De ommetjesmaker zit in de verdrukking, want wandelen in eigen stad of dorp is niet aantrekkelijk. Tijd voor meer aandacht.

Eigenlijk zijn we het allemaal, ommetjesmakers. Of we nu de hond uitlaten, een frisse neus halen of de benen strekken: (bijna) iedereen wandelt wel eens zomaar een eindje. Niet te verwarren met de 'professionele' langeafstandswandelaar, met z'n rugzak om, een routeboekje in de hand en speurend naar gekleurde markeringen. Nee, het gaat om de wandelaar in eigen stad of eigen dorp.

De ommetjesmaker vormt een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking, maar is tegelijk een beklagenswaardig type. Want voor veel gemeentelijke bestuurders bestaat hij niet, telt hij niet mee of is hij een ondergeschoven kind. In het gunstigste geval ligt er een park in de buurt. Hij mag ook van het trottoir gebruikmaken, maar vaak wordt hij afgescheept met een pad dat ook al door anderen wordt gebruikt (fietsers bijvoorbeeld). Maar om nu te zeggen dat een ommetje maken aantrekkelijk is: nee. Woonwijken waar het plezierig wandelen is: vaak niet. Vooral aan de rand van de stad of een dorp is het vaak naatje voor een wandelaar: de mens wordt absoluut niet tot lopen verleid.

Samen met Theo de Bruin bestudeerde Jan Erik Burger de habitat van de ommetjesmaker en kwam in de nota 'Ruimte voor de wandelaar' tot de conclusie dat er in nieuwe stedenbouwkundige locaties bitter weinig rekening gehouden wordt met de ommetjesmaker. De gewone wandelaar wordt helemaal niet verleid tot een ommetje, de omgeving is niet aantrekkelijk. Burger, hoofdredacteur van het wandeltijdschrift Op Lemen Voeten en Amsterdammer, had dat zelf al gemerkt toen hij vader was geworden: ,,Als ik wilde gaan wandelen, moest ik mijn weg -met mijn zoon in de buggy- zoeken tussen de auto's door.'' Soortgelijke ervaringen hoorde hij ook van mensen die zich in een rolstoel of met een rollator voortbewegen: er is geen lol aan.

Burger weet waarom de ommetjesmaker dreigt onder te sneeuwen. ,,Hij heeft het verloren van de fietser en de gebruiker van het openbaar vervoer. Die hebben hun eigen lobby. Voorzieningen voor veilig fietsen of voor openbaar vervoer, daar scoor je mee. Daar kan ik alleen maar in meegaan. Maar het betekent dat er heel weinig ruimte overblijft voor de 'gewone beweger'. Er is helemaal geen push om mensen uit de auto en aan het lopen te krijgen. Hooguit 500 tot 800 meter willen ze nog wel te voet afleggen, maar zodra het meer wordt pakken ze de fiets, de auto of de bus. Van de regering zouden we die mobiliteit moeten terugdringen en van de Hartstichting en het Diabetesfonds moeten we meer bewegen. Maar iedereen bewijst lippendienst aan het bewegingsideaal, want in de praktijk worden de voorwaarden niet ingevuld.''

Als er op gemeentelijk niveau al aandacht is voor wandelaars, dan gaat het volgens Burger over stoeptegels die losliggen of de bereikbaarheid van de winkelcentra. ,,Maar laten ze eens iets doen met een route, maak het eens verleidelijk om te gaan wandelen. Het gaat ons niet alleen om groen asfalt aan te leggen, maar om routes te creëren die door postzegelparkjes gaan, langs kinderbadjes, met wat bankjes onderweg en een oud grand café. De meeste mensen zijn niet in beweging te krijgen; je moet het ze makkelijk en leuk maken.''

Mensen willen heus wel, is zijn idee. ,,Kijk maar eens wat er op koopzondagen wordt afgelopen. Maar dan doe je het ook ergens voor, dan merk je het niet -dat is het vanzelfsprekende lopen. Daar zouden gemeenten nu eens wat meer mee moeten doen in nieuwe wijken. Natuurlijk roepen die meteen: dat kost geld. Maar

makelaars en projectontwikkelaars hebben mij met de hand op het hart verzekerd dat het nauwelijks invloed heeft op de kosten. Zet het in het programma van eisen en zij voeren het uit. Het probleem is dat gemeenten het níet in het programma van eisen zetten. Het leeft niet bij hen. In Amsterdam heb ik nooit iets van een wandelbeleid aangetroffen. Neem de IJ-oevers: tussen het Centraal Station en het Java-eiland is veel in ontwikkeling gebracht, maar er is niets aan gedaan om wandelen aantrekkelijk te maken. Vergelijk dat met Londen, waar de rode loper voor de wandelaar is uitgelegd langs de Thames. Daar ga je voor je lol lopen. En de grondprijs is er hoger dan in Amsterdam.''

Burger zou wensen dat de wandelaar deel gaat uitmaken van de integrale planning van de ruimte. Zoals in het Spaanse San Sebastian, waar het centrum autovrij is gemaakt om het milieu voor de voetganger prettiger te maken. Zoals in de Amerikaanse stad Portland, waar een snelweg door het centrum heeft plaatsgemaakt voor een park. Of zoals in Genève, dat in 1975 al bezig is woonwerkroutes te creëren voor de wandelaar. ,,Dat zijn prachtige voorbeelden. Maar dergelijke parels heeft Amsterdam of Apeldoorn ook. Ze moeten alleen aan een rijgsnoer gedaan worden. Maak het aantrekkelijk om de stad uit te gaan, maar ook ín te gaan. In Amsterdam kun je vanuit het Amsterdamse Bos via het Vondelpark naar het Centrum, maar daar houdt het mee op.''

Burger en De Bruin bevelen iedere gemeente aan om een 'wandelruimteplan' te maken en vooral te letten op groene alleeën, hoofdslagaders waar je veilig, stil en afwisselend (liefst met een beetje avontuur) kunt wandelen. Daarnaast moet gebruikgemaakt worden van steegjes, doorsteekjes, achterommetjes en hier en daar een trottoir. Zo ontstaat de ideale wandelstad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden