De omgekeerde alchemie van een biograaf

Als hondstrouwe Reve-fan las ik het relaas van Willem van Albada en Henk van Manen 'Ons leven met Reve - Teigetje & Woelrat'. Ik was al op voorhand geïrriteerd omdat ze zichzelf op het titelblad aankondigen als Teigetje en Woelrat, wie ze strikt genomen niet zijn. Maar mijn irritatie verdampte geheel toen ik op bladzijde 48 las hoe de zus van Willem van Albada reageerde toen hij haar vertelde over zijn homoseksualiteit. Het gebeurde in 1964. Hij parafraseert haar antwoord: 'Ze heeft het gevoel dat ik ben doodgegaan en vertrouwt me niet meer met hun kleine kinderen, een baby en een kleuter. Ik ben op mijn beurt geschokt door zo veel onbegrip en onwetendheid...'.

Dus over Willem van Albada niets dan goeds alstublieft. Maar hoe zit dat met Teigetje? Je kunt 'Ons leven met Reve' niet lezen zonder te denken aan de autobiografisch getinte fantasieën waar Reve ons jarenlang op getrakteerd heeft. Sterker nog, je leest 'Ons leven met Reve' nou juist omdát Reve's onvergetelijke versie van de gebeurtenissen je bekend is. Het betoverende van Reve's fictie was immers dat hij zichzelf daarin portretteerde als een fascinerende, rusteloze, komische, drinkende, ongelukkige, hoererende, zoekende geest, bij wie de lezer dacht: zou het niet heerlijk zijn om te worden opgenomen in de unieke chaotische entourage van zo'n onstuimig leven?

Nou ja, dat dacht deze lezer in ieder geval. Ik vond dat hij op het allerhoogste niveau liefhad, haatte, bewonderde, verguisde en wanhoopte, en ik had nog nooit iemand gelezen die daar zo persoonlijk, indringend en stijlvol verslag van deed. Tot zover de wierook op het Reve-altaar.

Ik zit inmiddels met een vraag waar de helaas veel te geloofwaardige biografie van Nop Maas mij al voor plaatste. Een vraag die door het verslag van Willem van Albada en Henk van Manen alleen maar scherper gesteld wordt. Schreef Reve louter fictie als hij het over zichzelf had? Was er dan helemaal geen sprake van een 'unieke chaotische entourage'? Het lijkt erop van niet en dat begint al met Teigetje en Woelrat, die in mijn verbeelding zelfs niet vagelijk lijken op de vrij sullig overkomende Willem en Henk uit de werkelijkheid. Dat klinkt onvriendelijk, maar deze onvriendelijkheid komt voort uit mijn (toegegeven) nogal domme irritatie over het feit dat zij niet kloppen met Reve's indrukken. Ze scheppen zelf alle ruimte voor dit misverstand door zich te afficheren als Teigetje & Woelrat, wie zij niet zijn. Evenmin als Joop Schafthuizen Matroos Vos is, maar met Joop moet je uitkijken, dus ik zeg verder niks over hem.

Willem en Henk zetten mij inmiddels wel op mijn nummer, want hun teleurstellende feitelijkheid wijst weer eens op het mechanisme dat alle literatuur mogelijk maakt: the willing suspension of disbelief. Het grappige is dat ik bij het lezen van Reve mijn ongeloof helemaal niet hoefde op te schorten, want ik geloofde het allemaal!

Mijn teleurstelling geldt overigens niet alleen de ongunstig uitvallende vergelijking tussen Teigetje & Woelrat en Willem & Henk, maar ook het tegenvallende karakter van de schrijver naast het bijzonder aantrekkelijke karakter van de ik-figuur. Ik kan me rond het werk van een loodgieter moeiteloos neerleggen bij de constatering dat de aard van zijn werk niets heeft te maken met zijn persoonlijkheid. Maar wordt er ooit loodgegoten op het niveau waarop Reve schrijft? En is het niet zo, als je zo hoog gaat loodgieten, dat je dan je persoonlijkheid wel móet meenemen, omdat alle kunst expressie is? De allerindividueelste expressie zelfs, van de allerindividueelste emotie? En is het dan wel mogelijk dat een vervelende vent prachtige boeken schrijft? Is goed schrijven dan niet een bezigheid die zo veel geestelijke verfijning eist dat alleen superieure geesten het kunnen?

Mensen die het dagelijks leven met een schrijver delen weten hoe onzinnig dit idee is. Ik begrijp dat Tolstoi's huwelijk niet erg gelukkig was en dat zijn vrouw hem graag naar zijn hoofd slingerde dat ze de pest had aan Levin, Tolstoi's zelfportret in de gedaante van een innemende man in 'Anna Karenina'. Reve's stormachtige relatie met Wimie B. werd door Wimie niet echt beleefd als een liaison met een bijzonder mens als je ziet hoezeer de heren bereid waren elkaar fysiek te lijf te gaan. William Blake's vrouw verzuchtte over haar mystiek behepte man 'ik zie niet veel van 'm, hij toeft meestal bij God' waarin liefde en milde spot fraai door elkaar lopen. Clara Eggink schreef over Bloem als een groot, onhandig en verwend kind. Beckett was wel een heilige, maar niemand vroeg zijn vrouw wat ze van hem dacht in hun latere jaren toen hun huwelijk in zuurte eindigde. Je heerlijke geloof in de Kunst, waar je zo'n bijzondere vreugde aan beleeft, verwordt tot iets zieligs bijna, onder de ontnuchterende aanblik van de feiten waaruit het werk oprees. De biograaf (las ik laatst) doet aan omgekeerde alchemie: het goud van het werk wordt teruggegoocheld naar de versleten jas, de motregen en de saaie verjaardag waar de schrijver mee begon.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden