geweest om mij en mijn broertje met wildvreemden mee te geven. Alex was drie jaar en ik bijna twaalf. Mijn moeder wilde per se dat ik ging leren. Ik voelde een soort opdracht dat ik wat van mijn leven moest maken. Soms praat ik daar over met mijn ouders, staand bij hun portret, en dan geven ze me ook complimenten: goed gedaan, hoor, jongen. Die zenuwcrisis is ook een keerpunt geweest, omdat de psychiater me ervan heeft overtuigd dat ik nooit zal begrijpen hoe het allemaal heeft kunnen gebeuren. Ik aanvaard nu dat ik dat geheim nooit zal kennen.”

Isaac Lipschits, emeritus hoogleraar eigentijdse geschiedenis, groeide op in een gezin van zes kinderen. Toen de oorlog begon, waren zijn oudste broer Levi en enige zuster Rebecca (Bep) al getrouwd. Levi en zijn vrouw Martha hadden een dochtertje, ’kleine Grietje’. Zijn oudere broers Jacob (Jaap) en Maurits (Maup) woonden nog thuis en er was nog een nakomertje, Alex, in 1939 geboren. Zijn vader stond met zijn oudere broers op de markt, waar hij bananen verkocht. „Hij was een echte marktkoopman, de koning der standwerkers werd hij genoemd, omdat hij zo’n goeie babbel had. Na de oorlog heeft de Vereniging voor de Ambulante Handel, waaronder het marktwezen valt, nog een mooie foto uit 1934 gevonden van mijn vader en die gebruikt voor een ansichtkaart, niet wetend dat hij een jood was die in de oorlog was vermoord. Een kennis wees me er jaren later op dat er een ansichtkaart bestond van mijn vader en dat die foto ook werd gebruikt voor relatiegeschenken van de Vereniging. Zo zat hij als etiket op een wijnfles geplakt. Dan moet je weten dat mijn vader nooit wijn dronk, maar boerenjongens op brandewijn. Maar ik kreeg pas echt kriebels op mijn rug toen ik ontdekte dat zijn foto ook op een dikke kaars stond en dat mijn vader na Auschwitz dus nog vele malen verbrand is. Ik heb hier thuis drie van die kaarsen staan en je snapt wel dat die nooit aangestoken zullen worden. Toch ben ik er ook trots op dat ze uitgerekend de foto van mijn vader uitgekozen hebben. En ik denk dat ik dat ook namens hem kan zeggen.”

„Zonder de oorlog had ik net als mijn vader en broers op de markt gestaan en had ik hooguit de ulo gedaan. Mijn ouders waren arm. We hebben nooit honger geleden maar ik kom wel echt uit het subproletariaat. Als ik had mogen kiezen had ik ook duizend keer liever op de markt gestaan dan de shoah en het hoogleraarschap. Ik zou ook een goede marktkoopman zijn geweest. Net als mijn vader ben ik een babbelaar. Ik ging elke zaterdag met hem mee: hij was de koning van de standwerkers, ik was zijn prins.”

Het idee om zijn moeder ’bij te praten’ over alles wat er sinds 1942 was gebeurd, rees toen hij in Israël was en met de kinderen van zijn jongste broer Alex praatte over de oorlog. „Ik zag Alex met gespitste oren luisteren, want dat wist hij allemaal niet omdat hij nog geen jaar was toen de oorlog uitbrak. Ik vertelde en vertelde maar en besloot het op te schrijven in een brief. Maar ik richtte de brief aan mijn moeder, omdat ik een echt moederskindje was. In twee weken heb ik het allemaal opgeschreven en vervolgens ben ik gaan schrappen. Later, in 1992, is mijn brief uitgegeven als boekje, maar ik heb het nooit met die bedoeling geschreven. Veel aandacht heeft het toen overigens niet gekregen.”

Toen Gerton van Boom van uitgeverij Verbum vertelde dat hij het boekje opnieuw wilde uitgeven en huis aan huis verspreiden in Rotterdam, was Lipschits aanvankelijk argwanend. „Maar toen ik hoorde dat hij al veel meer boeken over de Holocaust heeft uitgegeven, was ik overtuigd van zijn goede bedoelingen. Dat de brief aan mijn moeder nu in heel Rotterdam wordt verspreid, vind ik vooral een eer voor mijn ouders. Iedereen mag weten hoe moedig ze zijn geweest om te gaan onderduiken en hun twee jongste kinderen mee te geven aan wildvreemden. De meeste joden bleven thuis, waar ze zijn opgehaald en afgevoerd naar Westerbork.”

Durven kiezen, niet blindelings met de grote stroom meemarcheren, zelf nadenken en niet altijd voor je laten denken. Voor die daad heb ik U beiden nog iedere dag lief. (...) Dat twee van ons het hebben overleefd is te danken aan de moed waarmee U de risico’s nam om het aanbod van oom Piet te aanvaarden.

Lipschits: „Ik zou enorme haatgevoelens hebben ontwikkeld tegen de hele Nederlandse bevolking, als er niet die paar steunpilaren waren geweest die voor mij in de bres zijn gesprongen. Dat waren mijn oom Piet en mijn twee onderduikvaders, keien van kerels waren dat. Mijn pleegvader in Friesland gaf me na de oorlog een spaarbankboekje mee met daarop al het geld dat hij had gekregen van de illegaliteit om mij te onderhouden. Het laatste wat hij wilde was aan mij verdienen. ”

„Ik heb niet de illusie dat mensen massaal mijn boekje gaan lezen. Maar ik ben al blij als maar een klein aantal de kern eruit haalt dat we een bevolkingsgroep nooit als bevolkingsgroep mogen veroordelen, of het nu om Nederlanders, Duitsers of Marokkanen gaat. Als er tien damestasjes worden geroofd en de daders zijn tien Marokkaanse jongens, is het een denkfout om te veronderstellen dat alle Marokkanen slecht zijn. Wilders heeft gelijk als hij zegt dat we als samenleving een probleem hebben. Maar het is geen oplossing om de Koran te verbieden, want er zijn ook genoeg aardige en vrome islamieten. Er is wel een probleem, alleen wordt dat probleem nog groter als je die mensen wilt lozen over de grens. Ik ben een ziek mens en kan niets meer organiseren. Misschien kan mijn boekje toch iets bijdragen aan een betere samenleving als onderwijzers er iets mee zouden doen.”

„Mijn broer die tien jaar jonger was, is negen jaar geleden overleden. Ik ben nu de pater familias, ook dat hoort allemaal bij dat ongrijpbare dat ertoe heeft geleid dat ik iets van mijn leven heb proberen te maken. Maar begrijpen zal ik het nooit. Weet je dat er in Duitsland destijds een klacht is ingediend bij de dierenbescherming over het hondje van joodse mensen die waren afgevoerd? Dat beestje was alleen in huis achtergebleven. Als ik weer eens een moeilijke periode doormaak, denk ik aan dat hondje. Je kúnt ook niet begrijpen dat zulke dingen hebben kunnen gebeuren.”

Het benauwt me als ik eraan denk dat U vrijwel zeker in die laatste maanden getwijfeld hebt en door die twijfel Uw laatste stukje leven hebt vergald. Ik wou dat ik U nog kon bereiken en U kon vertellen dat U niet als Hagar Uw kind onder de struiken hebt geworpen, maar als Jochebed in een mandje van biezen hebt gelegd.

Uw zoon Ies.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden