De nieuwe bijbelvertaling (2)

Er komt een nieuwe bijbelvertaling aan (NBV), en daar had ik mij al jaren op verheugd. Nooit eerder lag er in ons land zoveel mooi vertaalwerk op tafel, waar rijkelijk uit geput kan worden, nooit eerder hadden wij zoveel inzicht in de beeldende verhaaltaal van de bijbel. Wat een voorrecht om al die schatten van her en der bijeen te brengen in een splinternieuw boek, dat gedegen theologisch inzicht paart aan poëtische kracht.

Maar nu ik mij in de proeve van de NBV van het boekje Jona heb verdiept, vrees ik het ergste. Voor ik er verder het zwijgen toe doe, lees ik nog even met u verder.

Er raast een storm over de zee.

Maar Jona was in het ruim van het schip afgedaald. Wanneer? Toen ze nog in de haven lagen? Nee, toen die grote storm ging razen! De schepping kreunt, het schip kreunt, maar Jona sluit er zijn ogen voor, mijnheer Duif zoekt zijn nest op. Je hebt van die vromen, die zich nergens om bekreunen. Wegvertaald!

De schipper ging naar hem toe en zei tegen hem: 'Wat lig jij hier te slapen! Sta op, roep tot je god!'

Geestig, zoiets zei God ook al: 'Sta op, roep tegen Nineve.' De grap gaat in de NBV verloren, omdat die God liet zeggen dat Jona zich gereed moest maken om Nineve aan te klagen.

Natuurlijk, in een vertaling gaat veel verloren, dat kan vaak niet anders, maar in dit geval kan het heel goed anders. En waarom is de diepte van: 'Hoe kun jij zo diep slapen?' naar de knoppen? Wie Wat lig jij hier te slapen een verbetering vindt, moet zich diep schamen.

De zeelieden wierpen het lot om er achter te komen wiens schuld het is dat deze ramp ons treft. Er staat: 'dit kwaad', en omdat dit kwaad van alles te maken heeft met het kwaad van Nineve, zou ik dit rijm van de auteur respecteren. Hebben de vertalers dat rijm niet in de gaten of vinden zij werkelijk dat 'dit kwaad' slecht Nederlands oplevert.

Jona moet melden wie hij is: 'Ik ben een Hebreeër en ik vereer de Heer, de God van de hemel, de God die de zee en het land gemaakt heeft.'

Het spijt me, maar weer deugt die NBV niet, want dat zegt Jona helemaal niet. Jona heeft het over '. . . de God die de zee en het droge gemaakt heeft.' Onze Hebreeër belijdt hier het hart van het Hebreeuwse geloof, hij verwijst naar het scheppingsverhaal, hij vertelt van de uittocht, hij getuigt van de God die zijn volk dwars door de Rietzee over het droge deed gaan, de vrijheid tegemoet. En hij verwijst naar het verhaal van de intocht in het land.

'Jona, wat moeten wij met je doen?'

'Gooi me in zee.'

Omdat een goede verteller niet alleen ieder woord weegt maar ook iedere letter zou ik hier altijd schrijven: gooi mij in zee.

Ik leg op deze slak zout, omdat er in de NBV ook voortdurend voor het platte ze wordt gekozen in plaats van dat ze en zij subtiel worden afgewisseld, afhankelijk van spreek- of schrijftaal, de melodie van de zin en wat dies meer zij.

'Gooi me in zee.' Dat staat er niet. Er staat: 'Neem mij op en gooi mij in zee.' Waarom in vredesnaam de helft weggelaten? Die prachtige schrijver van toen heeft het waarachtig niet voor niets zo geschreven, en je voelt al met je klompen aan dat hij ons weldra zal laten horen: 'En zij namen hem op en gooiden hem in zee.' In de NBV krijgen wij dat overigens niet te horen: 'Toen tilden ze Jona op en wierpen hem in zee.' Fout is het niet, maar kunstzinnig is anders.

De mannen roeiden uit alle macht om weer aan land te komen. Dat ze uit alle macht roeiden staat er niet, maar de vertalers zullen wel gedacht hebben: wij lieten zojuist wat woorden weg, laten wij er nu wat aan toevoegen, dan blijft het verhaal op lengte.

Erger is dat de indruk wordt gewekt dat die kerels zo hard roeiden om zelf weer aan land te komen. Dat nu is niet het geval: zij roeien om Jona weer op het droge te brengen. Die Hebreeër moet namelijk naar Nineve toe om daar van de schepping en van de uittocht en van de intocht te vertellen. Zo weerspannig als de vrome Jona is, zo sympathiek (om niet te zeggen zo 'gelovig') zijn die heidense zeelui!

Zij bidden zelfs tot Israëls God: 'Heer, reken het ons niet aan als hier een onschuldige sterft.'

Staat er niet. Jona is niet onschuldig. 'Leg geen bloedschuld op ons', staat er. Dat kun je ook anders formuleren, ('ook als hij onschuldig zou zijn' bijvoorbeeld), maar je mag die woorden niet door onzin vervangen.

De Heer liet Jona opslokken door een grote vis.

Ik zou de Heer die grote vis laten sturen.

Jona bad: 'Ik roep in mijn nood...'

Hij roept uit zijn nood, uit zijn benauwdheid. En wat roept hij? De ene psalm na de andere. Jona had zijn psalmboek niet bij zich, maar gelukkig kende hij ze allemaal uit zijn hoofd en in flarden kwamen ze bij hem boven. En al die flarden staan in de verleden tijd en niet in de tegenwoordige tijd, die de NBV Jona in de mond geeft. Of worden al die psalmen, dankgebeden om uitredding, ook allemaal in de tegenwoordige tijd overgezet? Zij zullen toch moeten corresponderen.

'Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp.' Onbegrijpelijk dat hier het prachtige 'uit de schoot van het dodenrijk' naar de haaien is.

'Verstoten ben ik, aan uw zicht onttrokken. Maar toch zal ik eens opnieuw uw heilige tempel aanschouwen.'

Dat mogen wij hopen voor Jona, maar hier bidt hij richting Jeruzalem en hij doet dat in het vertrouwen dat zijn gebed daar aankomt: 'Tot u kwam mijn gebed, tot uw heilige tempel.'

Zoals gezegd: Jona's gebed hangt van psalmcitaten aan elkaar, alleen de middelste drie verzen zijn van Jona zelf. Om die drie verzen draait het hele gebed, en meer in het bijzonder om de middelste van die drie regels.

Bij een dichter die zo subtiel componeert (voor en na die passage vind je in het Hebreeuws ook krek een zelfde aantal woorden!) is het dus opletten geblazen. 'Zeewier om mijn hoofd verstikt mij' vertaalt de NBV.

Ik zou willen vertalen: 'Met wier was mijn hoofd omwonden, met het riet van de zee.' Want weer speelt de dichter met het verhaal dat Israël op het droge door de Rietzee trok. Dat is immers het hart van Israëls geloof en daarom staat het ook in het hart van Jona's belijdenis.

Om Jona ten tweeden male (en niet opnieuw) in de gelegenheid te stellen die belijdenis in Nineve uit te dragen, spuwt de vis Jona uit, nee, niet op 'het land' alsjeblieft. Op het droge.

Maar ik houd erover op, mijn verhaal wordt eentonig.

De vertaalster die Het verhaal gaat... in het Noors vertaalt, was een paar maanden in het Vertalershuis in Amsterdam te gast om er ongestoord te kunnen werken. 'Vind je het naar dat je werk vertaald wordt?' vroeg ze.

Ik begreep die vraag eerst niet goed. Een schrijver wil graag gelezen worden. Zij vertelde dat Hugo Claus op een avond in het Vertalershuis was geweest. Hij had de vertalers van verschillende nationaliteiten die daar bivakkeren verteld dat hij het vreselijk vond om te worden vertaald, omdat je je werk dan uitlevert aan iemand die er veel zo niet alles aan kan bederven zonder dat je er iets aan kunt doen.

Ik zei aan mijn vertaalster dat ik dat goed met Claus kan meevoelen, maar dat het me opluchtte dat ze mij dit verhaal vertelde.

Op een avond moest ik in Roosendaal uit Het verhaal gaat... voordragen, samen met de zangeres Lija Hirsch en de harpiste Gertru Pasveer. Wij vroegen de Noorse vertaalster met ons mee te gaan.

'Ik moet nog wel het een en ander aan die vertaling veranderen' zei ze toen we terugreden.

'Hoezo?' vroeg ik.

'Nu heb ik die verhalen gehoord.'

Misschien kan ik de vertalers van de NBV niets beters toewensen dan dat zij die oude verhalen horen, eerst in het Hebreeuws, dan in onze moedertaal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden