De Nachtwacht onder de orgels

We weten niet hoe vijftiende-eeuwse orgels hebben geklonken. Maar een nieuwe replica van het Gerritsz-orgel uit 1479, vanaf vandaag te horen in het Amsterdamse Orgelpark, geeft wel een indruk.

De laatste aanwinst van het Amsterdamse Orgelpark is een replica van het oudst bewaarde kerkorgel in ons land: het in 1479 door Peter Gerritsz voor de Utrechtse Nicolaïkerk gebouwde instrument. Vandaag wordt het in gebruik genomen.

De kopie van dit instrument betekent een verrijking van de concertmogelijkheden in het Orgelpark, waar de overige orgels vooral geschikt zijn voor het uitvoeren van romantische en twintigste-eeuwse muziek. Maar het hoofddoel van de bouw van deze 'studiekopie' was het doen van onderzoek ter voorbereiding op de voorgenomen restauratie van het Gerritsz-orgel, waarvan de lege orgelkas in de Koorkerk te Middelburg hangt.

Het orgel heeft een roerige geschiedenis gehad. In 1885 kocht het Rijksmuseum het Gerritsz-orgel aan, nadat de Nicolaïkerk een nieuw orgel had laten bouwen. In 1952 werd het Gerritsz-orgel in bruikleen gegeven aan de Koorkerk in Middelburg. Voorlopig bleef het bij de lege orgelkas; het inwendige werd opgeslagen in een rijksbunker, in afwachting van restauratie. Daar is decennialang veel om te doen geweest; van de hereniging met de orgelkas is het dan ook nooit gekomen.

Sinds enkele jaren zijn er concrete plannen om het Gerritsz-orgel te herbouwen, en wel in de Nicolaïkerk. Maar daar werd tot aan de rechter bezwaar tegen gemaakt. Men wilde dat de orgelkas in de Koorkerk bleef.

Dat is niet de mening van organist Wim Diepenhorst, orgeldeskundige van de Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed, die samen met collega Rudi van Straten als adviseur bij de bouw van de kopie het Gerritsz-orgel onderzocht en de kopie vormgaf: "Tegenstanders zeggen: het gaat hier om de 'Nachtwacht onder de orgels'. Daar moet je niet aan willen komen. Ik zeg dan: de 'Nachtwacht' is niet in fragmenten in een kist opgeslagen maar kan door iedereen bewonderd worden. Ook dit orgel moet in volle glorie te bewonderen zijn."

Diepenhorst hoopt vurig dat de kennis, opgedaan bij het bouwen van de studiekopie, benut kan worden voor de herbouw van het Gerritsz-orgel in Utrecht. Als het daarvan komt, is de kopie allesbehalve overbodig. Wie alleen al de kassen van beide orgels vergelijkt, ziet grote verschillen. Het originele Gerritsz-orgel heeft ingrijpende veranderingen ondergaan, vooral in de zestiende eeuw, waarbij een rugwerk werd toegevoegd en het bovenwerk vervangen. Na restauratie zal het origineel daarom beduidend anders klinken dan de studiekopie, die de situatie van het orgel uit 1479 zo goed mogelijk benadert.

Vijftiende-eeuwse orgels hadden een totaal andere bouwwijze en klank dan die van na 1500. Er is weinig over bekend, omdat vrijwel alle orgels verdwenen zijn of later omgebouwd. Om tot een verantwoorde reconstructie te komen, moest als een detective worden gespeurd, om te beginnen in het binnenwerk van het Gerritsz-orgel. Het bevatte nog een aantal onderdelen uit 1479, zoals wat pijpwerk en de windlade van het hoofdwerk. Die windlade (een uitgeholde plank waarin de wind verzameld wordt die naar de pijpen gaat) is afwijkend ten opzichte van latere orgels omdat er in de vijftiende eeuw nog geen registers waren. Daardoor klinken bij het aanslaan van een toon vele pijpen van verschillende klank. In het Gerritsz-orgel tot wel achttien stuks toe. Daarom wordt dit blokwerk genoemd.

In de zestiende eeuw werd het blokwerkconcept verlaten en kregen de orgels registers, zodat aparte rijen pijpen gebruikt konden worden en de organist als het ware kon orkestreren op zijn instrument. Bij het Gerritsz-orgel bleef het blokwerk van het hoofdwerk in tact; het bovenwerk werd vervangen. Omdat de oorspronkelijke bovenwerklade verloren is gegaan, konden de ontwerpers bij de kopie experimenteren met een bovenwerk zoals dat er rond 1500 uitgezien kan hebben. Daarin is een overgangssituatie gecreëerd door de toevoeging van twee registerknoppen, zodat twee klankkleuren apart kunnen klinken. Het orgel heeft een hulpmotor maar klinkt het best als de vier smidsbalgen achter de orgelkas met de hand bediend worden.

Voorlopig heeft men de meeste houten ornamentiek van de oorspronkelijke orgelkas weggelaten. De nieuwe orgelluiken zijn beschilderd door Kik Zeiler in quasi-gotische stijl, geïnspireerd door 'Het Lam Gods' van de gebroeders van Eyck, met op het linker paneel onder anderen de componisten Sweelinck en Messiaen en adviseur Rudi van Straten (door de opdrachtgever voor zijn werk beloond door het nieuwe instrument 'Van Straten-orgel' te dopen) en Loek Dijkman (oprichter van Utopa, de stichting die het nieuwe orgel en het gehele Orgelpark financiert).

Zo wezensvreemd als het middeleeuws ogende 'Van Straten-orgel' er in de art-déco-architectuur van het Orgelpark uitziet, zo onverwacht goed doet de klank het. Als Wim Diepenhorst achter de klavieren gaat zitten, vult de zaal zich met klanken die de luisteraar naar de vijftiende eeuw lijken te verplaatsen. De tientallen pijpen van het blokwerk klinken breed, overweldigend maar allerminst snijdend.

Veel repertoire is er niet voor dit instrument. Bach erop spelen lukt niet en zelfs Sweelinck is te modern voor dit oude instrument. Het repertoire beperkt zich tot middeleeuwse tabulaturen - de muzieknotatie voor het grepenschrift - maar het Orgelpark heeft twee componisten opdrachten gegeven nieuwe muziek voor dit orgel te schrijven. Die zullen vandaag tijdens het ingebruiknameconcert klinken naast muziek uit de ontstaanstijd van het Gerritsz-orgel.

Concerten: vanavond en vrijdag 27 april, om 20.15 uur in het Orgelpark Amsterdam.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden