De omstreden erfenis van de Conservatieve Revolutie

De conservatieve revolutionairen uit het Duitsland van de Republiek van Weimar wezen de maatschappelijke nivellering die uitging van de democratie strikt van de hand. Zij presenteerden zich in hun geschriften als onverzoenlijke vijanden van Verlichting, liberale democratie en humanisme. Denkers als Oswald Spengler, Arthur Moeller van den Bruck en Ernst Niekisch droomden van een Duits of Pruisisch socialisme, dat egalitaire stromingen als het marxisme en de liberale democratie zou beteugelen en gebaseerd moest zijn op de Pruisische tradities van discipline, ascese en gehoorzaamheid. Niet de klassenloze of op gelijkwaardigheid gebaseerde maatschappij, maar een machtig Duits rijk - door Moeller van den Bruck al in 1923 aangeduid als 'Das dritte Reich' - moest de vrucht van hun inspanningen worden. De conservatieve revolutionairen waren gericht op een fundamentele verandering van waarden. In navolging van Nietzsche's subjectivistische levensfilosofie gingen zij ervan uit dat de menselijke rede niet in staat is de werkelijkheid te doorgronden, maar dat de mens beheerst wordt door instincten en de oerkrachten van het leven zelf. In een mengeling van irrationeel gedachtegoed, gevoelsmatige vaagheid en romantische toekomstverwachting, prezen zij daad en doeltreffendheid als hoogste waarden.

Zo huldigde Carl Schmitt (1888-1985), hoogleraar staats- en volksrecht, het principe van het decisionisme en verwierp de democratie als een lafhartig systeem van compromissen waarin politieke tegenstellingen in consensus worden gesmoord. Schmitt ging uit van een voortdurende machtsstrijd tussen 'vriend' en 'vijand'. Hij vond dat de politiek uitzonderlijke situaties moest overwinnen door, met voorbijgaan aan alle staatsrechtelijke principes, de dan passende beslissing - de Dezision - te nemen. In zijn Politische Theologie (1922) ontwierp Schmitt een autoritaire staatstheorie die als grondslag voor de nationaal-socialistische dictatuur zou dienen; in 1923 rechtvaardigde Schmitt in Die geistesgeschichtliche Lage des heutigen Parlamentarismus de opbouw van totalitaire structuren. Berucht is zijn pamflet Der Führer schützt das Recht (1934), waarin de 'kroonjurist van het Derde Rijk' een juridisch fundament trachtte te leggen onder de in opdracht van Hitler uitgevoerde moorden op in ongenade gevallen partijgenoten.

De oorlogservaringen speelden in het gedachtegoed van de conservatieve revolutie van begin af aan een niet te onderschatten rol. Ernst Jünger (1895-1998) vatte deze gedachte als volgt samen: ,,De oorlog is onze vader, hij heeft ons voortgebracht in de gloeiende schoot van de loopgraven als een nieuw geslacht''. Als held uit de Eerste Wereldoorlog gekomen, onderscheiden met de hoogste orde Pour le mérite, had Jünger in 1920 naam gemaakt met zijn oorlogsdagboek In Stahlgewittern, een ijzingwekkende evocatie van de moderne 'materiaalslagen' en het barre bestaan in de loopgraven. De Eerste Wereldoorlog had volgens Jünger een streep getrokken onder het burgerlijk tijdperk van algemene rechten, sociaal contract en liberale vrijheid.

In zijn politieke essays uit de jaren twintig en dertig probeerde Jünger het ideaal van de 'frontgemeenschap' over te brengen op de burgermaatschappij. De ex-frontsoldaten behoorden volgens Jünger tot de nieuwe elite die de regeneratie van de Duitse natie moest bewerkstelligen. Zijn opruiende geschriften verschenen in oudstrijdersbladen als Stahlhelm, Arminius, Der Vormarsch en de Völkische Beobachter, het partijblad van de NSDAP - in die tijd nog een van de vele ultrarechtse splinterpartijen.

Dat Jünger zich na 1933 distantieerde van het nationaal-socialisme, doet niets af aan de verwantschap die voordien bestond tussen zijn idealen en die van Hitlers NSDAP. Ook Hitlers politieke visie werd in belangrijke mate door de Eerste Wereldoorlog gevormd. Net als Jünger sprak Hitler van de 'ideeën van 1914' en van een 'Volksgemeinschaft in den Schützengrübern', waarin beroep, maatschappelijke klasse, opleiding en inkomen ondergeschikt waren geraakt aan de natie en haar gemeenschappelijk belang. Mein Kampf bevat inzake de afkeer van het burgerdom passages die inhoudelijk niet veel van Ernst Jüngers gedachten in zijn politieke geschriften verschillen. Ook Hitler kende het burgerdom tal van kwade eigenschappen toe - lafheid, koele, op eigen winst gerichte berekening, een gebrek aan energie en wilskracht - waarvan een nieuwe nationaal gezinde arbeidersklasse verlossing moest brengen.

Ook Thomas Mann verwierp aanvankelijk een Duitsland dat de geest zou ademen van een moderne, verlichte democratie naar Angelsaksisch voorbeeld. De pretentie van de westerse mogendheden om de Duitse 'barbaren' beschaving en democratie bij te brengen en ze van hun militarisme te vervreemden, beschouwde hij als een ongehoorde belediging van het Deutschtum. In zijn Betrachtungen eines Unpolitischen (1918) richtte hij zich fel tegen het type van de Zivilisationsliterat, de verlichte, democratisch gezinde intellectueel. De politiek geëngageerde houding van zijn oudere broer Heinrich was Thomas Mann dan ook een doorn in het oog. Zij stond voor hem in schril contrast met de 'apolitieke' rol die de kunstenaar in de maatschappij zou moeten innemen. De westerse Zivilisation was voor Thomas Mann onverenigbaar met de onpeilbare diepte van de Duitse Kultur.

Later ontwikkelde Thomas Mann zich echter tot een van de weinige vooraanstaande intellectuelen die de republiek verdedigden en vrede probeerden te sluiten met de sociale en politieke werkelijkheid. In zijn Appell an die Vernunft (1930) liet hij er geen twijfel over bestaan dat zijn voorkeur uitging naar een sociaal-democratische republiek. Zijn woorden vonden toen echter weinig weerklank meer. De schrijver zou in 1938 vluchten voor de nazi's, en vanuit Amerika zijn landgenoten vergeefs oproepen tot de gemeenschap van beschaafde volkeren terug te keren.

Als geen ander wist Thomas Mann in zijn roman Doktor Faustus (1947) de samenhang tussen de irrationele stromingen uit de Duitse cultuur en de opkomst van het nationaal-socialisme te beschrijven. Maar in de ogen van conservatief Duitsland was hij na zijn democratische wedergeboorte ontaard in een Zivilisationsliterat van de Tweede Wereldoorlog. Ernst Jünger verweet Mann nog in 1982: 'Het heeft mij altijd gestoord, als ik op de Engelse zender hoorde dat er weer een Duitse stad was gebombardeerd en er een toespraak van Thomas Mann volgde.'

Na de Tweede Wereldoorlog raakte de gehele traditie van het Duitse antimodernisme ernstig in diskrediet. Het jaar 1945 zagen velen als het onvermijdelijke eindpunt van het Duitse anti-Verlichtingsdenken, dat in de conservatieve cultuurkritiek van de Republiek van Weimar zijn hoogtepunt had bereikt. Carl Schmitt en Ernst Jünger werden als geestelijk wegbereiders van het Derde Rijk beschouwd. De toonaangevende filosofen van de Frankfurter Schule zouden zich na 1945 opwerpen als beschermers van de moderne Verlichtingstraditie en zich fel tegen de in hun ogen obscure en riskante gedachten van de conservatieve revolutionairen keren.

Vrijwel uitgesloten van het politieke en maatschappelijk debat wisten Schmitt en Jünger zich evenwel van een trouwe schare aanhangers te verzekeren, die hun omstreden erfenis hartstochtelijk tegen de moderne tijd verdedigde. Zo kreeg Jünger in de Zwitserse literatuurhistoricus Armin Mohler een persoonlijk secretaris die met zijn studie Die konservative Revolution de eerste systematische beschrijving van deze omstreden geestesstroming publiceerde. Jüngers essay Der Waldgang (1951), waarin hij de mogelijkheden tot protest van de enkeling in een totalitaire maatschappij beschreef, groeide aan het einde van de jaren zestig uit tot een Geheimtip onder de militante vleugel van de linkse studentenbeweging. Omgekeerd was het de Duitse overheid die bij haar bestrijding van de Rote Armee Fraktion in de jaren zeventig noodgedwongen de regels van de rechtsstaat aanpaste en daarmee Carl Schmitts theorie van de uitzonderingstoestand in praktijk bracht.

De scherpe kritiek van Jünger en Schmitt op de liberale, gedepolitiseerde maatschappij bleek in toenemende mate te inspireren. Schmitts politieke filosofie dook op in de discussies over de Navo-bombardementen op Servië, de positie van Amerika als 'enig overgebleven wereldmacht' (Zbigniew Brzezenski) en beleefde na 11 september zelfs een ware renaissance.

Jünger, die de Franse cultuur altijd had bewonderd en zich na de Tweede Wereldoorlog verdienstelijk inzette voor de Frans-Duitse verzoening, ontving in 1982 de prestigieuze

Goethepreis van de stad Frankfurt. Twee jaar later was hij, aan de zijde van zijn bewonderaars Helmut Kohl en François Mitterrand, getuige van hun symbolische handdruk tijdens de herdenkingsplechtigheden in Verdun. ,,Weinig oeuvres zijn veelzijdiger, weinig geesten rustelozer. Jünger is een erfgenaam van Goethe, Hölderlin en Nietzsche, maar ook van Stendhal'', aldus de Franse socialistische president, die Jünger met geestdrift vereerde. Naast blijvende afschuw over zijn nationalistisch engagement was er sprake van een toenemende waardering voor de wijze waarop Jünger in zijn latere werk de vrijheid van het individu verdedigde tegen de allesomvattende kracht van de techniek.

Dat een openlijk beroep op Jünger of Schmitt vooral in Duitsland tot op de dag van vandaag niet zonder risico is, bleek in 1993. In dat jaar publiceerde de Duitse schrijver Botho Straubeta zijn geruchtmakende essay Anschwellender Bocksgesang, een felle aanval op het volgens hem eenzijdig rationele en liberale discours van deze tijd, dat door de massamedia nog eens extra gevulgariseerd zou zijn. Dat discours is volgens Straubeta zo overheersend geworden dat het totalitaire vormen heeft aangenomen: het sluit elke andere zienswijze uit. Onze maatschappij is daardoor blind geworden voor het tragische, voor de niet-rationele wortels van ons bestaan - en daarmee ook blind voor de gevaren die haar bedreigen. Waar de Verlichting op haar grenzen stuit, is volgens Straubeta aandacht voor de lang verketterde traditie van het anti-Verlichtingsdenken, 'de hoge hoedster van wat niet ter discussie kan worden gesteld', essentieel.

Straubeta nam Jünger als voorbeeld voor het in zijn ogen noodzakelijke buitenstaanderschap van de schrijver. Deze buitenstander kan volgens Straubeta niet langer de poète maudit van vroeger zijn die de burger de schrik op het lijf jaagt. Hij moet de taboes elders zoeken: bij de schrijvers en filosofen die door de links-liberale intelligentsia jarenlang zijn verketterd. De buitenstaander moet net als Jünger het lef hebben zich van de mainstream af te zonderen en plaatsen zoeken waar de rede het niet voor het zeggen heeft. Wie zijn oor te luister legt bij het 'gezag en meesterschap' van Jünger en de zijnen mag volgens Straubeta rekenen op een individuele ontplooiing die hoogstaander is dan welke vorm van emancipatie dan ook.

Straubeta' pleidooi voor een revisie van de antimodernistische traditie van Novalis tot Jünger bracht de critici als bokken op de haverkist: de rehabilitatie van 'foute' schrijvers zou onvermijdelijk tot de rehabilitatie van politiek incorrecte ideeën leiden. Men verweet de schrijver reactionaire stemmingmakerij en een flirt met het gedachtegoed van de conservatieve revolutie. Menigeen zag een verzonken cultuurgoed, dat hij het liefst diep onder de grond verborgen had willen houden, zijn wederopstanding beleven. Bewondering was er echter ook voor Straubeta' genadeloze analyse van de hedendaagse media- en praatcultuur en voor zijn moed standpunten in te nemen die lange tijd als politiek incorrect waren beschouwd.

De maandenlang aanhoudende discussie rond Straubeta kan niet los worden gezien van de ingrijpende veranderingen die in Duitsland na de val van de Muur plaatsvonden. De hereniging van 1989 plaatste het debat over de Duitse nationale identiteit hoog op de agenda. Duitsland werd in veel opzichten de centrale macht in Europa en dit noopte, samen met het verstrijken van de tijd, tot een andere omgang met het verleden. Vanaf het midden van de jaren negentig vond in Duitsland een noodzakelijke en onvermijdelijke correctie plaats op de voortdurende fixatie op de jaren 1933-1945. Duitsland moest weer nadenken over zijn plaats in de wereld en kon zich niet langer verschuilen achter de zwartste bladzijden van zijn geschiedenis.

Steeds vaker gingen na 1989 stemmen op om een einde te maken aan wat de Schuldbesessenheit van de Duitsers wordt genoemd. Een toenemend aantal intellectuelen toonde zich bereid gebaande paden te verlaten en verzette zich tegen de Betroffenheit: het uit het verleden voortkomende schuld- of schaamtegevoel dat pretendeert de morele zuiverheid in pacht te hebben. Zo is Betroffenheit volgens de literatuurwetenschapper Karl Heinz Bohrer niet meer dan een nobel excuus om de nieuwe Duitse realiteit niet onder ogen te hoeven zien. Wie betroffen is, klampt zich in zijn ogen vast aan zekerheden van gisteren om zijn verantwoordelijkheid van vandaag te kunnen ontvluchten. Bohrer verwierp de negatieve verankering van Auschwitz als archimedisch punt in het Duitse collectieve bewustzijn en pleitte voor een opener dialoog met de traditie van de Duitse contra-Verlichting. Deze zou niet voortdurend in het licht van latere rampen moeten worden bezien. Het ontkennen of simpelweg negeren van dit omstreden erfgoed zou een groot verlies betekenen: aan beelden, aan gedachten en aan cultuurhistorische herinnering.

Toch is het de vraag of de door Bohrer voorgestelde 'open dialoog' met auteurs als Schmitt en Jünger in het huidige Duitsland mogelijk is - de preoccupatie met het verleden is in het Duitse opiniedebat nog altijd een factor van betekenis die in het buitenland dikwijls wordt onderschat. Het Duitse onvermogen om discussies ongetraumatiseerd te voeren, bleek wellicht nog het duidelijkst uit de ophef die onstond naar aanleiding van Peter Sloterdijks lezing Regeln für den Menschenpark (1998). De door Sloterdijk opgeworpen vraag, of met oog op de huidige ontwikkelingen binnen de biotechnologie 'een codex van antropotechnieken' moest worden opgesteld, was voor enkele critici al voldoende om zijn verwantschap met opvattingen van extreem-rechts te signaleren. De Duitse media reageren op de provocaties van Straubeta en Sloterdijk en het aanhalen van omstreden auteurs juist met

Betroffenheit. Er is dan ook vooralsnog geen aanleiding om, zoals Lorenz Jüger in de Frankfurter Allgemeine naar aanleiding van het Sloterdijk-debat schreef, aan te nemen dat met het toenemend protest tegen de cultuur van 'aangescherpte verdenking' ook het omstreden gedachtegoed van de conservatieve revolutie zijn wederopstanding beleeft.

Ernst Jünger en Carl Schmitt zijn namen die links Duitsland ook in de komende jaren gegarandeerd het schuim op de lippen brengen. ,,De strijd om het verleden laat zich met de wedloop tussen Achilles en de schildpad vergelijken'', stelde de honderdtweejarige Jünger in het vijfde deel van zijn dagboek Siebzig verweht ('Voorbij de zeventig'): 'het verleden laat zich niet inhalen'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden