De nazi als het ultieme kwaad

De schoenen van de gevangenen in het museum van het vernietigingskamp Auschwitz. (FOTO ANP)

In de omvangrijke literatuur over de Holocaust lijkt de aandacht langzaam te verschuiven van het slachtoffer naar de beul. De nazi als metafoor voor het ultieme kwaad duikt nu ook op in twee fascinerende Spaanstalige romans.

Dat de literatuur nog lang niet is uitgepraat over de Holocaust staat vast. Ook in deze krant wemelt het van recensies over romans die het nazisme en de gevolgen daarvan centraal stellen. Daarbij lijkt de interesse voor de slachtoffers de laatste jaren plaats te maken voor de analyse van het kwaad zelf: de beulen komen in de schijnwerper te staan, vaak vanuit de vraag hoe het mogelijk is dat de doorsnee Duitse burger zich tot de verschrikking van het nazisme liet verleiden.

In Frankrijk verschenen de afgelopen jaren bijvoorbeeld twee geruchtmakende romans van jonge schrijvers die zich verplaatsen in een nazistische beul: ’De Welwillenden’ van Jonathan Littel en ’HhhH’ van Laurent Binet (zie kader).

En er is nog iets anders aan de hand. In een recent, baanbrekend boek binnen de ’Memory Studies’, verdedigt Michael Rothberg het belang van de herinnering aan de Holocaust voor andere bevolkingsgroepen. Zuid-Afrikaanse of Algerijnse kunstenaars gebruiken de Shoah soms als vertrekpunt om onrechtstreeks over hun eigen traumatische geschiedenis te schrijven. Dat heet dan multidirectional memories, of geheugens die verschillende richtingen inslaan.

Ook in de Spaanstalige literatuur valt op hoe vaak de Holocaust in de laatste decennia opduikt. Bijvoorbeeld in ’De schending’, een roman van de Asturiaanse schrijver Ricardo Menéndez Salmón (Gijón, 1971). Het boek vertelt het verhaal van Kurt Crüwell, een jonge Duitse kleermaker die opgeroepen wordt om met de nazi’s mee te strijden. Aanvankelijk ontpopt hij zich tot de lieveling van Hauptmann Löwisch, wiens zijspan hij als geen ander kan besturen.

Kort daarna komt hij oog in oog te staan met de terreur. Löwisch stouwt de complete bevolking van een dorp in een kerk en steekt de boel vervolgens in brand. Kurt komt deze schok niet meer te boven. „Kan een lichaam, geconfronteerd met de agressie van de wereld, met de lelijkheid van de wereld, met de verschrikking van de wereld, zich onttrekken aan zijn functies, weigeren nog langer lichaam te zijn, zijn rede opschorten, opgeven te zijn wat het is?” Het antwoord is: ja.

Kurt krijgt een vorm van verlamming waardoor hij niet meer in staat is om emoties of fysieke prikkels te voelen. Hij wordt een soort levend lijk, een levendige geest in een verdord lichaam, doordrongen van een diep cynisme. „Hij zag zelfs onder ogen dat angst en wreedheid geen eigen vaderland hebben en dat die in dezelfde mate huizen in alle harten: in die van Fransen, Duitsers, Russen, Amerikanen, Japanners, Spanjaarden, wat maakt het uit!, het is de smerige materie van de mens die op de weegschaal ligt, zijn verloedering, zijn laaghartigheid, zijn aanmatiging van dweperig dier.”

Niet voor niets wordt juist dit rijtje volkeren genoemd: allemaal speelden ze een rol in de Tweede Wereldoorlog. Toch valt daar wel iets op af te dingen, want de rol van Spanje was beduidend minder groot. Ligt hierin een aanwijzing dat het geheugen onbewuste associaties kan oproepen met andere gruwelijkheden, bijvoorbeeld uit de tijd van Franco? Dat zou best kunnen, volgens de verteller: „Het geheugen is geen instrument van de mens, geen vriendelijke slaaf, geen efficiënte valet; het schijnt veeleer zo te zijn dat de mens een lakei van zijn geheugen is.”

In de literatuur van Zuid-Amerika roept de verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog eveneens regelmatig de herinnering op aan de dictatuur van de jaren zeventig en tachtig. En alweer moet het ultieme leed steeds meer plaats maken voor een analyse van het ultieme kwaad.

Dat geldt nergens zo sterk als in het werk van de Chileense auteur Roberto Bolaño (Avalos, 1953-2003). Diens postuum gepubliceerde roman ’Het Derde Rijk’ bewijst opnieuw dat de verbeelding van het kwaad de rode draad is die door heel zijn oeuvre loopt.

In deze vroege roman uit de jaren tachtig lezen we het dagboek van Udo Berger, een Duitser die met zijn vriendin naar de Spaanse Costa Brava reist, uit nostalgie naar zijn jeugdvakanties in Hotel Del Mar. Maar de onbezorgde sfeer van het zomertoerisme maakt al snel plaats voor een naargeestige ontknoping. Charly, de man van het andere Duitse echtpaar met wie ze optrekken, een brute en agressieve kerel die zijn vrouw slaat en met louche Spanjaarden optrekt, raakt vermist tijdens het surfen. Alle hoop om hem terug te vinden wordt na een aantal zenuwslopende dagen opgegeven.

In tegenstelling tot de rest van het gezelschap, dat zich spoedig naar Duitsland rept en de plaats van onheil achter zich laat, blijft Udo in het ondertussen verlaten en troosteloze dorp aan de Costa Brava achter, in afwachting van het moment dat het lijk verschijnt.

Ondertussen verdiept hij zich in de wargame ’Het Derde Rijk’ en identificeert hij zich achteloos met de nazi’s. Zijn tegenstrever daarbij is de Verbrande, een weinig spraakzame en zwaar verminkte man van Zuid-Amerikaanse origine die met de Russen sympathiseert en die hem op zijn hotelkamer opzoekt om samen het spel te spelen.

Net zoals in de roman van Menéndez Salmón, ontketent de confrontatie met de dood de neergang van het hoofdpersonage. Zelfs al is Udo ogenschijnlijk even gevoelloos als Kurt Crüwell, hij is duidelijk ontdaan wanneer hij het lijk van zijn verdronken landgenoot Charly moet identificeren. „Zijn gezicht was kapot. Van de oren tot aan de kaak, alles opgevreten door de vissen. Ogen had hij niet meer en zijn huid, de huid van zijn gezicht en zijn hals, was melkachtig grijs geworden.”

Beetje bij beetje zinkt Udo dieper in zijn depressie weg, verliest bijna zijn verstand, en, iets wat hem nooit eerder overkwam: hij verliest het spel. Het Derde Rijk gaat zo ten onder, wat in typische Bolaño-stijl met een beklemmende dreiging gepaard gaat. Als Udo bezwijkt, zal de wraak van de Verbrande zoet zijn. Zijn tegenstrever beschouwt hem immers als een nazisympathisant, niet verwonderlijk nadat hij de ’moed en liefde’ van zijn favoriete generaals heeft bezongen. De grenzen tussen de werkelijkheid en de fictie van het spel vervagen.

Verrast dat de implicaties van het spel blijkbaar groter zijn dan hij dacht, vraagt Udo aan een ander personage: „Wat gaat hij dan met me doen?” Het antwoord luidt: „Wat men gewoonlijk met nazizwijnen doet; erop los slaan tot ze erbij neervallen. Ze laten doodbloeden in de zee!” Dat hij vastbesloten is om zich zoals Rommel als een goede verliezer na de totale nederlaag op te stellen, is duidelijk. Het punt is dat iemand laten doodbloeden in de zee niet alleen aan de nazimisdaden doet denken, maar zeker zo sterk aan Pinochets gruweldaden.

Het kwaad kent geen (nationale) grenzen. De onberekenbare wegen van het geheugen leggen het universele karakter van de terreur des te pijnlijker bloot.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden