De nacht dat ik Amerikaan werd

'Plotseling besefte ik dat het voor mijn Oostenrijkse vriend geen enkel verschil maakte of ik de symfonieën van Bruckner van achter naar voren kende; het deed er helemaal niets toe dat ik genoot van de poëzie van Grillparzer in het oorspronkelijke Duits. Ik was een Amerikaan en daarom behoorde ik tot het slag dat, in een ander land, zich regelrecht naar de dichtstbijzijnde McDonald's zou begeven.' De Amerikaanse filosoof Lee Harris nam de nachttrein van Innsbruck naar het legendarische Wenen.

Op m'n 49ste ben ik Amerikaan geworden. Nee, ik werd geen Amerikaan door vanuit een ander land naar de VS te emigreren, examens te halen en een eed van trouw af te leggen, zoals miljoenen andere Amerikanen Amerikaan zijn geworden. Mijn ouders zijn hier geboren en hun ouders en voorouders ook, tot in een grijs verleden. Het waren boeren en zoals de meeste boeren waren ze ervan overtuigd dat ze uit de grond waren opgerezen, als maisstengels. Nee, ik werd Amerikaan in de loop van een conversatie die ik voerde in de nachttrein van Innsbruck naar het legendarische Wenen.

Tegenover me in de coupé zat een jonge Oostenrijker. Hij zag dat ik een Duits tijdschrift las en we begonnen een gesprek, half in het Duits, half in het Engels. Ik vertelde hem dat ik nog nooit in Wenen was geweest en dat ik opgewonden was bij het vooruitzicht de stad te gaan zien waarover ik zo vaak had gelezen en gedroomd. Ik vertelde hem over mijn passie voor de grote negentiende-eeuwse Oostenrijkse componist Anton Bruckner, een boerenzoon wiens majestueuze symfonieën ik lang heb gezien als een van de hoogtepunten van menselijk kunnen. Ja, mijn reisgenoot, die een Oostenrijker was, had wel eens van Bruckner gehoord. Toen vroeg ik de jonge man of hij ooit in het St. Florian was geweest, het katholieke klooster waar Bruckner vaak naartoe ging om op het orgel te spelen, waarbij hij improviseerde als een jazz-musicus en enorme kathedralen van geluid ten gehore bracht. Zijn gebalsemde stoffelijk overschot ligt in een crypte, direct onder datzelfde orgel. Maar tot mijn grote verbazing leek de jonge Oostenrijker niets te weten van St. Florian: hij zei dat hij er nog nooit van gehoord had.

Ik dacht dat mijn informatie misschien niet klopte. Was ik er wel absoluut zeker van dat ik de naam van het klooster goed had begrepen? Ik had me wel eens een of twee keer eerder in mijn leven vergist. Misschien was dat nu ook zo. Daarom veranderde ik maar van onderwerp en vroeg de jonge Oostenrijker wat hij vond van een andere grote Oostenrijkse symfonist, de eind 19de- begin 20ste-eeuwse componist Franz Schmidt. Van welke van diens vier symfonieën hield de jonge Oostenrijker het meest?

Opnieuw stond ik paf. Mijn reisgezel had nooit van Franz Schmidt gehoord.

Maar ik liet me niet uit het veld slaan en bracht het gesprek op twee van de grootste 19de-eeuwse Oostenrijkse auteurs, de dichter en toneelschrijver Franz Grillparzer en de schrijver van romans en korte verhalen Adalbert Stifter. Hier bevond ik mij eindelijk op veiliger terrein. Ja, daar had hij van gehoord, en ik probeerde hem mijn enorme bewondering voor Grillparzer's Medea-trilogie uit te leggen en voor Stifter's prachtige autobiografische roman Nachsommer. Ik maakte opmerkingen over de tragische dood van Stifter - hoe hij op een ochtend weloverwogen met een scheermes zijn keel had doorgesneden en hoe verschrikkelijk het was dat zo'n begaafd genie op zo'n manier aan zijn eind kon komen. (Stifter was niet alleen een groot schrijver maar ook een van de belangrijkste landschapsschilders van de negentiende eeuw.) Vervolgens ging ik over op 20ste-eeuwse Oostenrijkse schrijvers en ik toonde mijn enthousiasme voor Arthur Schnitzler, Robert Musil en Joseph Roth.

Na al deze muzikale en literaire ernst, vertelde mijn reisgenoot me de apocriefe geschiedenis van de vermaarde sachertaart, een van de wonderbaarlijke lekkernijen die Wenen heeft voortgebracht. En toen hij op het onderwerp voedsel was gekomen, keek hij me aan en vroeg met een lachje: 'Wat doen Amerikanen wanneer ze naar een stad in het buitenland gaat? Eten jullie dan alleen bij McDonald's?'

Het lachje had een spottende en zelfgenoegzaam-superieure ondertoon; en dat ontstelde en verwarde me evenzeer als de vraag zelf. Als goede Amerikaan verwachtte ik dat hij plotseling zou gaan lachen en iets zou zeggen wat het Duitse equivalent was van 'Oh, ik zit je alleen maar een beetje te jennen.' Maar dat deed hij niet. Het was beschamend evident dat hij volkomen oprecht was. Waar zouden wij Amerikanen in een vreemd land ook anders eten dan bij McDonald's? Daar eten we thuis toch ook alleen maar?

Plotseling besefte ik dat het voor mijn Oostenrijkse vriend geen enkel verschil maakte of ik de symfonieën van Bruckner van achter naar voren kende; het deed er helemaal niets toe dat ik genoot van de poëzie van Grillparzer in het oorspronkelijke Duits. Ik was een Amerikaan en daarom behoorde ik tot het slag dat, in een ander land, zich regelrecht naar de dichtstbijzijnde McDonald's zou begeven uit angst om het voedsel van buitenlanders te proeven.

Natuurlijk probeerde ik uit te leggen dat Amerikanen niet zo zijn. Ik probeerde hem duidelijk te maken dat er in elke Amerikaanse stad van enige omvang restaurants zijn die gespecialiseerd zijn in de keuken van zo goed als elke cultuur die er bestaat; maar tot mijn grote treurnis realiseerde ik me dat al mijn pogingen om klaarheid te brengen in het hoofd van deze jonge Oostenrijker vergeefs waren. Voor hem was het een vanzelfsprekende waarheid dat alle Amerikanen bij McDonald's eten, zowel in eigen land als in het buitenland. Wat kun je anders van die primitieve en vulgaire Amerikanen verwachten?

In het begin van dit artikel zei ik dat ik Amerikaan ben geworden in die nachttrein naar Wenen. Maar dat moet ik terugnemen. Ik werd Amerikaan toen ik terugkeerde van een concert in de Musikverein, waar Kurt Masur zojuist het Gewandhaus Orchestra had gedirigeerd in een schitterende uitvoering van de sublieme Zevende Symfonie van boerenzoon Bruckner.

Bijna een week lang was ik plichtsgetrouw gaan eten in authentieke Oostenrijkse restaurants en de saaie eentonigheid van de Weense kookkunst begon me een beetje tegen te staan. Aan de overkant van de straat kreeg ik de vertrouwde gouden bogen van een McDonald's in het vizier. Even aarzelde ik, maar toen stapte ik er vastbesloten op af. Ja, ik was een Amerikaan en ik ging verdomme bij McDonald's eten en daar was ik trots op.

Het was de beste Big Mac die ik ooit heb gehad.

Lee Harris publiceerde in 2004 het boek Civilization and Its Enemies. In De terugkeer van de geschiedenis, een bundeling van artikelen uit Letter & Geest, staan zijn artikelen 'Wie is de vijand van de beschaving' en 'Het einde van duizend-en-een-nacht'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden