De nachthulp waakt, praat en lacht soms met de patiënt

Hij was dertien toen hij voor het eerst een sterfgeval van dichtbij meemaakte. Sindsdien heeft René Hobeijn (38) heel wat mensen zien overlijden. Eerst als verpleeghulp in verzorgings- en verpleeghuizen, de laatste zeven jaar in gewone Amsterdamse woonhuizen. Om de week houdt hij 's nachts in slaap- en huiskamers de wacht bij zieken, van wie velen niet lang meer te leven hebben.

Je zou denken dat een mens erg somber wordt van zo'n baan. Ook René Hobeijn is niet direct een uitbundig type, zij het wel opgewekt. Hij doet zijn werk met overgave en zorgt daarnaast voor een behoorlijk tegenwicht. Al een jaar of vijf neemt hij schilderlessen en vrijwel alles wat aan de muur hangt - vooral portretten - is van zijn hand. En gelukkig is hij, ondanks het verkeerslawaai van de ringweg vlakbij, een goede slaper. Wie dat overdag niet opbrengt, kan het in dit werk wel vergeten.

“Je moet goed voor jezelf zorgen”, zegt hij. “Belangrijk is om goed te eten, goed te slapen en goed te ontspannen. Ik werk van elf uur 's avonds tot zeven uur 's morgens, en dan heb ik het echt wel gehad. Als ik thuis kom, lees ik eerst rustig m'n krant, muziekje erbij, doe wat boodschappen, en dan ga ik van tien tot zes uur slapen. Daarbij heb ik het geluk dat ik thuis goed word opgevangen. Mijn vriend zit ook in de verpleging en begrijpt alles, die heeft aan één woord genoeg. Ik heb grote bewondering voor collega's die alles in hun eentje moeten verwerken. Dat is heel zwaar.”

Natuurlijk moet een nachtwerker als René Hobeijn zijn werk niet mee naar huis nemen, maar er gebeuren wel eens dingen die hem haast niet loslaten. Zo kan het voorkomen, zij het niet vaak, dat hij vier patiënten (cliënten, zeggen ze bij de Stichting thuiszorg Amsterdam, waar hij voor de 24-uursdienst werkt) in één week te verzorgen krijgt. “Of je komt al een paar weken bij dezelfde cliënt, iemand die nog goed aanspreekbaar is, met wie je een soort band hebt gekregen, en die zie je dan slechter worden, of zelfs doodgaan.”

René Hobeijn doet dit nachtwerk sinds 1988. Eén week op, één week af. Een werkweek houdt in, dat hij van donderdag tot donderdag bij een zieke waakt en die, waar nodig, verzorgt: wassen, eten en drinken geven, naar het toilet helpen, in geval van incontinentie verschonen, soms ook temperaturen. Komen er echt medische handelingen bij kijken, dan springt een gediplomeerd verpleegkundige de 'verzorgende in de thuiszorg' zoals zijn functie heet, bij. De thuiszorg is bedoeld om de partner te ontlasten of een alleenwonende te helpen die niet meer voor zichzelf kan zorgen. Meestal gaat het om bejaarde of dementerende patiënten, maar niet zelden zit René Hobeijn aan het bed van een jongere zieke. “Mijn jongste was 27, en pas nog had ik een man van 57, dat kun je toch niet oud noemen.”

Elke werkweek vindt hij het weer moeilijk om in het ritme te komen. “Vooral tegen vijven 's ochtends, dan moet ik echt even m'n benen strekken of iets anders verzinnen om wakker te blijven. In de vrije weken word ik vaak midden in de nacht wakker. Dan merk je dat je gewend bent om 's nachts op de been te zijn.”

René Hobeijn weet van tevoren wat hem te doen staat - hij krijgt altijd een behandelplan mee - maar elk nieuw adres vereist steeds weer een hele organisatie. “Je moet je eigen plekje creëren. Soms is er een hoog-laag ziekenhuisbed in de huiskamer gezet om de zieke makkelijk te kunnen helpen. Als je aan twee kanten van het bed moet kunnen komen en de kamer is klein, moet het bankstel er wel eens uit. Voor mij is het 't prettigst als het bed in de huiskamer staat, zodat ik constant oog op de patiënt kan houden. En anders ga ik regelmatig kijken.”

In rustige nachten heeft hij de tijd om zich in zijn meegebrachte boeken te verdiepen, altijd een roman en een kunstboek. Soms praat hij veel met zijn patiënt, met anderen is geen gesprek meer mogelijk. “Maar altijd is er wel een vorm van contact. Zelfs als ik geen antwoord krijg, heb ik toch de neiging iets te zeggen. Dat is meer een gevoelsmatig contact. Er zijn wel mensen die bewust over hun naderende dood praten, maar vaker praten ze over hun leven. Over hun werk, hun kinderen, hun hele levensloop, hun twijfel of ze alles wel goed hebben gedaan. Meestal zeggen ze niet direct dat ze bang zijn voor de dood, maar dat merk je wel wanneer ze erg onrustig worden en niet meer kunnen slapen. Ik vind mezelf niet altijd de aangewezen persoon om daarover te praten. Als ik merk dat ze moeite met zulke dingen hebben, kijk ik of er iemand in hun omgeving is met wie ze kunnen praten. Maar er zijn er ook die zo kalm zijn, alsof ze rustig afwachten, er klaar voor zijn. Er is dan een soort ontspannenheid over hen gekomen.”

René Hobeijn is niet iemand die gauw tevreden is over zichzelf. Niet als hij schildert, niet als hij 's nachts waakt. “Ik probeer altijd iets toe te voegen, dingen te bedenken die het iemand prettiger maken. Als ik merk dat iemand in kunst geïnteresseerd is, praten we bijvoorbeeld over een schilderij aan de muur of bekijken samen een kunstboek. Of ik lees een stukje uit de krant of een boek voor.”

“Laatst had ik een vrouw die graag nog eens de CD 'Mijmeringen' van Gied Jaspers wilde horen. Daar hebben we toen samen naar geluisterd. Voor een man wiens vrouw niet van jazz hield, heb ik een jazzplaatje opgezet. Samen tv kijken doen we ook wel, we hebben zelfs wel eens liedjes gezongen, en gelachen wordt er ook. Maar altijd laat ik het van de patiënt afhangen. Echt geweldig hoeveel interesse en kracht die mensen nog kunnen opbrengen, terwijl ze toch vreselijk ziek zijn.”

Soms wordt het contact aan een ziekbed haast vriendschappelijk. Dat zijn maar momenten, zegt hij. “Maar die kunnen zo sterk zijn, dat ik bijna vergeet dat het mijn werk is, dat ik er geld mee verdien.” Het komt voor dat hij zo iemand in zijn vrije tijd nog eens opzoekt. “Dan heeft die patiënt mij in vertrouwen genomen. Daar heb ik dan een goed gevoel bij, zo van: ik ben daar niet voor niets geweest. Een compleet gevoel, noem ik dat. Dat had ik bijvoorbeeld, toen ik met de kerstdagen dienst had bij een zieke man met een groot gezin. Er was een heel huiselijke sfeer, je rolt gewoon in zo'n familie. Die man heeft me nog een doos bonbons gegeven. Met oud en nieuw was ik vrij, en de week daarop was die man overleden. Het speet me echt dat ik niet meer even langs ben geweest.”

Overlijdt een patiënt of is die er zienderogen slechter aan toe dan de nacht ervoor, dan is René Hobeijn de aangewezen persoon om de thuiszorg te bellen en de familie te waarschuwen.

Heeft hij nooit de neiging om het bijltje erbij neer te gooien? Hij zegt niet direct ja of nee, heeft duidelijk geleerd te relativeren: “Ik doe dit werk nu twintig jaar, en voorlopig ben ik nog bezig diploma's te halen. Het zou natuurlijk heel goed kunnen dat ik het ooit spuugzat word, of liever bureaudienst ga doen. Of iets heel anders, misschien wel schilderen, als ik daarvan kan leven. Ik weet het gewoon niet. Een mens kan wel plannen maken, maar wie weet wat er morgen gebeurt? Toen mijn grootmoeder overleed, mijn eerste confrontatie met de dood, dacht ik nog dat alles altijd zou blijven zoals het was. Sindsdien ben ik er wel achter dat je leven van het ene moment op het andere totaal kan veranderen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden