De neiging om te wissen

Aan Bernard-Henri Lévy kleeft het licht-beschadigende imago van de juiste filosoof, die op het juiste moment op het juiste plaats is. Toen het westen zich grote zorgen maakte over Sarajewo was BHL, zoals hij in Frankrijk genoemd wordt, ter plekke. Toen Algerije bloedde, was hij in Algerije. En nu Duitsland na het tijdperk-Kohl een nieuw hoofdstuk in zijn geschiedenis opslaat, meet de Franse filosoof ook hier de temperatuur. Hoewel de laatste reis het minste van de drie met direct geweld en oorlogsdreiging is verbonden, is hij in Frankrijk de meest aansprekende: niets beweegt in Frankrijk de gemoederen zo als de blik op Duitsland. Omgekeerd geldt voor de Duitsers dat een buitenlandse blik op hen nergens zo priemend is als die uit Frankrijk. Hier beloeren de grote kemphanen uit de Europese geschiedenis elkaar. Geen wonder dus dat BHL's verslag van een reis door het Duitsland van Gerhard Schröder in beide landen grote aandacht kreeg en in zowel Le Monde als de Frankfurter Allgemeine pagina's lang werd afgedrukt. In de laatste krant werd een parallel getrokken met Peter Handke's reis door Servië. Alleen al om die historische waarde is het goed het verslag van BHL hier te documenteren, hoe twijfelachtig diens uitgangspunten ook mogen zijn. Want Lévy's door argwaan gevoede onderneming heeft de trekken van een verslag van een buitenlandse journalist, die in de jaren vijftig West-Duitsland bezoekt om te zien of ze er daar al iets van begrepen hebben. Is de blik van Frankrijks nationale filosoof vergelijkbaar met die van de geallieerden toen? Of spreekt hij alleen maar uit wat iedereen (nog steeds) vreest? Verslag van een Franse lakmoestest.

Ik had Gerhard Schröder niet meer ontmoet sinds die dag in augustus 1998 toen wij en een paar anderen hem waren komen steunen tijdens de verkiezingscampagne. In die tijd maakte hij een sombere indruk op me. Weinig spraakzaam. Het was me opgevallen dat hij, telkens wanneer hij dat kon, Oskar Lafontaine, tot vorige week de baas van de partij, in zijn plaats het woord liet voeren en dat zijn manier van spreken traag, enigszins mechanisch was als hij wel het woord nam.

Wat nu treft is de blijdschap. De ingehouden maar duidelijk merkbare euforie. De houding van een man die het gevoel heeft twee slagen tegelijk te hebben gewonnen, op het terrein van de politiek en in zijn persoonlijk leven - de nieuwe echtgenote van wie heel Duitsland steeds maar weer zegt dat hij het heeft volgehouden dankzij haar. Hij heeft een heldere blik. Een mooie crooner-stem. Hij draagt een flatteuze das: rood, geel, zwart, de drie kleuren van de vlag. Gerhard Schröder is een gelukkig man.

Zijn kantoor in de kanselarij is van een verbijsterende soberheid. Geen voorwerp. Geen boek. Aan de ene kant een werktafel. Aan de andere kant een vergadertafel. De inrichting en het blaadje met sigaretten voor de bezoekers hebben iets Oost-Duits. Achter mij, als enige versiering, een groot neo-expressionistisch schilderij, melkwitte en blauwige tinten, dat een groep mensen voorstelt die op de dag dat de Muur viel voor de Brandenburger Tor aan het dansen zijn. Duitsland, een bescheiden staat. De principiële, bijna ostentatieve schraalheid van de Bonner republiek. Vrijwillige versterving van een staat die de indruk wekt een kluizenaarsbestaan te willen leiden door zich terug te trekken in dit pretentieloze provinciestadje. Zijn eerste woorden zullen trouwens de aan Frederik II ontleende woorden zijn, die hij vreemd genoeg aan Helmut Schmidt toeschrijft: ,,Ik ben van mijn staat (bescheiden!) de eerste dienaar.'

Wat vindt de Dienaar van de verklaringen van Martin Walser, de vooraanstaande romanschrijver, een belangrijk personage onder linkse intellectuelen, die een enorme polemiek heeft ontketend met zijn uitspraken over het feit dat het Duitse volk voortdurend wordt geconfronteerd met beelden van de jaren der schande, stelselmatig een schuldgevoel krijgt opgedrongen en dat Auschwitz als wapen in de openbare discussie wordt gebruikt? Hij verdedigt Walser, wiens stellingname volgens hem slecht is begrepen.

De kwestie van het Gedenkteken? Is hij nog steeds afkerig van het plan voor een Gedenkteken voor de shoah, het vermaarde, door Kohl gewenste Mahnmal in het hartje van Berlijn? ,,De beslissing daarover is niet aan mij. Maar aan het volk. In het voorjaar wordt er in het parlement over gedebatteerd, en iedereen, ook de ministers, mag het woord nemen en naar zijn geweten stemmen, zonder partijdiscipline.'

Maar heeft hij niet toch een eigen mening? Heeft hij niet verklaard dat hij een monument wilde dat de mensen met genoegen zouden bezoeken? Hij reageert opnieuw ontwijkend. ,,Ik heb alleen maar willen zeggen: een plaats waar we de Geschiedenis tegenkomen en een Geschiedenis die ons niet verstikt maar ons juist helpt om de toekomst tegemoet te treden.'

Kortom, een voorzichtige Schröder. Behoedzaam. Een indruk, een heel vreemde indruk dat die vragen hem onverschillig laten. En dan, helemaal aan het eind, op twee precieze punten, een felheid die me verbaast.

In de eerste plaats het geval-Goldhagen, de jonge Amerikaanse historicus wiens bestseller over Hitlers vrijwillige beulen ik bij me heb. Hij beweert dat hij een van de weinige Duitsers is die het boek niet hebben gelezen. Maar hij kan niet nalaten om er met een kille gloed in zijn blik en met bitse stem aan toe te voegen: ,,Nee, ik heb het niet gelezen; maar ik geloof niet dat hij gelijk heeft als hij stelt dat heel Duitsland niet alleen van de shoah heeft geweten, maar die ook heeft gewild.'

Vervolgens het geval-Jan Philipp Reemtsma, de Hamburgse onderzoeker die met zijn tentoonstelling over de misdaden van de Wehrmacht in het hele land honderdduizenden bezoekers schijnt te hebben getrokken: ,,Die heb ik ook niet gezien; maar de bewering dat een leger in meerderheid zulke misdaden heeft kunnen begaan, kan ik niet over mijn kant laten gaan.'

En als ik volhoud en zeg dat de tentoonstelling in heel Duitsland heeft rondgereisd en dit weekeinde in Hannover voor het laatst is te zien, en dat ik, omdat Hannover zijn stad is, het een eer zou vinden als ik er met hem naar toe kon gaan, neemt hij weer zijn gebruikelijke opgewekte en vriendelijke houding aan: Ja, zeker, hij is dit weekeinde in Hannover, maar hij is al bezet. . . een feestje. . . hij legt de nadruk op het Franse woord fête: eine kleine fête. . . en herhaalt: een feestje met oude vrienden, de mensen die hem gesteund hebben, zijn kameraden, de SPD. . . maar waarom zou ik, als ik die avond toch in de stad ben, niet komen en met de anderen feestvieren? Een feest in plaats van de herinnering en de Geschiedenis. . . Is dat de doctrine van de kanselier? Is dat de betekenis van zijn uitspraak dat hij tot een ontspannen verhouding tegenover het verleden wil komen?

Georg-Clemens Dick is een van die diplomaten van de Groenen die Joschka Fischer meenam met zijn bagage toen hij de teugels van het ministerie van buitenlandse zaken in handen nam.

Aan het eind van de dag ontvangt hij mij in zijn kantoor in het enorme en zielloze gebouw waarin hij nog een paar maanden zetelt, tot de verhuizing naar Berlijn. Lange, stille gangen. Schamele verlichting. Reeksen sobere kamers, waarin door de halfopenstaande deuren alledaags meubilair, gordijnen van een slechte kwaliteit kunstzijde en posters te zien zijn. De sfeer van een studentenflat of een ziekenhuis dat niet meer in gebruik is. En Dick, kort grijs haar, sportieve uitstraling, voeten op het bureau op het moment dat ik de deur openduw: het tegendeel van de traditionele hoge functionaris - je ziet hem eerder voor je op een voetbalveld, als bergbeklimmer of op trektocht.

,,Die Walseraffaire is natuurlijk heel wat', legt hij me uit. ,,Maar Duitsland is meer dan dat. Neem de herziening van het recht op staatsburgerschap. Weet u wat dat concreet gaat betekenen? Twee miljoen nieuwe Duitsers. . .'

Hij glimlacht, houdt me een lekkernij voor: twee miljoen nieuwe Duitsers, dat betekent meteen ook twee miljoen nieuwe Europeanen! Wat wil je nog meer? Nu barst de diplomaat met westernlaarzen aan zijn voeten in lachen uit, verrukt van de loer die het Europa van de filistijnen wordt gedraaid: ,,Voor ons Duitsers, dus Europeanen, is dat in haar soort een even geweldige omwenteling als de val van de Berlijnse muur.'

In de ontspannen sfeer aan het eind van het gesprek had Dick verteld dat het huis van zijn ouders, in Aken, naast een synagoge lag die door de nazi's was vernield en later was herbouwd, maar langzaam, zodat hij was opgegroeid in hetzelfde tempo als waarin de synagoge weer van de grond was gekomen. Ik kreeg meteen een gedachteassociatie en wees hem erop dat de zaken voor hem niet veel waren veranderd omdat ook de ingang van zijn ministerie hier in Bonn tegenover een synagoge lag - toeval of opzet? En in welke zin opzet? Werd de synagoge weer opgebouwd tegenover het ministerie of werd het ministerie daar gevestigd omdat de synagoge er al was?

Na navraag blijkt dat het ministerie uit 1955 dateert, de synagoge uit 1959 en dat de twee bouwwerken opzettelijk tegenover elkaar zijn geplaatst - de buitenlandse politiek van het nieuwe Duitsland, die expliciet in het teken staat van berouw jegens de joden.

De opvatting van de kanselier, zoals ik die bij nader inzien interpreteerde op grond van de toon van zijn uitbarstingen over Reemtsma en Goldhagen: de krampachtigheid weghalen uit alles wat met de herinnering heeft te maken, de last verlichten van het verleden dat maar niet verleden wil worden en aan andere zaken denken.

Het is Schröders Terminator-kant. Een flitsende intelligentie, zeker; brio; zo nu en dan de indruk dat je een computerscherm op zijn voorhoofd ziet verschijnen. Maar ook, en dat stemt onbehaaglijk: de neiging om alles te wissen; het scherm opeens op zwart te zetten. Over de hele wereld zijn de informatici beducht voor de millenniumbug. Schröder kijkt ernaar uit.

Schröder en Walser. . . De kanselier en de romanschrijver. . . De een wil aan andere dingen worden herinnerd. De ander heeft er genoeg van beelden van de shoah op de tv te zien en eist het recht op om op een ander net over te gaan en te zappen. Van bug naar zappen. Van het ene wissen naar het andere. In het huidige Duitsland zijn mensen die het recht opeisen, niet om de gruwelen te ontkennen maar om die niet meer te zien en om ze met alle geweld van het scherm in ons hoofd te verwijderen. Behalve dat - en het zou waarschijnlijk het argument zijn van Dick en van de meeste jonge Duitsers - een zekere Victor Hugo al in de negentiende eeuw het laatste woord over de kwestie heeft gezegd. Je kunt altijd proberen te zappen, de bug onschadelijk te maken en je ogen te sluiten - het oog blijft in het graf en kijkt naar Schröder en Walser.

Schuchtere poging tot een wandeling in het hartje van Berlijn. De Strasse des 17. Juni, ter herinnering aan de arbeidersopstand van 1953. De Siegessüule met aan weerszijden standbeelden van Rohn en Moltke. De Brandenburger Tor. Moabit, de in 1718 gevormde wijk waar uit Frankrijk gevluchte Hugenoten zich vestigden, met haar oude pastelkleurige huizen in strogele, zachtroze, mauve en amandelgroene tinten, de wijk waarin het achttiende-eeuwse Berlijn nog voortleeft.

De Humboldt-universiteit. De Opera. Het Griekse tempeltje dat eerst het Duitse oorlogsmonument was en later een monument ter nagedachtenis van de slachtoffers van fascisme en militarisme. De grote protestantse kerk, waar Goering is getrouwd. Ten slotte het Berliner Schloss van de Hohenzollerns, dat naar het schijnt met ieders instemming steen voor steen weer zal worden opgebouwd naar de oorspronkelijke tekeningen van Andreas Schlüter. Niets van dat alles is nieuw, dat is zo. Maar de indruk is aangrijpend. De ene herinnering is de andere niet. De herinnering waarvan je wegzapt en de herinnering die je bevordert.

Hetzelfde Berlijn dat bezwijkt onder de gedenktekens, ze instandhoudt en restaureert, maakt opeens zo'n toestand over de bouw van een monument ter nagedachtenis aan de vermoorde Europese joden.

Nogmaals Bonn. Een pand zoals alle andere. Een bordje links van de ingang. Het lijkt wel het bordje van een tandarts. Of van een advocaat. Op dat bordje staat gewoon: Dr. Helmut Kohl, Bundeskanzler a.D. Vertaling: ausser Dienst, letterlijk buiten dienst of met pensioen - Helmut Kohl, gepensioneerd bondskanselier, zoals je zegt ere-voorzitter of ex-ambassadeur.

Altijd weer de bescheidenheid van de staat. Ook de bescheidenheid - misschien met een vleugje humor - van de ex-bondskanselier, die in een oogwenk, na zestien jaar aan de macht te zijn geweest, een burger zoals alle anderen is geworden. Maar de vraag die tot de volgende dag door mijn hoofd blijft spoken: wat zou er van het plan voor het Gedenkteken zijn geworden als Kohl toch de verkiezingen had gewonnen? Zou er onder zijn bewind een even felle discussie zijn gevoerd? Kohl en zijn Gedenkteken. Kohl en zijn ongelukkige uitspraak over de genade van de late geboorte. Kohl die aan het eind het tempo opvoerde zodat de eerste steen, de echte, kon worden gelegd, waardoor er geen terugkeer meer mogelijk was.

En de burgemeester van Berlijn, Eberhard Diepgen, die, hoewel van dezelfde partij als Kohl, niet wil dat zijn stad de hoofdstad van de Duitse boetedoening wordt. Kohl of het einde van een tijdperk. Kohl of de ultieme vertegenwoordiger van een regime waarin plaats is voor geweten en herinnering.

En als Martin Walser zich nu eens simpelweg voor Martin Luther begon aan te zien? En als die katholiek het nu eens in zijn hoofd had gezet om de taal te spreken die Luther in zijn geschriften gebruikt? O, niet de anti-semitische Luther! Niet de late Luther van 'Von den Juden und ihren lügen': ,,Verbrandt de Talmoeds! En de joden daarbij want zij zijn levende Talmoeds!' Maar de Luther van het beroep op het geweten. De Luther die zich alleen op het geloof verlaat, op het stille, dwingende innerlijk. Een Luther die, aangepast aan de smaak van de tijd in de stijl van Walser, ons zou zeggen: tegen de ritualisering van de herinnering, tegen de zowel joodse als katholieke manier van herinneren in, doe ik een beroep op een autistische vertrouwelijkheid van het geweten met zichzelf en met God.

Alleen tegen allen, zegt Walser. Ik sta alleen tegenover allen, maar ik blijf bij mijn standpunt. En we horen als het ware de echo van Luthers 'Hier sta ik, ik kan niet anders' tegenover keizer Karel V. . .

Godsdienst en politiek. In de actueelste discussies komen de oudste religieuze vraagstukken weer naar boven. Opmerking van Laurent Dispot, die me tijdens deze reis rondrijdt: ,,Je kunt nooit genoeg godsdienstsociologie bedrijven als je het hedendaagse Duitsland wilt begrijpen.

'Martin Luther. . . Martin Heidegger. . . Martin Walser. . . Bij elk keerpunt in de Duitse geschiedenis een Martin? Ik bedoel een grote hervormer met 95 stellingen in Wittenberg tegen de aflaten; Heideggers rede bij de aanvaarding van het rectoraat van de universiteit van Freiburg; en nu dan het dankwoord bij de uitreiking van de prijs van de Duitse boekhandel in de Paulskirche in Frankfurt? Dat is wel veel eerbetoon aan Walser. Maar zoek maar uit of hij dat niet in zijn hoofd heeft als hij klaagt over de dienst aan de herinnering - Dienst, Heideggers woord - die de Duitsers tegenwoordig zouden moeten opdragen. Zoek maar uit of die gedachte niet leeft bij al degenen die in deze zaak zijn zijde hebben gekozen.

We zijn in Frankfurt. We zijn in de stad met van alles door elkaar: Goethe, de Rothschilds, Adorno, de Centrale Europese Bank en de Frankfurter Schule. We zijn in de stad van Ignatz Bubis, leider van de Duitse joodse gemeenschap en nu tegenstander van Walser. ,,U verschaft munitie aan extreem-rechts', heeft hij tegen hem gezegd. ,,U bent een geestelijke brandstichter. . .'

Bubis dus, bij hem thuis. Bruisende rondborstigheid. Een mengsel van geestigheid en goedaardigheid. Ook het prototype van de Duitse joden, Duitser dan de Duitsers, die mede de Duitse geest hebben vormgegeven, een voor altijd ontbrekend stukje in de puzzel van de hervonden eenheid. Heeft hij ooit spijt gehad van de keus om na 1945 hier een nieuw leven te beginnen? Heeft hij ooit tegen zichzelf gezegd: ik heb me vergist, je kunt in Duitsland na Auschwitz geen jood meer zijn? ,,Ja', zegt hij.

Eén keer. Een week lang. Dat was in 1985, toen het niet veel scheelde of het Schauspielhaus had het stuk van Fassbinder, 'Het vuil, de stad en de dood', opgevoerd, u weet wel, dat verhaal van de 'rijke jood' die vanwege de shoah echter 'onaanraakbaar' is en die door de stadsbestuurderen van Frankfurt wordt gebruikt om hun gesjoemel met onroerend goed te verdoezelen.

Onroerend goed. . . Frankfurt. . . Was hij in die jaren zelf niet projectontwikkelaar in Frankfurt? En moest Fassbinder niet aan hem denken toen hij zijn rijke jood bedacht? Bubis lacht. ,,Sommige mensen hebben dat destijds beweerd. Ik heb een proces tegen ze aangespannen.' En hoe staan de zaken nu? De kwestie-Walser? Die linkse schrijver, die lange tijd tegen de communisten aanhing, door de kanselier wordt gesteund en een storm ontketent met zijn uitspraken dat het tijd is geworden om de Auschwitz-bladzijde om te slaan? Nu betrekt het gezicht van Bubis.

Ach, Walser.

Maar snel neemt hij me mee naar het belendend vertrek, waarschijnlijk het kantoor van zijn secretaresse. ,,Kijk, dit is mijn post van vanochtend; we maken die samen open; een brief met aanmoedigingen; nog een; en nog een, daarin staat 'volhouden!'. Nee, die niet, daar zullen wel beledigingen in staan; kijk maar, ik wist het zeker; ik kan het al aan de envelop zien, vanwege het handschrift; drie op vier dus, dat is sinds een week de verhouding; dat betekent toch dat Walser heeft verloren, of niet soms?'

Bubis is bedroefd maar rustig. Hij heeft niet om die discussie gevraagd. Maar hij heeft vertrouwen in Duitsland. Hij weet dat hij er niet verkeerd aan heeft gedaan om, vijftig jaar geleden, terug te keren naar zijn geliefde vaderstad Frankfurt. Toch schiet even een gedachte door me heen: hoe ziet de post van Martin Walser er vanochtend uit?

De nachtportier van het hotel. Zo proustiaans, dat houd je niet voor mogelijk. IJverig lezer van het Feuilleton - dat wil zeggen de bijlage van de Frankfurter Allgemeine Zeiting. ,,Wanneer Bubis Walser uitmaakt voor geestelijke brandstichter', zegt hij, ,,hoort een ontwikkeld Frankfurts oor drie dingen.' Het boek van Max Frisch, Biederman und die Brandstifter. De brand in de Reichstag: u bent geen antisemiet, meneer Walser; u bent een onnozele hals; u bent gewoon een naïeveling die de geesten in brand steekt. . . En ten slotte de branden in de nacht die zo ten onrechte Kristallnacht wordt genoemd: was in die rampzalige nacht van 9 november 1938 het belangrijke, het gruwelijke niet meer het geknetter van de vlammen dan het gerinkel van de brekende ruiten? En heeft Bubis trouwens niet juist op 9 november 1998, tijdens de toespraak waarin hij die vuurnacht herdacht, gereageerd op Walsers uitspraken?

Is die discusie echt verbijsterend? Niet zo zeker. Want laten we een vergelijking maken. Hier Bubis-Walser. Bij ons in Frankrijk. . . ik aarzel om het op te schrijven, maar vooruit. . . Terwijl de Duitsers zich opwinden voor of tegen het Gedenkteken, terwijl de Frankfurter over vier pagina's het stenografisch verslag publiceert van een discusie op hoog niveau tussen de romanschrijver en de leider van de Duitse joden en het grote publiek zich op die dag op de krant stort, waardoor de oplage met bijna een kwart stijgt, terwijl er in de gezinnen wordt gediscussieerd over de betekenis en de etymologie van de woorden - in die tijd komen wij Fransen niet verder dan het debat tusen Le Pen en Mégret. Geen reden om de vlag uit te steken. En ook niet on de Duitsers lesjes in moraal te geven.

Opnieuw Bubis. De grote synagoge van Frankfurt. Niet de echte grote; die werd in 1938 in brand gestoken en is nooit meer herbouwd. Maar de andere. De middelgrote. De voormalige, vernielde maar gerestaureerde synagoge van de liberale joden, die in de loop der jaren het godshuis van het orthodoxe jodendom in Frankfurt is geworden. Bubis is meer dan ooit in zijn eigen rijk. Zodra hij verschijnt, verdringen de gelovigen zich om hem heen, omhelzen hem, spreken hem moed in. En wanneer hij de preekstoel beklimt om zijn rede af te steken ter ere van de man wiens zeventigste verjaardag vandaag wordt gevierd, valt er een liefdevolle stilte. De twee gezichten van Bubis. Je hebt de grote Bubis, de man die in heel Duitsland bekend is en wiens naam vijf jaar geleden werd genoemd om Richard van Weizsücker op te volgen als bondspresident - de man die zo-even, toen hij een taxi belde, alleen maar zei 'Ich bin Bubis', waarna je op afstand de opwinding van de telefonist kon horen en je bijna voor je zag dat hij ging verzitten. En je hebt opa Bubis, de vertrouwde figuur Bubis, te midden van zijn leeftijdsgenoten en hun kinderen, de jonge Frankfurtse joden - in die te grote synagoge waar de verstikkende en lieflijke aanwezigheid van de doden voelbaar is. Op dat ogenblik vind ik dat hij op Ben Goerion lijkt. De latere Ben Goerion, die van de ontmoetingen met Adenauer en de aanvaarding door Israël van de Duitse herstelbetalingen. Ja, dat is een spoor: een Duitsland dat vanwege de val van de Muur, vanwege Europa en nu de debatten over het vestigingsrecht en de dubbele nationaliteit, misschien voor een even beslissende drempel staat als vijftig jaar geleden toen het de nationale soevereiniteit terugkreeg - en een Bubis die bij deze nieuwe overgang wellicht dezelfde kalmerende, geruststellende rol speelt als Ben Goerion bij de overgang van destijds.

Hij heeft een brief bij zich die hij me bij hem thuis, na terugkeer uit de synagoge, laat zien. Het is een brief van Frank Schirmacher, een van de leden van de hoofdredactie van de hoofdredactie van de Frankfurter Allgemeine. Boze tongen beweren dat hij de polemiek zou hebben georganiseerd. Hij is in elk geval de man die in de Paulskirche de laudatio heeft uitgesproken ter inleiding van Walsers opruiende toespraak. Dit schrijft hij aan Bubis: ,,Als u niet zo hard had gereageerd zou er nooit een dispuut zijn gekomen; maar we beseffen hoe enorm belangrijk het is. Geachte heer Bubis,ik heb niet alleen uw rust, uw onwrikbare standvastigheid bewonderd in die discussie in de FAZ, maar ook uw pogingen, die grote indruk op me hebben gemaakt, om Walser tegemoet te komen en hem te begrijpen. De dialoog had misschien op een hoger niveau kunnen komen als Martin Walser van zijn kant had geprobeerd u te begrijpen.' Hoe kan na zo'n brief worden gewanhoopt aan Duitsland en aan zijn onuitputtelijke democratisch vermogen?

,,Ik heb me alleen maar in de discussie gemengd om Bubis te verdedigen.' De man die zich zo uitdrukt is het geweten van het land. Het is de man die in een beroemd gebleven toespraak, uitgesproken kort na het bezoek van Kohl en Reagan aan de begraafplaats van Bitburg - waar SS'ers begraven liggen - heeft durven zeggen dat 8 mei 1945 de Duitse bevrijdingsdag is. Het is de voormalige bondspresident Richard von Weizsücker.

,,Waarom moet Bubis worden verdedigd?' gaat von Weizsacker verder. ,,Omdat de gedachte dat het voor een jood mogelijk was om weer in Duitsland te gaan wonen niet vanzelfsprekend was.'

Zijn vrouw komt binnen met een samovar. Een mooie vrouw. Ze draagt een lange rok van bronskleurig ribfluweel, in Beierse of Tiroler trant, waardoor ze eruitziet als een jong meisje. De oude president ondergaat een complete metamorfose: blos op de wangen, liefdevolle blik in de blauwgrijze ogen. Hij leek op Junger, nu lijkt hij op Novalis, Freiherr von Hardenberg.

,,De kern van de zaak is', vervolgt hij, ,,dat we ons van Walser zouden moeten ontdoen.'

Ik schrik.

,,Ik bedoel: ons in deze discussie van Walser ontdoen. Want Walser heeft niet genoeg in huis. Hij is niet opgewassen tegen Bubis en kan ook de discussie niet aan die hij is begonnen. Het had een mooie discussie kunnen worden, beslist. Maar niet met hem, niet met die vent, een fatsoenlijke vent, dat zeker, maar ook onbeduidend en zo kleinburgerlijk. . .'

Als hij mij ziet glimlachen, zegt hij op beslister toon: ,,Eigenlijk heb ik geen respect voor Walser, onlangs heeft hij een interview gegeven aan Bild om uit te leggen dat een natuurlijke dood het ergste is wat een mens kan overkomen en hij nam Hemingway als voorbeeld, maar die heeft tenminste zelf bepaald hoe hij wilde sterven. Hoe haalt hij het in zijn hoofd! Waarom neemt hij niet een voorbeeld aan Hemingway en schrijft hij geen betere boeken?' Von Weizsücker lacht.

,,Bubis is een persoonlijkheid; hij overdrijft een beetje, maar hij is wel een persoonlijkheid, Walser is dat niet. Hoort u me, hij is geen persoonlijkheid!' Hij heeft zijn stem verheven. Hij is opeens kwaad bij de gedachte dat Walser geen persoonlijkheid is. Waarvan akte. De zaak is duidelijk. Weizsücker is het geweten van Duitsland. Omdat dat geweten ervoor heeft gekozen Martin Walser te negeren, zal ik voortaan hetzelfde doen. Maar toch. . .

Blijft over de discussie over het Gedenkteken. Samengevat doen vijf argumenten de ronde. 1. De mensen zullen alleen dat monument zien; het zal de stad verpletteren onder het zware gewicht van schuldgevoel en schaamte. Antwoord: welkome schaamte! Gezegend rouwen! Niets is zo mooi als een volk dat, zoals het Duitse, besluit zijn misdaden onder ogen te zien. 2. De mensen zullen het niet zien; heel snel zullen ze de monumenten niet meer zien. Antwoord: dat is nog maar de vraag, maar goed, laten we het aannemen. Monumenten zijn in het uiterste geval net zo goed bedoeld om er te zijn als om gezien te worden, ze zijn een symbolisch merkteken, een getuigenis. Ze zijn - laten we het woord maar durven gebruiken - als het ware een besnijdenis van de stad. 3. Waarom een nieuw monument? We hebben toch al - dat is het argument met name van Schröder - de ruïnes van de kampen en van de villa in Wannsee en het joods museum in Berlijn? Ook dat is geen steekhoudend argument. Want het een staat het ander niet in de weg. En het valt moeilijk in te zien waarom de aanwezigheid van die gebroken scherven van de Getuigenis een belemmering zou vormen voor de bouw van een groot nationaal monument. 4. Het argument van een deel van extreem-links en in het bijzonder van Günter Grass: in principe ja tegen het Mahnmal, maar op voorwaarde dat het ook de andere slachtoffers van het naziregime herdenkt: homoseksuelen, zigeuners, bewoners van de Slavische landen en allerlei dwangarbeiders. Waagt men zich door zo te redeneren niet op het zo glibberige terrein van de concurrentie tussen slachtoffers en van de ontkenning niet alleen van de shoah maar geleidelijk ook van de misdaden die aan de shoah worden afgemeten? 5. Ten slotte het argument van Helmut Schmidt, dat echter door vele anderen is overgenomen: zo'n monument nodigt uit tot misdaden, er zullen geweldige veiligheidsvoorzieningen nodig zijn om te voorkomen dat de mensen ertegenaan pissen. Een wel heel vreemde bezorgdheid - dat moet toch worden toegegeven - waarvan we ons kunnen afvragen of men dan denkt aan de risico's of dat er sprake is van een waanvoorstelling, een zorg die zou kunnen worden weggenomen door de uitvoering van het mooie idee dat onlangs tijdens een gesprek naar voren werd gebracht door Tilman Fischer, docent aan de kaderschool van de SPD: een groep jongelui leidt de bezoekers rond, geeft tekst en uitleg over de vernietiging van de Europese joden en zorgt tegelijkertijd bij toerbeurt voor de bewaking. . .

Nee, geen van die redenen is steekhoudend. Er blijft er eigenlijk maar één over: de huivering voor de omvang van de taak die wacht; het duizelingwekkende; de onmogelijkheid om het absolute Kwaad uit te beelden. . . Maar goed. Is het moeilijk? zegt zowel Tilman Fischer als Lea Rosch, al tien jaar de drijvende kracht achter het project. Is het een uitdaging aan de kunst en aan het universele geweten? Reden te meer om niet toe te geven, maar om ideeën te ontwikkelen en om te werken.

Kort geleden heeft een stelletje jongeren, waarschijnlijk Oost-Duitsers op de Alexanderplatz - Berlin Alexanderplatz, kijk eens aan, opnieuw Fassbinder - een varken losgelaten waarop ze een davidsster en in blauwe letters BUBIS hadden getekend. We zijn niet ver af van de Walser-affaire, maar heel dicht in de buurt van de leus van DW, de extreem-rechtse partij in Saksen-Anhalt: om niet als zwijnen te leven - met op de affiches een horde varkens naar het voorbeeld van de horde ratten op het beruchte affiche van de nazi's. Toen de politiewoordvoerder werd gevraagd naar de ernst van het incident, zou hij hebben geantwoord: 'Ze hebben het beest geen pijn gedaan.'

Negen gehangenen op een rij aan een inderhaast in elkaar getimmerde galg. Op de voorgrond, half en face een soldaat met een bontmuts. Hij heeft het koud, hij doet zijn jasje dicht. Nog meer gehangenen. Je kunt hun gezicht onderscheiden. Maar wat je het beste ziet is de jonge soldaat, op de voorgrond, met een eenvoudige veldmuts op. Hij maakt een geïntimideerde indruk. Hij kijkt strak naar de lens.

Hier vijf. Ze hebben hun hoed op mogen houden. Mooie slappe hoeden, misschien van flanel, die scheef zijn gezakt toen het touw zich spande. De soldaten, die een eindje achteraf staan, achter de boom, moeten erom lachen.

Hé, die is nog grappiger. Niet zo macaber, maar wel grappiger. Ze gaan een oude rabbijn zijn baard afknippen. Hem schijnt nog enige respijt te zijn vergund, lang genoeg om de foto te maken en om zijn angst en het plezier van de soldaat naast hem vast te leggen.

Nog een rabbijn. Nog een baard. Nu staan er drie man omheen. Twee zijn niet in beeld, je ziet alleen maar blote armen gekruist voor het gezicht van de rabbijn. De ene houdt de schaar vast, de andere de baard. De derde staat achter hem. Zijn bovenlijf is ontbloot, hij is aan de dikke kant. Je voelt dat hij niet weet of hij moet glimlachen naar de fotograaf of naar de rabbijn kijken, die aan een heel mooie Christus op de Kruisweg doet denken.

Nog meer rabbijnen die worden mishandeld. Gehurkte joden die worden gedwongen vernederende gymnastiekoefeningen te doen. En verder gehangenen, alsmaar gehangenen. Hier een man die niet dood is: het toestel vangt zijn laatste glimlach op. Daar een man die net is doodgegaan: de twee soldaten, blootshoofds, praten gewoon met elkaar zonder nog aandacht aan hem te schenken, de ene leunt tegen de boom waaraan de man is opgehangen, de andere staat in het gras. Hier een vrouw: ik veronderstel dat ze spartelde en dat de fotograaf bang was dat de foto onscherp werd, dus houdt zijn kameraad, die op de foto te zien is, haar stevig bij haar benen vast. Daar is de foto inderdaad onscherp, maar dat is de fout van de fotograaf, niet van de gehangene. En dan nog die foto daar: nog een vrouw, opgehangen aan haar voeten. En heeft het soldaatje dat aan de rand van de foto is te zien, de pijl getekend die wijst naar de tak die als galg heeft gediend en 'lentebloempje' op de foto geschreven?

Van dat soort foto's zijn er honderden, heel kleine en verschrikkelijke, geprikt aan de muren van de tentoonstelling over 'De misdaden van de Wehrmacht' die ik in Hannover bezoek. De mensen om mij heen kijken er geschokt en met gespannen aandacht naar. Zwijgend lopen ze van de ene foto naar de andere. Een jonge vrouw blijft voor een serie staan, bijna een film, waarbij je de indruk krijgt dat de soldaten een soort wedstrijd hebben georganiseerd - de mooiste gehangene, het mooiste vertrokken gezicht of de vernuftigste galg? Ze loopt door. Komt weer terug. Ze blijft een hele tijd voor een van de foto's staan. En alsof ze vooral wat daarop is te zien niet langer kan verdragen, loopt ze met haar hoofd tussen haar handen weg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden