De natuur wordt meer van hetzelfde

Met dieren in en om het water gaat het beter dan 25 jaar geleden, maar op het land staat de Nederlandse fauna er juist slechter voor dan in 1990. Dat blijkt uit het 'Living Planet Report - Natuur in Nederland', dat het Wereld Natuurfonds vandaag voor het eerst, en voortaan tweejaarlijks, publiceert.

Na enorme verliezen in de vorige eeuw, krabbelt de Nederlandse fauna sinds 1990 een stukje uit het dal omhoog. Volgens berekeningen in het eerste Living Planet Report over de natuur in Nederland, dat het Wereld Natuurfonds vandaag publiceert, zijn er nu 15 procent meer dieren in Nederland dan 25 jaar geleden. Dit percentage is berekend over een optelsom van verreweg de meeste soorten Nederlandse zoogdieren, broedvogels, reptielen, amfibieën, vissen, libellen en vlinders. Een toename met 15 procent klinkt hoopgevend, maar zo'n algemeen stijgingspercentage voor alle dieren tezamen geeft een vertekend beeld van hoe slecht het er met veel soorten in werkelijkheid voor staat.

Schoner water

Het goede nieuws over populatiegroei geldt feitelijk alleen voor dieren in en om het water. Dankzij wetgeving tegen vervuiling, nieuwe natuurontwikkeling door Ruimte voor de Rivierprojecten, aanleg van natuurvriendelijke oevers en vispassages en herstel en uitbreiding van drassige gebieden, zijn diersoorten in rivieren, meren en moerassen gemiddeld met 40 procent toegenomen. Libellen doen het weer goed en ook soorten als bittervoorn, purperreiger en otter profiteren van het schonere water.

In de Noordzee zijn populaties vissen en zeezoogdieren met gemiddeld 25 procent toegenomen. Deze natuurwinst is voornamelijk te danken aan de Europese visquota. Vooral de commerciële visbestanden, waaronder haring en schol, hebben van de quotering geprofiteerd. Bij bedreigde roggen, haaien en kabeljauwen is bijvoorbeeld geen sprake van herstel, en zeewolf, makreel, horsmakreel en wijting gaan nog achteruit.

De toename van zeehonden en bruinvissen komt niet alleen door minder visserij en schoner water, maar ook door maatregelen tegen verstoring en door immigratie. Gewone zeehonden vinden hun weg naar Nederland vanuit Duitse en Deense gebieden, grijze zeehonden vanaf de Britse eilanden en bruinvissen verhuizen door gebrek aan voedsel in de noordelijke Noordzee naar het zuiden.

Soorten die al voor 1990 uit de Noordzee waren verdwenen, zoals de blauwvintonijn, ontbreken in Het Living Planet Report, dat 1990 als startpunt van de populatiemetingen hanteert. Ook de schelpdierbanken, die ooit een vijfde van de zeebodem besloegen en veel leven aantrokken, waren in 1990 al vrijwel verdwenen, onder meer als gevolg van sleepnetten die vissers over de zeebodem trokken.

Gaat het met dieren in de Nederlandse delta de laatste jaren beter, op het land staat de natuur onverminderd onder druk. In het agrarische landschap, in open natuurgebieden zoals heide en duinen en in stad en dorp zijn de dierpopulaties sinds 1990 niet toe- maar juist fors afgenomen, met respectievelijk 40, 50 en 30 procent.

Bovendien compenseert het lichte algemene herstel van diersoorten met 15 procent maar een fractie van het grote verlies aan natuur in de vorige eeuw, vóór 1990 - in het rapport het Land van Ooit genoemd. Onbekend is hoe groot dat verlies precies is, maar zeker is dat veel soorten die rond 1900 algemeen voorkwamen, nu zeldzaam zijn of helemaal verdwenen. Volgens een schatting van het Planbureau voor de Leefomgeving is ruwweg 60 procent van de natuur uit 1900 verdwenen. En uit de Rode Lijst Graadmeter, die het CBS opstelde aan de hand van de Rode Lijsten van bedreigde soorten, blijkt dat een op de drie soorten planten en dieren die in 1950 in Nederland algemeen voorkwamen, nu zeldzaam zijn of in aantal of verspreiding achteruit zijn gegaan.

Intensieve landbouw

Zowel op het platteland als in open natuurgebieden is de achteruitgang van dieren vooral te wijten aan de grootschalige en intensieve landbouw. Overbemesting, pesticiden, voortdurend maaien van bloem- en kruidloze raaigrasweilanden, neerslag van stikstof uit de veehouderij en lage waterstanden in de polders doen vogels en vlinders de das om. De vogelstand in het agrarische landschap is sinds 1960 al met ruwweg twee derde afgenomen.

Weidevogels als grutto, tureluur en scholekster hebben het onverminderd zwaar, evenals boerenlandvogels en akkervogels als veldleeuwerik en patrijs. Vlinders zijn verbannen naar de schaarse weiland- en akkerranden, erven, bermen en dijken waar nog bloemen groeien. Das en hamster doen het beter, maar alleen omdat ze gericht worden beschermd. De haas blijft op eigen kracht stabiel.

De invloed van de intensieve landbouw in open natuurgebieden vertaalt zich in vermesting en verzuring, waardoor heidevelden en duingebieden in de buurt dichtgroeien met grassen en struiken. Vlinders en vogels van het open landschap, zoals de heivlinder, de tapuit en de wulp verdwijnen daardoor. Struikvogels als grasmus en nachtegaal nemen juist toe. Ook reptielen verdwijnen uit dichtgroeiende heide en duinen, bij gebrek aan open opwarmplekjes in de zon.

Minder kieskeurige dieren, zoals meeuwen, kraaien, sommige vleermuizen, roodborst en klein koolwitje, zijn sinds 1990 met 10 procent toegenomen en bleven de laatste tien jaar stabiel. Met een toename van zulke 'generalisten' (de telling is gebaseerd op 98 soorten broedvogels, dagvlinders, zoogdieren en reptielen) dreigt een grotere eenvormigheid te ontstaan. Zo gaat de samenstelling van de broedvogelpopulaties in willekeurige delen van Nederland steeds meer op elkaar lijken.

In het bos is de situatie min of meer stabiel, maar niet voor iedere diersoort. Algemene bosvogels en boombewonende vleermuizen profiteren van nieuw aangelegde bossen, holenbroeders doen het goed in oudere bossen. Roofvogels als buizerd, havik en sperwer in bossen in laag Nederland nemen toe; in bossen op hoge zandgronden doen ze het juist slecht, door gebrek aan kwaliteitsvoedsel. Enkele vogels van het naaldbos, zoals kuifmees en zwarte mees, gaan achteruit, mogelijk door vervanging van naaldbomen door loofbos.

Ondanks groeiende aandacht voor stad en dorp als biotoop en voor groen in de stad, profiteert de natuur daar nog niet van. Door verstening en niet-ecologisch groenbeheer namen in de bebouwde kom (15 procent van het landoppervlak) de populaties dagvlinders en vogels met 30 procent af. Maar het beeld is niet eenduidig. Huismus en spreeuw doen het slecht en ook hier doen watervogels het beter.

Duizenden vrijwilligers

Het onderzoek voor het Living Planet Report heeft het Wereld Natuurfonds uitgevoerd samen met Naturalis Biodiversity Center en duizenden vrijwilligers van soortenorganisaties Anemoon (diersoorten van het mariene milieu), Eis (insecten), Ravon (reptielen, amfibieën en vissen), Sovon (vogels), de Vlinderstichting en de Zoogdiervereniging. Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de berekeningen uitgevoerd. Het Living Planet-onderzoek naar de ontwikkeling van dierpopulaties start in 1990, op een moment waarop de biodiversiteit al enorm is teruggelopen. Daarvoor is gekozen, omdat pas vanaf dat jaar voldoende betrouwbare gegevens beschikbaar zijn.

Duurzame landbouw voorwaarde voor natuurherstel op land

Het prille natuurherstel waarvan het Living Planet Report rept, is niet vanzelf gegaan, maar te danken aan milieuwetgeving en natuurbeschermende maatregelen. Om die geboekte natuurwinst vast te houden en uit te breiden, is een krachtig beleid noodzakelijk, en wel onder regie van het Rijk, concluderen de samenstellers van het rapport. Het huidige landbouwbeleid is naar hun overtuiging onvoldoende om de schadelijke effecten van de landbouw op de natuur in het agrarische landschap en in open natuurgebieden weg te nemen. Die natuur krijgt volgens hen alleen een kans om zich te herstellen, als er een fundamentele keuze wordt gemaakt voor duurzame landbouw.

Bestaande wet- en regelgeving, onder meer de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en het verbinden van versnipperde natuurgebieden door een Nationaal Natuur Netwerk (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur), is op zich goed beleid. Mits er de hand aan wordt gehouden, maar precies dat gebeurt onvoldoende, constateren ze: de uitvoering - die inmiddels is gedecentraliseerd naar de provincies - blijft achter, ambities zijn teruggeschroefd, verantwoordelijkheden versnipperd, budgetten verlaagd en verbindingen van natuurgebieden geschrapt.

Ook voor het dierenleven in de Noordzee is de bescherming op papier goed geregeld, maar blijft de uitvoering achter. Om het Noordzeeleven een kans op herstel te geven, bepleit het Wereld Natuurfonds om 30 tot 50 procent van ieder type habitat in de Noordzee vrijwel volledig te vrijwaren van exploitatie. Ook zijn actieve herstelprojecten noodzakelijk, vindt het WNF, voor de terugkeer van schelpdierbanken, waarvan vele soorten zullen profiteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden