De Nederlandse wielerprof vegeteert

AMSTERDAM - Het wielrennen leeft in Nederland, riep Jean-Marie Leblanc de afgelopen zomer blij verrast uit, toen de Tourkaravaan zich door Valkenburg slingerde. De directeur van de Ronde van Frankrijk doelde daarmee op de honderdduizenden toeschouwers die zich op een regenachtige zaterdag in ZuidLimburg hadden verzameld om het mobiele circus een keer op een andere lokatie dan Alpe d'Huez voorbij te zien trekken.

Over de in het peloton aanwezige landgenoten maakte Leblanc vriendelijkheidshalve maar geen woorden vuil. Ze verstopten zich ergens in de grote groep, zoals ze praktisch het hele seizoen onzichtbaar bleven. Ook in het laatste weekeinde van het wegseizoen 1992 - afgelopen zaterdag de finale van de wereldbekercompetitie op Mallorca, gevolgd door de traditionele klimkoers naar de top van de neo-Olympus, de Montjuic - blies de vaderlandse wielerafvaardiging in stijl haar deuntje mee. Zaterdag tamelijk vals en zondag in Barcelona helemaal niet, omdat de organisatoren in het uitnodigen van Nederlandse wielrenners geen positieve bijdrage aan de kwaliteit van hun wedstrijd zagen. De klimkoers is niet de meest verheffende wedstrijd van het seizoen, maar het is een veeg teken dat zelfs renners als Breukink en Rooks vergeefs op een invitatie wachtten.

De eindbalans van het seizoen oogt deerniswekkend. Niemand kon dit jaar de vrije val van het Nederlandse beroepswielrennen stuiten. Bij het rangschikken van het cijfermateriaal werd het toch al magere seizoen 1991 in negatieve zin royaal overtroffen. Voor het eerst sinds zestien jaar bleef de nationale wielergemeenschap verstoken van een overwinning in een klassieker of wereldbekerwedstrijd. Steven Rooks werd, kansloos voor de zege, tweede in Luik-Bastenaken-Luik en redde met een vijfde plaats nog de schamele Nederlandse eer op het wereldkampioenschap in Benidorm. In het sterk gedevalueerde Parijs-Brussel was Frans Maassen dicht bij een overwinning.

In 1976 was de oogst bijna even karig. Toen werd er in de klassiekers ook een keer een tweede plaats gehaald (Jan Raas in de Gold Race), maar oogde het toekomstperspectief veel beter. De grote jaren kondigden zich aan. Het aanstormende talent Raas won, te beginnen in 1977, liefst vijf keer de Gold Race en liet zich in '79 ook nog tot wereldkampioen kronen. Knetemann was hem in 1978 voorafgegaan als drager van de regenboogtrui.

Bloei van zijn leven

Verder verkeerde Hennie Kuiper, de wereldkampioen van 1975, in de bloei van zijn leven en had Joop Zoetemelk reeds enige tijd een abonnement op de tweede plaats in de Tour de France. Zoetemelk won in het 'rampjaar' 1976 trouwens als tot dusver laatste (en enige) Nederlander de Waalse Pijl, een wedstrijd die alleen bij UCI-voorzitter Hein Verbruggen niet het aanzien van een klassieker geniet. En Gerrie Knetemann zette zestien jaar geleden nog een tamelijk aansprekende etappekoers naar zijn hand, de Ronde van Andalusie, de voorloper van de Ruta del Sol. Het laatste seizoen dat Nederland echt met lege handen stond, was 1973. Dat gold trouwens voor de meeste landen. Het was het jaar, waarin Eddy Merckx zeven (semi-)klassiekers op zijn naam schreef.

De Nederlandse beroepsrenners boekten de afgelopen negen maanden in totaal 81 overwinningen op de weg; criteriums en kermiskoersen wel, omniums en ploegentijdritten niet meegerekend. Jean-Paul van Poppel is met negen stuks de nationale zegekoning. Frans Maassen en Jelle Nijdam komen op zeven uit, Erik Breukink en de bij Lotus ontslagen Matthieu Hermans volgen met vijf. De rest van het klassement ziet er als volgt uit: Michel Cornelisse, Rob Harmeling, Tristan Hoffman, Louis de Koning ieder 4, Jacques Hanegraaf, Danny Nelissen, Peter Pieters, Wiebren Veenstra, Nico Verhoeven en Ad Wijnands 3, Eddy Schurer 2 en John van den Akker, Eddy Bouwmans, Tom Cordes, Gert Jakobs, Jans Koerts, Huub Kools, Henk Lubberding, Adri van der Poel, Steven Rooks, John Talen, Gert-Jan Theunisse en John Vos ieder 1.

De kwaliteit van de overwinningen moest in de meeste gevallen met een halogeenlamp worden gezocht. Harmeling forceerde een doorbraak met een ritzege in de Tour de France en twee etappeoverwinningen in de Ronde van Nederland, Nijdam won de nationale proftour en de Grote Prijs Eddy Merckx, Maassen werd vaak tweede, maar triomfeerde toch ook nog in de Driedaagse van De Panne, Breukink had een uitschieter in de Ronde van Piemont - zijn eerste overwinning in een zogeheten rit in lijn in drie jaar - en Van Poppel liet zijn meesterschap gelden in de Vuelta (tweemaal) en de Tour (waar hij in Straatsburg met een machtige jump Abdoesjaparow vernederde). Hadden de vele Nederlanders in de ploeg Gisbers een werkzaam aandeel (26) in het totaal van 34 overwinningen, de landgenoten in de ploeg Post droegen maar in bescheiden mate (negen stuks) bij tot de eindscore van 50. Daarvoor waren de Duitser Olaf Ludwig (15) en de Belg Wilfried Nelissen (13) in hoge mate verantwoordelijk.

De harde cijfers weerspiegelen zich uiteraard in de puntenlijst van de profsectie FICP. Aan het begin van het seizoen was er al geen Nederlandse renner meer in de top tien te vinden. Maassen hield de eer nog het hoogst met de elfde plaats. Bij het opmaken van de lijst over 1992 zal de Limburger ongetwijfeld een eindje zakken en moeten Rooks en Van der Poel zich harnassen om aan de vrije val niet al te veel kneuzingen over te houden. Bij het ingaan van het seizoen 1991 stond Breukink op de FICP-beurs nog als zesde genoteerd.

Garantiebewijs

De nabije toekomst van het Nederlandse wielrennen laat zich moeilijk voorspellen. Talenten komen soms zo uit de lucht vallen. En een veelbelovende amateur wordt niet per definitie een goede professional. De amateursectie van de KNWU stemde haar beleid de laatste jaren volledig af op het ontbreken van een garantiebewijs. Ze joeg de trouwe sponsors weg en gokte op de zegeningen van een veel te grote eliteselectie. Jaren vol teleurstellingen gingen vooraf aan de tweede plaats van Erik Dekker op de Olympische Spelen en de successen van de Hoogevener en de wellicht nog talentvollere Bart Voskamp in de Ronde van de Toekomst. Voskamp, derde in het eindklassement achter de Franse winnaar Garel, accepteerde een profcontract van Cees Priem en verschaft zich daarmee ook de zekerheid van een goede beroepsopleiding. De sponsor van Priem kijkt niet alleen naar de rijk makende FICP-punten. Toch zien profploegen zichzelf niet primair als scholingsinstituut. Zo heeft Priem de schaduwploeg van Russische amateurs na een kortstondig bestaan weer opgeheven. Van de grote buitenlandse stallen koestert alleen de ploeg van Indurain een amateurafdeling.

Met de aanstelling van Piet Hoekstra tot wegcoach bij de amateurs (met daarbij coordinerende taken op het terrein van de baan en de vrouwen) lijkt de KNWU eindelijk te zijn neergedaald op aarde. Hoekstra is wars van complexen. Met die deugd als breekijzer heeft de Friese Groninger het slopen van heilige huisjes tot kunstvorm verheven. De succescoach van de vrouwen heeft vol strijdlust aangekondigd de bezem door de Augiasstal te zullen halen. Pas na het Nederlands kampioenschap, eind juni, gaat hij de nationale selectie samenstellen.

Het wordt voor de topamateurs na jarenlang 'relaxen' in een beschermde omgeving een struggle for life. Met als bijkomend voordeel dat het amateurwielrennen ook weer aantrekkelijk wordt voor ploegsponsors.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden