De Omloop van De Dag en van 'le Het Wolk'

Met Milaan-San Remo van afgelopen zaterdag is de tijd weer aangebroken van de voorjaarsklassiekers in de wielersport. Het gaat om een reeks van zeven, met uitzondering van de Amstel Gold Race door zuidLimburg, historische eendagswedstrijden. Van Milaan dus naar San Remo, de Ronde van Vlaanderen, van Gent naar Wevelgem (vlak bij de Franse grens), van Parijs naar Roubaix (of Robeke), de Waalse Pijl (een ronde rond Hoei) en de oudste, sinds 1890, van Luik naar Bastenaken (de Vlaamse naam voor Bastogne, die alleen in dit verband wordt gebruikt) en weer terug.

Allemaal beroemde wedstrijden - weer met uitzondering van de enige Nederlandse 'klassieker' - die, allemaal ook wel wortels hebben in de dagbladhistorie. Ze werden op enig moment alle wel (mede-) georganiseerd door kranten. Het Franse blad l'Equipe loopt natuurlijk dank zij de Tour de France (die overigens begon onder Henri Desgrange van het blad l'Auto dat is tegenwoordig een pagina in l'Equipe) voorop, maar die sportkrant heeft samen met het dagblad Le Parisien Libere ook z'n bemoeienis met de 'koningsklassieker' door 'de hel van het noorden', Parijs-Roubaix. Bij Milaan-San Remo treft men het logo van de Gazetto dello Sport aan. De Ronde van Vlaanderen, de Vlaamse koers van het jaar, hangt aan NieuwsbladSportwereld, de volksuitgave van 'de enige Vlaamse kwaliteitskrant' De Standaard. Elke grote koers heeft van oudsher wel een krant bij de hand.

De opkomst van de fiets viel samen met de grote drukwerkexplosie in de tweede helft van de vorige eeuw. Overal schoten auto- en fietsbladen uit de grond, die ook iets met hun doelgroep aan moesten. Daarnaast waren er de gewone dagbladen die sport herkenden als een middel om lezers te winnen. Bladen en tijdschriften verbonden zich graag aan sensationele tochten met de nieuwe vervoermiddelen, dat leverde copij op en goodwill. Het gaat nu even vooral over elders. In Nederland heeft dat fenomeen nooit zo'n vlucht genomen. Misschien is de courant bij ons toch altijd iets te veel een mijnheer gebleven. Als straf hebben we dan ook geen enkele echte klassieke wielerwedstrijd, wat een fietsnatie we ook zijn.

'le Het Wolk'

Allemaal een krant erbij. Maar het is minstens opmerkelijk dat er slechts weinig wedstrijden dan ook echt naar een krant genoemd zijn. De Dauphine Libere klinkt naar de gelijknamige krant, die er ook volop bemoeienis mee heeft, maar er heet wel meer naar die episode uit de Franse historie, de directe oorsprong moet hier toch maar even buiten beschouwing blijven.

De beroemdste wedstrijd die naar een krant heet is de openingswedstrijd van het toonaangevende Belgische wielerseizoen: De Omloop Het Volk. We hebben 'm al weer enkele weken achter de kiezen, met Johan Capiot als winnaar. De Omloop Het Volk (dus niet 'De Omloop van het volk'; in Frankrijk schrijft men terecht de koers toe aan met 'le Het Wolk'), is ook bijna een klassieker. Maar bijna is niet helemaal.

De Omloop Het Volk werd dit jaar amper voor de 47ste keer verreden. Het Volk is de in Gent uitgegeven krant van de katholieke arbeidersbeweging, die ooit op bescheiden schaal samenwerkte met De Volkskrant. Het blad, met dagelijks twaalf regionale edities, mag dan weinig advertenties oogsten, het heeft grote belangen in syndicale ziekenfondsen, spaarbanken, e.d. Uitgeverij 'Drukkerij Het Volk N.V.' is ook uitgever van het populaire 'Zondagsblad', alsmede van tweehonderd verschillender huis-aanhuis bladen.

Sportpaleis

De Omloop Het Volk vulde in 1946 het gat op de wielerkalender dat was ontstaan doordat de uit 1935 daterende Omloop van De Dag het leven moest laten. Het organiserende Vlaamse dagblad De Dag had in september 1944 namelijk een verschijningsverbod opgelegd gekregen vanwege de houding van de krant tijdens de bezetting.

Op 17 maart 1935 werd de Omloop van De Dag voor de eerste keer gehouden. De koers gold meteen als de eerste belangrijke krachtmeting na de winterpauze. De Dag, voor het eerst van de persen in Antwerpen gerold in november 1934, bestond nog amper vier maanden. De wedstrijd ging over 170 kilometer, van Antwerpen (met uiteraard de start voor het gebouw van het blad) via St. Niklaas, Lokeren, Gent, Mechelen en Lier naar het Sportpaleis in Antwerpen. De aankomst was inderdaad, als om de seizoenen te bevestigen, in het in 1933 geopende en nog altijd gebruikte Antwerpse sportpaleis, waar de coureurs via een tunneltje de piste moesten zien te bereiken.

Leo de Rijck werd de eerste winnaar. Zijn naam zegt nu weinig meer, maar toen was hij een Vlaams wielerkopstuk, winnaar van diverse echte klassiekers. In de voorste rangen streden van Nederlandse zijde Van Oers en Van der Ruit mee.

Halve prijs

De eerste Omloop van De Dag werd in het weekblad Sportrevue al bij voorbaat bejubeld: 'Onder ongehoorde belangstelling zullen de renners op onze Vlaamse wegen een eerste verwoede strijd leveren'. Het Antwerpse Sportpaleis was dan ook uitverkocht (weeskinderen gratis, lezers van De Dag en werklozen halve prijs!) en genoot van 'afwachtingswedstrijden' met wielrennen, boksen en atletiek, alvorens Leo de Rijck zijn opwachting kwam maken.

Het algemeen succes van De Dag, dat in enkele weken meer dan 50 000 abonnees had en later doorgroeide naar 100 000, wekte de afgunst van andere Antwerpse kranten. Vooral de Gazet van Antwerpen blonk er in uit, onder andere met de beschuldiging dat De Dag geld uit Duitsland zou ontvangen. Het is nooit bewezen, zoals dr. Els de Bens in haar proefschrift 'De Belgische dagbladpers onder Duitse censuur', schrijft. Maar in elk geval weigerden de kranten om in hun verslagen van de Omloop de woorden De Dag te gebruiken. Ze hadden het over 'Antwerpen-Gent-Antwerpen'.

In een nabeschouwing verwees Sportrevue, een al langer bestaande uitgave van het bedrijf dat De Dag op de markt bracht, naar die 'boycot': "De Omloop van De Dag is op de wereld gekomen onder een buitengewone bijval. Er zaten 20 000 toeschouwers opeen gedrongen in het Sportpaleis en er stonden er buiten de poorten nog minstens 5 000 te wachten. Dat succes is waarschijnlijk te danken aan de tegenwerking van sommige bladen die deze koers hadden willen doodzwijgen. Welk een beschamende les!"

Le fou pedalant

In 1937 speelde Gerrit Schulte, vorige maand overleden, een glansrol in 'de koers van d'n Dag', zoals de wedstrijd toen algemeen genoemd werd. Helaas, in praktisch gewonnen positie brak zijn fiets. Maar dat was wel de wedstrijd waarin de verslaggever Gaston Benac van het Franse dagblad France-Soir beviel van de bijnaam van Gerrit Schulte: 'le fou pedalant', zo bezeten als hij met zijn krachten omsprong, een fietsende dwaas. Dit moet wielerhistorisch ook maar meteen rechtgezet worden: Gerrit Schulte behaalde zijn bijnaam in De Omloop van De Dag en niet in de individuele tijdrit de Grand Prix des Nations, zoals gemakshalve dikwijls wordt aangenomen.

De Dag verscheen in 1935 op tabloid formaat, overgenomen van de Britse The Daily Mirror. Het blad had een uitwisseling van nieuws met De Telegraaf in Amsterdam. Als eerste Belgische krant had De Dag een zogeheten belinograaf, waarmee telefonisch foto's overgebracht konden worden. In extra edities die elke dag tijdens de Tour de France op straat werden gebracht, presenteerde De Dag foto's over een hele pagina.

Nog een primeur van De Dag was het dikke zaterdagnummer in kleurendruk. Die kranten werden ook in Nederland in kiosken en op de stations verkocht, want zo'n presentatie was bepaald uniek te noemen. Het doel van De Dag was om een degelijke, neutrale en onafhankelijke grote krant te worden. Een tegenwicht tegen de andere Antwerpse kranten, die allemaal wel gebonden waren aan een politieke partij als ze niet vanwege hun katholieke gezindheid sterk onder kerkelijke invloed stonden.

Trouw

Het ging De Dag en de openingskoers goed. En toen brak de Tweede Wereldoorlog uit. In mei 1940 verdwenen de kranten van straat om in de daarop volgende maanden mondjesmaat terug te keren. In juni '40 verscheen De Dag weer, op advies van gerechtelijke autoriteiten en omdat de koning tot werkhervatting had aangespoord. Wel moest het personeel schriftelijk trouw aan Belgie en de koning beloven.

Maar de Propaganda Abteilung van de Duitsers (Belgie had tijdens de Tweede Wereldoorlog geen burgerlijk bestuur zoals Nederland, maar stond onder directe militaire Verwaltung) maakte wel dat het anders liep en De Dag legde zich daarbij neer, zoals de meeste krantenuitgevers.

Dus deed De Dag mee aan alle door de censuur verplicht gestelde oorlogspropaganda: tegen de geallieerden, tegen de Belgische regering in Londen, tegen de joden, tegen de vrijmetselaars, voor de 'nieuwe orde'. Alleen onderscheidde De Dag zich van de andere kranten door geen partij te kiezen voor een van de groepen die zich beijverden om bij de Duitsers in de gunst te blijven: Rex, de Vlaams-nationalisten die naar een GrootNederland streefden, de Duits-Vlaamse Arbeidsgemeenschap die volstrekte aansluiting bij Das Reich wilde.

In dat opzicht bleef De Dag 'onpartijdig'. Wel bracht het blad elk jaar hulde aan koning Leopold III, zoals in mei 1943: "Hoewel de tijdsomstandigheden een pijnlijke onzekerheid laten over onze nationale lotsbestemming, is toch sinds mei 1940 uit ons hart, vervuld van blijde hoop, blijven opstijgen: Domine salvum fac Regem nostrum Leopoldum! Want de koning, redder van zijn land, is ook voor morgen een zegen en een veilige wake." En dat moest dan rijmen met artikelen over 'onze moedige Vlaamse SS-mannen' of over 'de komende grote afrekening'.

De Tijd

Enfin, de bevrijding bracht het einde, al gaf De Dag in september 1944 tijdens de intocht van de geallieerden in Antwerpen nog gauw een vervangend blad uit: De Tijd, met grote foto's van de koning, De Gaulle en Montgomery. De volgende dag al werd de krant verboden. Later, na een militair proces, werd dat verbod definitief. De Dag keerde nooit weerom, zoals in Nederland bij voorbeeld De Telegraaf - aanvankelijk veroordeeld tot een dertigjarig verschijningsverbod, wel al in 1949 weer boven water kwam.

Na de uitspraak tegen De Dag, zei een van de oud-redacteuren: "Onze erfenis is na de oorlog verdeeld: de Volksgazet nam het tabloidformaat over en de Gazet van Antwerpen de Vlaamsgezindheid." En Het Volk dus de Omloop.

NS-klachten in drievoud

Het lijkt af en toe wel alsof de Nederlandse Spoorwegen als een nationale kop van Jut fungeren. Zelden dringt de intense tevredenheid van het gros der reizigers tot de kolommen van onze kranten door. Dat is goed te verklaren. Wie tevreden is, heeft geen weerbarstig duiveltje in zijn hoofd dat hem / haar beveelt zijn / haar gram te halen. Het aantal klachten mag er wezen. Onlangs berichtte deze krant, dat het bureau klantenservice van de NS vorig jaar 62 000 klachten binnenkreeg. Sinds kort bestaat zelfs de mogelijkheid, dat ontevreden spoorklanten die er met de NS niet uitkomen, hun klachten kunnen voorleggen aan de Geschillencommissie openbaar vervoer.

Tot 19 maart 1941 ging het bij de Nederlandse Spoorwegen anders toe. Maar zeker niet eenvoudiger.

Reglement

In 1839 namen de spoorwegen namelijk een belangrijke instelling over uit het "Reglement op den dienst der openbare middelen van vervoer te lande" dat ter beschikking van de reizigers per diligence stond: het Klachtenboek. Op de meeste spoorstations van Nederland was zo'n klachtenboek aanwezig. Daar kon de reiziger zijn bezwaren in schrijven. Hij mocht daarin niet gehinderd worden. Artikel 35 van het "Algemeen Reglement voor den Dienst op de Spoorwegen" bepaalde: "Het personeel mag geen pogingen doen om iemand van het inschrijven van een klacht te doen afzien" .

Aan het "Utrechtsch Dagblad" van 19 maart 1941 ontleen ik de informatie, dat de door de reiziger in het Klachtenboek ingeschreven klacht in drievoud door het spoorwegpersoneel moest worden overgeschreven. Een afschrift zonder toelichting ging naar de Commercieele Afdeeling der NS, twee gingen naar de "Chef van den Lijndienst" , namelijk een met en een zonder toelichting. Deze chef zond op zijn beurt het eerste exemplaar met advies aan de Commercieele Afdeeling en het andere aan de Rijksinspecteur van het Verkeer. De klager kreeg dan ten slotte antwoord, waarvan een afschrift aan de stationschef van het betreffende station werd gestuurd om naast de oorspronkelijke klacht in het klachtenboek te worden ingeschreven.

Akkoord

Voordat een Klachtenboek op een station werd gedeponeerd, werd het door de Raad van toezicht op de Spoorwegen aandachtig nagezien of alle genummerde bladzijden aanwezig waren. Op de eerste en de laatste bladzijde werd het voor akkoord getekend. Op driehonderd stations was het Klachtenboek aanwezig. Per jaar werden gemiddeld in ieder boek honderd klachten ingeschreven. Toch nog dertigduizend klachten per jaar.

Het "Utrechtsch Dagblad" geeft een voorbeeld van zo'n klacht:

"Den 24en February 1868 van Goor naar Delden was de waterstoof in de 2e klasse voorzien van koud water" . Daarnaast stond als commentaar van het personeel te lezen, dat de klacht gedeeltelijk ongegrond was, omdat het water wel niet heet maar toch ook niet koud, eerder 'laauw' was geweest.

In dit "Klagtenboek" van Delden uit 1868 stond ook te lezen, dat sommige klachten niet beantwoord konden worden, omdat "de klager, toen hij zijne onleesbare klacht inschreef, te veel bedwelmend vocht had gebruikt" .

Weggegooid

Wat zouden wij een schat aan cultuurhistorische informatie over de tweede helft van de negentiende en de eerste veertig jaar van de twintigste hebben, wanneer de Klachtenboeken van Delden en Goor bewaard waren gebleven.

Helaas! De conservator van het Nederlands Spoorwegmuseum in Utrecht moest tot zijn spijt melden, dat zijn museum geen enkel Klachtenboek van de NS in bezit heeft en dat de Nederlandse Spoorwegen deze boeken zelf niet bewaarden. Blijft nog een sprankje hoop over, dat een vooruitziende stationschef in Delden, Goor of elders het niet over zijn hart kon krijgen om zoveel geboekstaafde menselijke lotgevallen tot oud papier te degraderen. En dat dus ergens in een hoekje nog een exemplaar over is van deze ongetwijfeld onthullende kronieken.

Moffologie (1)

Afnemer drs. J. F. C. Schlimme te Hilversum vond in het archief van Leusden op het Rijksarchief te Utrecht en in het kader van onze speurtocht naar de komst en herkomst van het woord 'mof' (zie onze O. O.'s 29, 30 en 31) drie acten met betrekking tot de hofstede 'De Mof', ook in Leusden.

De eerste acte, van 8 januari 1686, regelt de overdracht: "aen ende ten behoeve van Jan Jansz Haerman sijn huisvrou ende beijde erfgena(men van) seeckere huijsinge, hoff ende hoffstede mette landerijen daeraen behorende, staende ende gelegen in Leusderbroeck onder den Carspele van Leusden genaemt de Mof . . ."

De tweede acte is van 1695 regelt de koop van hofstede 'De Mof' en de derde, van 20 maart 1700, regelt weer een overdracht.

Moffologie (2)

In de beschrijvende catalogus 'Zeelandia Illustrata' van het Provinciaal Zeeuws Genootschap, trof afnemer C. P. van Strien te Driebergen onder het lemma Terneuzen aan: "In November 1583 kwam de graaf van Hohenlohe (1550-1606), door zijn huwelijk met Maria van Nassau een zwager van prins Maurits geworden, met negentien vaandels Duitschers naar Vlaanderen, landde te Neuzen en liet niet ver van daar eene sterke schans opwerpen, welke naar deze soldaten, de Moffenschans genoemd werd."

Hooft, aldus afnemer Van Strien, noemt het in zijn 'Nederlandse Historien' "een geweldigh blockhuis om de Schelde te veiligen en de Vijandt in Vlaanderen te kwellen." De beroemdste bewoner van het tot lusthoeve geworden pand was van 1604 tot zijn dood in 1621 de Terneuzense predikant Petrus Hondius. Ongehuwd en gastvrij. Cats, Heinsius, prins Maurits en kleinere grootheden tafelden er. Hondius schreef er zijn dichtwerk 'Dapes inemptae ofte Moufeschans, dat is de Soeticheydt des Buytenlevens'. Het huis dat er nu staat heet nog steeds 'De Moffenschans'.

Moffologie (3)

Met betrekking tot het in dit verband gebruikte woord 'hannekemaaiers' en zonder de bedoeling nu elk woord te gaan wegen, schrijft afnemer C. Taanman te Bennekom, dat de typering "In het voorjaar hierheen, in het najaar teru, om (snitmenteel als de Duitsers ook toen al waren) kerstmis 'bij moers thuis' te vieren" , niet deugt."

"In werkelijkheid" , zo gaat afnemer Taanman verder, "bedongen deze boernarbeiders bij hun werkgever dat ze ieder voorjaar gedurende zes weken naar Holland mochten gaan. Gedurende die tijd was er in de landbouw niet veel te doen, terwijl men in Holland juist handen te kort kwam bij het grasmaaien. De werkers in het veen gingen een paar weken eerder naar Holland. Dit zware werk werd goed betaald.

Zo kon het gebeuren, aldus afnemer Taanman, dat mijn in 1814 te Menslage geboren overgrootvader te Sloterdijk trouwde eb er warmoezenier werd. Bij de geboorte-aangiften van zijn kinderen nam hij Jan Wolkers mee. Jan kon niet tekenen 'als hebbende de kunst van schrijven nooit geleerd'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden