De Noorse droom: een eeuwig fonds als geldmachine

De aardgasopbrengsten van Nederland vloeien vrijwel direct naar de schatkist. In olieland Noorwegen doen ze het anders. Daar gaan de olie-opbrengsten naar een beleggingsfonds. Een enorme spaarpot voor het leven na de olie.

Het moet voor Noren toch érg leuk zijn om af en toe op de website te kijken van de NBIM, Norges Bank Investment Management. Daar staat een getal van dertien cijfers dat constant in beweging is - het loopt op, het loopt af, maar toch vooral óp. Het reusachtige getal is de waarde van het zogeheten Staats Pensioenfonds Buitenland, in de volksmond het Oliefonds. Maandag 26 augustus 11.16 uur zitten er 4.557.174.163.425 Noorse kronen in. Ruim 4500 miljard kronen dus, 560 miljard euro. Nederland had ook zo'n potje kunnen hebben, zij het wat kleiner.

Net als gasbellen zijn ook oliebronnen ooit leeg. Om te voorkomen dat toekomstige generaties met lege handen achterblijven, bewaren de Noren alle olie-opbrengsten in het Oliefonds. De Noorse staat is eigenaar van het fonds, de NBIM beheert het en belegt het geld in aandelen en obligaties. Niet de opbrengsten uit olie zelf, maar de opbrengsten van met olie-geld gekochte effecten stromen jaarlijks naar de schatkist. Dat is het idee.

Het Oliefonds werd in 1990 opgericht, maar pas in 1996 werd de eerste som geld erin gestopt, zo'n 200 miljoen euro. Anno 2013 is het met dik 500 miljard euro het grootste staatsfonds ter wereld en bezit het in Europa meer dan 2 procent en wereldwijd meer dan 1 procent van vrijwel alle beursgenoteerde bedrijven. De verwachting is dat over vijftien jaar de omvang van het fonds verdubbeld is.

"We hebben het goed gedaan, het Oliefonds is een groot succes", zegt Thore Johnsen, professor aan de Noorse Hogeschool voor Economische Studies. Helemaal onpartijdig is hij niet. Johnsen is zelf nauw betrokken geweest bij het fonds en zijn zoon werkt er als beheerder. Maar met zo'n dikke spaarpot is hem moeilijk overdreven vrolijkheid te verwijten.

"Je kunt het succes van het fonds niet los zien van de gebruiksregels die eraan verbonden zijn", vervolgt Johnsen. "Zo mag er jaarlijks niet meer dan 4 procent uitgehaald worden - dat is de verwachte opbrengst van de beleggingen. Het fonds groeit snel, want ieder jaar worden miljarden aan olie-opbrengsten toegevoegd, en levert het fonds dus meer op."

Het fonds is tevens een medicijn voor wat in de wereld van economen de 'Dutch disease' is gaan heten, de Hollandse ziekte. De Nederlandse gasvelden leveren ook miljarden op, maar dat geld stroomt zo de schatkist in. Volgens de analyse van economen heeft dat er, kort door de bocht, in de jaren zeventig voor gezorgd dat de concurrentiepositie van Nederland werd verzwakt door een te hoge waarde van de gulden. Lonen stegen, overheidsuitgaven rezen de pan uit en er werd geen noodzaak gevoeld om te bezuinigen.

"Dankzij het Oliefonds", doceert professor Johnsen, "leerde Noorwegen het geldgebruik te matigen. De olie-opbrengsten komen op deze manier langzaam en gedoceerd in de schatkist. Zo houd je de overheidsuitgaven in toom. Dat is ook nodig om de niet aan olie gerelateerde economie op het vasteland te beschermen. Die moet concurrerend blijven met het buitenland. Lonen moeten niet door het plafond schieten, de kroon niet te sterk worden."

Toch zijn de Noorse lonen hoog, is de Noorse kroon sterk en het prijsniveau stevig. Symptomen van Hollandse ziekte? "Dat wordt vooral veroorzaakt door de hoge investeringen door de oliesector zelf", zegt Johnsen, "niet doordat de regering het oliegeld uitgeeft. Dan waren die effecten nog veel sterker geweest. Maar de regels die de regering zichzelf oplegt, gelden niet voor oliemaatschappijen."

De regels voor het beheer van het fonds schrijven voor dat 60 procent geïnvesteerd wordt in obligaties, 35 tot 40 procent in aandelen en 5 procent in onroerend goed. Alles moet buiten Noorwegen belegd worden. "Onze analyse is dat dit een goede verdeling geeft van opbrengsten en risico's", zegt Arent Skjaeveland van het ministerie van financiën. "We richten ons op de lange termijn en kunnen jaarlijkse variaties in opbrengsten verdragen. Over een lange periode, zeg honderd jaar, verwachten we een gemiddelde opbrengst van 4 procent."

Volgens ¿dne Cappelen van het Noorse Centraal Bureau voor de Statistiek (SSB) is tussen 2002 en 2013 gemiddeld 4,2 procent uit het fonds gehaald. "De centrum-rechtse regering van Bondevik gebruikte gemiddeld 6 procent per jaar, terwijl de huidige rood-groene coalitie onder Jens Stoltenberg op 3,3 procent zit."

Het gemiddelde rendement van het fonds is sinds zijn bestaan echter geen 4 procent, maar 3,2. Er zijn een paar zeer magere jaren geweest. Tijdens de crisis in 2008 bijvoorbeeld, verloor het fonds 23 procent van zijn waarde. Dat was schrikken. Het jaar daarop echter werd 25 procent winst bijgeschreven.

Door breed te beleggen, worden op de meest onverwachte momenten winsten geboekt. Kreunde Nederland bijvoorbeeld omdat het plots een hoop geld moest uitgeven aan vaccins tegen de Mexicaanse griep, het Oliefonds pluste omdat het aandelen heeft in het bedrijf dat die vaccins maakt. Het omgekeerde gebeurt ook: aandelen in de Japanse kerncentrale Fukushima waren minder succesvol. De crisis in Europa veroorzaakt zowel verlies als winst, wanneer landen leningen niet meer terugbetalen of als de rente over leningen juist stijgt.

Als er zoveel geld te beleggen is, valt het nog niet mee schone handen te houden. Noorwegen heeft een lijst met bedrijven waar niet in belegd mag worden omdat ze mijnen maken, clusterbommen of kernwapens. De tabaksindustrie is verboden terrein. Er ligt een zwarte lijst met bedrijven die het milieu te grote schade berokkenen. Aandelen in Walmart werden gedumpt omdat de Amerikaanse supermarktketen met minderjarigen werkt, vrouwen discrimineert en vakbonden tegenwerkt.

"We proberen zo te beleggen", zegt Johnsen, "dat latere generaties zich niet hoeven te schamen voor de herkomst van hun geld." Dat is absoluut niet simpel, geeft de professor toe. Er is een speciale raad die erop toeziet dat het Noorse oliegeld volgens de ethische richtlijnen van de regering wordt belegd. Toch vlammen discussies regelmatig op. Zo steekt het Oliefonds meer geld in bedrijven die ontbossen dan de regering - en die is scheutig - aan de bescherming van regenwouden besteedt. Het fonds zit ook in bedrijven met verwoestende mijnactiviteiten of die olie uit teerzand winnen met desastreuze gevolgen voor natuurgebieden.

"Het zijn allemaal gevoelige onderwerpen", zegt Johnsen. "Sinds een paar jaar laten we als aandeelhouder liever onze stem horen als ons iets niet bevalt. We kunnen ons aandelenpakket wel meteen verkopen, maar wie zegt dat de koper ervan het beter voorheeft met de wereld dan wij? Dan kun je beter proberen bij te sturen van binnenuit."

Olie heeft Noorwegen enorme welvaart gebracht en velen zien met enige zorg het moment tegemoet waarop het olietijdperk voorbij is. Niet nodig, volgens SSB-onderzoeker Capellen. "Natuurlijk verandert er veel na het olietijdperk, want dankzij de olie hebben nu veel mensen een goed betaalde baan. Maar tegen die tijd hebben we ook nog steeds competitieve industrieën, zoals de scheepsbouw. De invloed van olie wordt vaak overdreven, doordat mensen niet beseffen hoe het fonds onze economie beschermt tegen alle mogelijk variaties in de oliemarkt."

Cappelen durft de 'misschien wat provocatieve stelling' wel aan dat Noorwegen helemaal niet van de olie leeft en Noren dus ook niet bezorgd hoeven te zijn voor een leven na de olie. De olie-inkomsten worden immers niet verbrast en het Oliefonds heeft reeds zo'n omvang dat het zelf een grote bron van inkomsten is geworden.

De Noorse droom is een eeuwigdurend fonds als geldmachine. Komende generaties Noren zullen politici en fondsbeheerders dankbaar zijn als ze daar in slagen.

Aardgasbaten in Nederland
Aardgas heeft Nederland sinds de jaren zestig ruim 250 miljard euro opgeleverd. In 2012 vloeide 14,5 miljard aan aardgasbaten naar de schatkist en dit jaar naar verwachting 12 miljard.

Het grootste gasveld ligt onder het Groningse Slochteren en daar is minder dan een derde van over. Verder zijn er veel kleine gasvelden.

Tussen 2003 en 2013 vormden de aardgasbaten tussen 5 en 10 procent van het inkomen van de staat. In de jaren tachtig was dat nog veel meer.

Binnen vijftig jaar verandert Nederland van gas-exporteur in -importeur. De aardgasbaten verdwijnen en dan moet de staatsbegroting met belastingverhogingen of bezuinigingen rondgemaakt worden.

Anders dan Noorwegen heeft Nederland - dat nu nog voor meer dan 100 miljard euro aan gas in de bodem heeft - er nooit voor gekozen aardgasbaten in een beleggingsfonds te stoppen.

Alleen tussen 1995 en 2011 is een deel, minder dan de helft, apart gezet in het Fonds voor Economische Structuurversterking (FES). Daarmee zijn onder meer de Betuwelijn en Hogesnelheidslijn betaald.

Verder stroomde en stroomt het gasgeld de schatkist in. Vooral in de jaren zeventig leidde dat tot een ongekende groei van de overheidsuitgaven, waarbij het niet uitmaakte of de PvdA, VVD of de voorlopers van het CDA in de regering zaten.

De gasinkomsten zijn niet helemaal verdampt. Nederland heeft onder meer de Oosterscheldedam en een goed sociaal stelsel - waar Noorwegen overigens, dat wel spaart, niet voor onder doet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden