De nervositeit over Afghanistan

In het algemeen lees ik de artikelen van generaal-majoor b.d. Schaberg met veel waardering, maar zijn reactie in deze krant op mijn column van vorige week vond ik allerminst overtuigend. In feite onderschrijft hij wat ik constateerde: het Nederlandse optreden tegen de Taliban is te aarzelend en de uitvoering van de operaties boekt nauwelijks vooruitgang. Daardoor ontmoeten we bij onze bondgenoten kritiek waaraan we alleen een einde kunnen maken door meer vastberadenheid te tonen.

Het probleem is echter dat Nederland die vastberadenheid mist. Dat is niet toevallig omdat wederopbouw het hoofdmotief van onze aanwezigheid in Afghanistan is en militair optreden bijgevolg een afgeleide activiteit. De noodzakelijk geworden omschakeling naar meer militair geweld verloopt daardoor uiterst aarzelend, om niet te zeggen à contrecoeur.

Wie de laatste berichten over Uruzgan heeft gevolgd, moet bovendien tot de conclusie komen dat er tussen militaire en politieke preferenties nogal wat verschil bestaat. Terwijl begin deze week kolonel Rob Querido, commandant van de ’battle group’ in Uruzgan, een wijziging in de strategie aankondigde, beklemtoonde minister Van Middelkoop van defensie een dag later dat de strategie onveranderd was. Het ’amoebemodel’, zoals het fantasievol was bedacht, ging meteen weer van tafel. Het is niet aan de Nederlandse troepen, aldus Van Middelkoop, om de strategie vast te stellenmaar aan de bevelhebber van de Navo-troepen in Afghanistan.

Ook op een ander cruciaal punt bleek onduidelijkheid te bestaan. Terwijl generaal Berlijn zich vorige week ernstig bezorgd toonde over de komende vernietiging van de papavervelden in Uruzgan, met als waarschijnlijk gevolg een toenemend verzet van de bevolking tegen de Nederlandse aanwezigheid, liet minister Verhagen van buitenlandse zaken opgewekt weten dat die kaalslag kan worden stopgezet als de stabiliteit en veiligheid in Uruzgan bedreigd zouden worden. Ra, ra wie hier het gelijk aan zijn kant heeft.

Dat de Kamer, evenals beide ministers, de voorkeur blijft geven aan voortzetting van de ’inktvlekstrategie’ is niet anders dan een zwaktebod. Vorige week meende ik nog dat de daaruit voortvloeiende uitbreiding van onze invloedssfeer ’hier en daar’ tot stilstand was gekomen, maar naar nu blijkt is er sinds september vorig jaar (!) sprake van een volledige stagnatie. Onze troepen hebben in augustus en september enkele plaatsen weten te paciferen, en zijn daarna met de handen in de schoot gaan zitten.

Het kan nauwelijks als een verwijt gelden. Van de 1400 man die wij in Uruzgan ter beschikking hebben zijn er slechts 400 in staat riskante taken uit te voeren. 400 Man in een gebied dat ongeveer 70 procent beslaat van de oppervlakte van ons land – is de dwaasheid van de onderneming nog beter aan te tonen?

Voor het overige heerst er radiostilte. De operatie-Achilles, die al een week of zes in de nabijgelegen provincie Helmand aan de gang is en waaraan 4500 man Navo-troepen deelnemen, blijkt nog steeds niet afgerond. Onze bijdrage kwam pas in het nieuws toen korporaal Cor Strik sneuvelde.

Wat mij bij de berichtgeving over dit trieste voorval opviel, was de bijna belachelijke stelling in de pers dat Nederland desondanks in Afghanistan blijft. NRC Handelsblad kopte op de voorpagina ’Missie Uruzgan gaat door, ook na dood militair’ en de Volkskrant opende met een vrijwel gelijkluidend bericht: ’Eerste dode bedreigt missie niet.’

Deze koppen zijn veelzeggend voor de publieke nervositeit die het Nederlandse avontuur in Afghanistan van de aanvang af heeft begeleid. Men is met de uitzending van een detachement akkoord gegaan maar in de stilzwijgende veronderstelling dat er geen dodelijk slachtoffers te betreuren zouden zijn. Vandaar de concentratie van de troepen in een uiterst beveiligde vesting en de behoedzame bewegingen buiten die vesting.

Zelfs één dode komt al als een schok. Vandaar wellicht de demonstratieve aanwezigheid van de top van onze strijdkrachten bij de aankomst in Eindhoven van het stoffelijk overschot van korporaal Strik: de hoogste man, generaal Dick Berlijn, alsmede de commandant van de Landstrijdkrachten en die van de 11de Luchtmobiele Brigade.

Méér gesneuvelden zouden de bereidheid van de regering om de missie te verlengen bepaald niet groter maken. Maar de animo was ook vorig jaar al niet groot. We gingen onder Amerikaanse druk. De Amerikaanse onderminister voor Europese Zaken, Daniel Fried, liet in januari 2006 weten ’niet te begrijpen hoe de Nederlanders kunnen afhaken’ en de oud-ambassadeur in ons land, Paul Bremer, zei in een interview met de Volkskrant zelfs onomwonden dat Amerika Nederland zou ’straffen’ als het weigerde troepen naar Afghanistan te sturen.

Benieuwd welke pressie deze zomer in stelling zal worden gebracht. Ik vrees dat Balkenende opnieuw zijn borst kan natmaken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden