De nieuwe werkwijze van Amsterdam: niet nog een boze brief, maar even langsgaan

Stephan Dijkstra (53) aan het werk als vrijwilliger op de Buurtboerderij Ons Genoegen in het Westerpark. Hij helpt een handje in de keuken. Beeld Maartje Geels

Lang niet elke bijstandsgerechtigde maakt kans op werk. Maar ook wie misschien nooit uit de bijstand komt, verdient aandacht, zeggen ze in Amsterdam, want ‘wie aandacht krijgt, groeit’. Op een symposium wordt vandaag de nieuwe aanpak van de Amsterdamse sociale dienst besproken.

 De eerste klant komt niet opdagen. Hij was al eens langsgekomen met een stapel brieven in de hand die hij niet begreep. Maar vandaag blijft hij weg. Carl Hu-A-ng, klantmanager bij de Amsterdamse sociale dienst, gaat hem opnieuw uitnodigen. “Maar zijn telefoon doet het niet, e-mail heeft hij niet en hij begrijpt de taal slecht.”

Pieter Landman (49) komt wel. Hu-A-ng heeft hem al eerder gesproken en kreeg hem toen zover dat hij als vrijwilliger taalles ging geven. Maar dat hield hij maar kort vol.

“Je ziet er goed uit”, zegt Hu-A-ng hartelijk.

“Nou …”, snuift Landman, een kale, magere man met een baard. Hij heeft taaislijmziekte. “Het wordt alleen maar erger. Tot je kapot gaat.”

Toch wil Hu-A-ng met hem bespreken wat hij nog kan. Landman zit er ontspannen bij, lichtjes onderuitgezakt. Hu-A-ng leunt voorover naar hem toe.

“Je weet hoe ik ben”, zegt Landman. “Als ik iets niet wil, zeg ik dat.”

“Die eerlijkheid waardeer ik. Je nee is nee. Goed.”

Zijn eerste doel in deze gesprekken, vertelt Hu-A-ng achteraf, is mensen ‘een glimlach bezorgen’. Zijn klanten zitten in de bijstand en volgens de sociale dienst zelf is hun kans om weer aan het werk te komen erg klein. Maar iets anders kunnen ze misschien wel. Eerst die glimlach, en dan begint er een ‘proces’, zegt Hu-A-ng. Weer onder de mensen komen, misschien een cursus, vrijwilligerswerk. Voor Landman gaat hij een cursus stoppen met roken zoeken. “Het heeft geen zin hem nu onder druk te zetten om méér te doen.”

Dit soort gesprekken past in een nieuwe aanpak van de Amsterdamse sociale dienst. Gedwongen door bezuinigingen heeft de dienst zich een tijd lang vooral ingespannen voor mensen in de bijstand die serieus kans maakten op een baan. Dat werkte goed, maar de keerzijde was dat mensen die door de sociale dienst waren ingedeeld in de categorie ‘weinig kans’ aan hun lot werden overgelaten. En daar telt Amsterdam er 33.000 van.

Nieuwe aanpak

Dat moet anders, vond Arjan Vliegenthart (SP) toen hij in 2014 aantrad als wethouder werk en inkomen. Ook de kwetsbaarste Amsterdammers verdienen kansen om mee te draaien in de maatschappij. Dat is goed voor henzelf en levert ook maatschappelijk gezien veel op. Want wie een prettig leven heeft, zorgt niet voor overlast en heeft minder zorg nodig. De sociale dienst kan daaraan bijdragen met wat Vliegenthart ‘vitamine A’ noemt, met de A van aandacht. “Van aandacht ga je groeien”, zegt hij.

De nieuwe aanpak wordt nu stapsgewijs ingevoerd en dat begint met een ander soort brieven. Vroeger werden mensen in de bijstand uitgenodigd voor een gesprek over ‘werk, arbeidsreïntegratie en participatie’. “Als u niet reageert op deze oproep, kan dit gevolgen hebben voor uw uitkering.” Tegenwoordig begint de uitnodiging met de zin: “De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat het goed gaat met haar inwoners.” Onder het kopje ‘waar gaat het gesprek over?’ staat: “Ik hoor graag van u zelf hoe het met u gaat. Wat doet u? Wat zou u willen doen? Zijn er dingen die u moeilijk vindt?” En de dreiging met korten blijft achterwege.

Die brief wekte aanvankelijk verbazing. Klanten belden met de vraag: is deze brief echt van jullie? En klantmanagers vroegen zich af: komen mensen nog wel opdagen? Wat die tweede vraag betreft: ja, ze komen. “En als ze twee keer niet komen, gaan we thuis langs”, vertelt Calijn den Nieuwenboer, die de overgang naar de nieuwe werkwijze leidt.

“Dan blijkt dat mensen het gewoon vergeten zijn. Of de weg kwijt zijn. Of bang om hun post open te maken. Wat heeft het dan voor zin ze te korten op hun uitkering?”

Buurthuizen

Voor de klantmanagers verandert er veel meer. De meeste gesprekken voeren ze niet meer op hun eigen kantoor, maar in buurthuizen, vaak letterlijk om de hoek bij hun klanten. Daardoor kunnen ze klanten meteen in contact brengen met andere instanties die in dat buurthuis werken. Want ook dat is veranderd. “Tegen iemand zonder kans op werk zeiden we vroeger: sorry, we kunnen u niet helpen”, zegt Den Nieuwenboer. “Nu zoeken we naar wat iemand dan wél kan en hoe we hem daarbij kunnen helpen.”

Even een lijstje afvinken om te checken of iemand ‘rechtmatig’ een uitkering heeft, is er niet meer bij. Klantmanagers werken nu met de ‘zelfredzaamheidsmatrix’. Daarmee brengen ze in kaart hoe hun klanten het doen in het dagelijks leven – met geld, op gezondheidsgebied, met sociale contacten, enzovoorts. Dat levert vaak stof op voor persoonlijke gesprekken. “Ik voel me geen ambtenaar”, zegt Hu-A-ng, “maar hulpverlener, psycholoog, filosoof.”

Werpt deze aanpak vruchten af? De sociale dienst zit nog midden in de omslag naar de nieuwe werkwijze en hoe die op lange termijn uitpakt, staat niet vast. Maar in anderhalf jaar tijd is al met ruim 4800 mensen gesproken en bijna de helft daarvan is in actie gekomen.

De aandacht voor deze groep gaat niet ten koste van de kansrijkere bijstandsgerechtigden, blijkt uit de cijfers. “En deze aanpak bespaart ook elders kosten, bijvoorbeeld in de zorg”, zegt projectadviseur Berend de Groote. “Dit past bij deze tijd. Aandacht werkt, dwang en drang zijn achterhaald.”

‘Verjaardagen sla ik soms over. Je gaat contact vermijden.’

Hij is al werkloos sinds 2010 en hij schaamt zich, hij schaamt zich erg. Dus toen hij een brief kreeg van de sociale dienst, was hij blij. En van het gesprek met klantmanager Carl Hu-A-ng werd hij nog blijer, zegt Sjaak van Drimmelen (48). “Misschien was dit de kans terug te komen in de maatschappij.”

Van Drimmelen werkte als verpleegkundige in een ziekenhuis. Met veel plezier. Maar het ging slecht met hem, hij kwam thuis te zitten – hij wil er weinig over kwijt – en nam ontslag. “Stom”, zegt hij zacht. “Het stomste wat ik kon doen.”

Terugkomen in de verpleegkunde lukte niet en daarna heeft hij van alles geprobeerd: de thuiszorg, horeca, vuilnis ophalen. Elke dag begint hij met online zoeken naar vacatures, maar meestal krijgt hij niet eens antwoord. Intussen doet hij wat vrijwilligerswerk, hij bezoekt eenzame ouderen.

“Ik heb altijd wel begrepen: een geregeld leven is belangrijk. Hier in de straat zie ik huizen waar de gordijnen ’s middags om vijf uur pas opengaan. Dat gaat mij niet gebeuren, dan heb je het echt opgegeven.”

Maatschappelijk staat hij aan de rand, vindt hij. “Ik ben dankbaar voor het geld dat ik krijg, er zijn landen waar geen bijstand bestaat. Maar als mijn fiets kapot is of als ik kleren nodig heb, kan ik dat niet zomaar betalen. En werk of geen werk, dat betekent veel voor je contacten. Mijn vrienden zijn gewoon doorgegaan, met werk, met vakanties. Verjaardagen sla ik soms over, ik schaam me dat ik geen cadeautje kan kopen. Je gaat contact vermijden.”

Eén keer had hij kort werk, als kok in een bejaardentehuis. Maar dat werd een ‘catastrofe’, zegt hij. Het salaris was een lachertje. “Dat was naïef van mezelf, hoor. Ik had in het sollicitatiegesprek niet naar het salaris gevraagd, dat leek me onbeleefd. Heb ik van geleerd: je moet soms zakelijk zijn.”

De sociale dienst kortte daarna te veel op zijn uitkering en het duurde lang voor hij dat rechtgezet kreeg.

“Op hun site klikte ik steeds op: ik heb een vraag. Dat hielp niet. Uiteindelijk heb ik geklikt op: ik heb een klacht. Toen werd ik snel gebeld.”Een verlegen lachje. “Ja, dat weet ik wel: ik ben een beetje te beleefd, te netjes. Dat is niet altijd handig.”

Soms was hij vertwijfeld. Maar nu ziet hij weer toekomst. Carl regelde een gesprek bij de GGD en ging ook met hem mee. “Ik ben twee dagen zenuwachtig geweest, heb m’n cv wel honderd keer doorgenomen.” Uiteraard wilden ze weten waarom hij er al zo lang uit was, maar ze vroegen niet door. “Ik weet niet wat ik anders gezegd had. Je wilt je waardigheid houden.”

Na dat gesprek was hij zo blij dat hij Carl móest omhelzen. Ook al wordt het waarschijnlijk niks. “Maar alleen al dat ik dat gesprek had, deed me ontzettend goed.”

‘In principe denken mensen dat ik gek ben’

Alleen mijn gebit moet ik nog regelen, dan ben ik van alle ellende af”, zegt Stephan Dijkstra (53). “Nee, pijn heb ik er niet aan. Omdat ik geen suiker meer eet.” Dat deed hij vroeger wel, hij lééfde zo ongeveer op spaghetti met suiker. Zo spaarde hij geld uit om te drinken, want ja, hij was ‘stevig aan de drank’.

Hoe dat zo gekomen is? Dat is een lang en ingewikkeld verhaal, zegt hij, en gedachteloos schept hij suiker in zijn koffie – ‘O nee, dat moet ik dus niet doen’. Dat verhaal begint in 1999. Hij ging aangifte doen van inbraak, kreeg ruzie, sloeg een politieman in elkaar. Daar kwam hij nog mee weg – tot zijn verbazing. Een jaar later begonnen werklui ’s ochtends vroeg te boren en werd hij zo kwaad dat hij uit het raam ging hangen, zwaaiend met een mes. Poging tot doodslag, oordeelde de rechter – opnieuw tot zijn verbazing – en hij kwam vast te zitten. “Ik zat niet lekker in mijn vel, toen. Anders doe je zoiets niet, toch, iemand in elkaar slaan?”

Vóór zijn gevangenisstraf had hij wel baantjes, erna ook, maar nu zit hij alweer jaren in de bijstand. Hij was een tijdje aan de drank, ging om met wat hij zelf foute vrienden noemt en zorgde dat hij zo’n beetje buiten beeld van de instanties bleef. “In principe denken mensen dat ik gek ben”, zegt hij. “Dus dat ga je dan een beetje meespelen.”

Hij werd wel eens opgeroepen door de sociale dienst, hij werd ook wel eens aan het werk gezet, maar lang duurde dat niet – ‘Ik was toen nogal recalcitrant’. Van zijn sociale leven is intussen weinig over. “Gelukkig. Van alle foute vrienden af.” Hij speelt wat gitaar, hangt rond op internet, is bezig met schaken en de laatste tijd ook met audio engineering. “Dat gaat best goed, al heb ik er niet veel aanleg voor.”

Begin dit jaar kreeg hij opnieuw een oproep van de sociale dienst en inmiddels heeft hij een aantal gesprekken achter de rug met klantmanager Carl Hu-A-ng – ‘Die is heel enthousiast, beetje druk ook’ – en volgde hij een cursus koken en gezond eten en doet hij aan sport. Kort geleden begon hij als vrijwilliger bij buurtboerderij Ons Genoegen. “Ik zei: ‘Geef mij maar dagbesteding’. Het is heel moeilijk om in m’n eentje discipline op te brengen, dus...”

Zó ziet zijn week er nu uit. Maandag de buurtboerderij. Dinsdag...? “Ehh... wacht even, hoor, ik kan me soms slecht concentreren... o nee, dinsdag niets.” Woensdag sporten. Donderdag weer de buurtboerderij. Is zijn leven daar beter van geworden, leuker? “Nou, leuker... Ik heb een kat, dát is wat er leuk is in mijn leven. Maar de laatste jaren deed ik niets. Dus het is vooruitgang vergeleken met wat het was.”

Om hun privacy te beschermen zijn de namen Pieter Landman, Sjaak van Drimmelen en Stephan Dijkstra gefingeerd. Hun echte namen zijn bij de redactie bekend.

Lees ook: Experimenteren met de bijstand? Nu lukt het Utrecht wel

Lees ookVier steden mogen experimenteren met soepelere bijstand

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden