De Nacht bracht ademloze stilte en trefwoorden als munitie

UTRECHT - De Nacht bracht, wat je van de Nacht mocht verwachten. Ingetogen dichters, gedichten vol bravoure. Verheven en platte poëzie. Rijmelaars, voordrachtskunstenaars, zachtjes gorgelende stemmen, en een nachtburgemeester die zijn verzen dondert. Slaapverwekkende entr'acts, een schelle trompet, tèt tèt tèt, en de stem als een klok van de Bekende Zangeres. Steeds een kleine dichter voor het projectiescherm, met daarop de zelfde dichter in het groot - zo vertrouwd zag de achttiende 'Nacht van de Poëzie' in Muziekcentrum Vredenburg er op de grens van zaterdag en zondag uit.

Het blijft een vreemd fenomeen: waarom drommen toeschouwers jaarlijks voor de Nacht samen, picknicken ze in de overvolle zaal, maar blijven de meeste dichtbundels winkeldochters? Gedichten vinden meer luisteraars dan lezers. Kennelijk biedt de Nacht van de Poëzie wat de bundels niet kunnen. Geen koele pagina's vol wit, geen regels die zichzelf niet meteen verhelderen, maar de tastbaarheid van de dichter zelf, een gebaar, het bemoedigende timbre van zijn vloeiende verzen. Het woordje waar zijn stem stokt.

Er is wel iets van te begrijpen. In de beste gevallen voegt de voordracht een gedicht toe aan het gedicht dat wordt voorgelezen. Zo vertelden de oude handen van Guillaume van der Graft, tijdens het voorlezen van de ingetogen verzen over de tijd 'die was en toekomst heten zal', hun eigen verhaal. De handen tastten, naar een verloren geliefde of over de bast van de boom, waarin hij en zij samen wortelden. De vingers trilden even, niet van ouderdom maar van ingespannen concentratie, en vormden samen een vuist tegen het voorhoofdvan Van der Graft: “Ik heb niet geschreven wat ik weet. / Wat ik niet wist heb ik geschreven.”

Het contrast met het optreden van de jonge Groningse dichter Ruben van Gogh was enorm. Energiek kwam hij het podium opstormen, attachékoffer in de hand, als handelsreiziger in gedichten. Hij verkocht zijn verzen met verve. Losjes geleund op het statief van de microfoon praatte hij zijn poëzie aaneen en droeg uit zijn hoofd het ene gedicht na het andere voor. Hij wás de 'Man van taal' uit zijn eigen bundel: “Hij richtte razendsnel zijn lezerstaal, / trefwoorden als munitie. / De taalconstructie spatte uiteen / in duizend kleine lettergrepen.” Ruben keek er brutaal de zaal bij in. De koffer bleef gesloten.

De voordrachten kabbelden, en golfden soms, over de hoofden van de toeschouwers door, aaneengesmeed door de klinkende stem van Jenny Arean, de gracieuze bewegingen van drie dansers van Het Nationale Ballet en de tragische fado's van Camané. Met contrabas en mandoline. Het leverde tevreden gezichten op, en onveranderd een stevig applaus. Toch dompelde Rutger Kopland pas om twaalf uur het publiek voor het eerst in een stilte, die zich tijdens het lezen van 'Kaart van een Grieks eiland' - geschreven ter nagedachtenis aan Herman de Coninck - nog verder verdiepte. “Poëzie was geluk, het geluk om een paar woorden / te vinden die bij elkaar wilden horen / voor de dood ons kwam halen.”

Het publiek hield de adem in.

Een moment later voerde Kopland iedereen weer boven water. Opgelucht keek iedereen rond in de tuin van de dichter, het bankje onder zijn appelboom. Een oude voetbal. Uiteindelijk volgde zelfs de bevrijdende lach, in het hilarische 'Bericht van het eiland Chaos': “We zagen de folder: Chaos, dames en heren, / Uw eiland; de glanzende foto's, / de helblauwe Chaotische baai, / het krijtwitte vissersdorp Krisis.” Het kon niet anders of Kopland eindigde daar dubbelzinnig: “Mocht dit bericht jullie ooit bereiken / of mocht dit niet zo zijn.”

Van de berichten die door de dichters werden verzonden - van verzen uit het hoge Noorden, vertalingen van Obe Postma, tot zachte klanken uit het uiterste Zuidpuntje van het Nederlandse taalgebied, van Gwy Mandelinck uit het West-Vlaamse Watou - kwamen er twee, diep in de nacht, nog luid en duidelijk door. Om te beginnen wekte Erik Menkveld bij zijn toehoorders een prikkelende verwondering. Eerlijk is eerlijk, niet al zijn verrassende verzen kwamen uit eigen koker. Hij gaf toe de eerste regel van dit gedicht van zijn zevenjarige dochtertje Emilia te hebben geleend: “'s Winters vechten we cactussen om” waarop Menkveld vervolgde: (uit speelse verveling en bij verbod / op tegenstand): volgens overlevering / levensgevaarlijk, maar onder begeleiding / een belevenis.”

Onder begeleiding van Jules Deelder kon, nog voor de laatste dichter was geweest, iedereen wel naar huis. De nachtburgemeester van Rotterdam ontpopte zich in Utrecht als nachtportier. Met zijn eerste gedicht smeet hij meteen en met onvervalst accent de deur dicht met zijn 'Kutgedicht': “O kut / O snee / O pruim / O spleet / O kier” ratelde hij, tot het vanzelfsprekende rijmwoord volgde: 'O reet'. Tenslotte daalde hij na hamerende reeks af tot het ultieme, perverse einde: “O in / O uit / O in / O uit.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden