De naaktheid van Jean-Jacques Rousseau

'Ik ga iets ondernemen dat nooit eerder is gedaan... Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is, en die mens dat ben ik zelf... Laat de bazuin van het laatste oordeel maar schallen... Ik zal luid en duidelijk zeggen: Zie, dit heb ik gedaan, dit heb ik gedacht, dit ben ik geweest.''

Zo begint Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) zijn autobiografie. Er is geen tweede filosoof die zich zo intensief en langdurig gebogen heeft over zijn eigen levensgeschiedenis; niet minder dan duizend boekpagina's aan autobiografische geschriften heeft hij nagelaten. Als die bemoeienis met zichzelf hem al iets heeft opgeleverd, dan is het wel in de laatste plaats zelfkennis. Wat was hiervan de oorzaak: onwil of onvermogen? Of anders gezegd: was het schrijven van een autobiografie voor Rousseau een middel om inzicht te krijgen in zijn eigen psyche of had hij andere, zwaarwegender motieven om zijn eigen leven te boek te stellen?

Als we Rousseau zelf mogen geloven was zelfkennis door middel van zelfportrettering het eerste en enige motief dat hem bij het schrijven van zijn autobiografie leidde. Een niets verhullende, gedetailleerde beschrijving van zijn leven en zijn karakter moest het uitgangspunt zijn voor een oprechte zelfanalyse. Hij stelde zich daarbij de vrome Augustinus ten voorbeeld, die met zijn Confessiones de moeder van alle autobiografieën had geschreven, maar meer nog Montaigne. Deze laatste had zich ten doel gesteld 'geheel naakt' voor zijn lezers te treden, en dat wilde Rousseau ook doen.

Maar in tegenstelling tot Montaigne, die zijn Essais met het oog op publicatie schreef, beweerde hij, Rousseau, zijn ontboezemingen uitsluitend voor zichzelf en voor zijn Opperste Rechter te willen schrijven (en hij kon dus veel eerlijker zijn dan zijn voorbeeld, zo lijkt hij te suggereren - wat hij nog eens vilein onderstreept door te zeggen dat Montaigne alleen zijn 'sympathieke' fouten ruiterlijk erkent). Radicale openheid was alleen te bereiken als je je geen zorgen hoefde te maken over hoe de lezers over je zouden oordelen.

Maar stelde die oprechtheid wel zoveel voor? We hoeven de 'Bekentenissen' maar op de eerste bladzijde op te slaan om Rousseau al meteen op een leugentje te betrappen. Daar blijkt namelijk dat hij zich wel degelijk tot lezers richt, zij het over zijn graf heen. Hij mag dan niet voor zijn tijdgenoten schrijven, het nageslacht kijkt over zijn schouder mee, en dat weet hij maar al te goed. Deze kleine onoprechtheid, gevoegd bij de bijna onmenselijke oprechtheid (men zou bijna zeggen: exhibitionisme) die hij van zichzelf eist, zet al meteen de toon en zorgt ervoor dat de lezer argwaan koestert en die tot aan de laatste bladzijde volhoudt. Het zal hem uiteindelijk tot de conclusie voeren dat radicale openheid hier niet omwille van zichzelf wordt bedreven, maar dat ze in dienst staat van een hoger doel.

De oprechtheid van Rousseau vertoont farizeïsche trekken: kijk toch eens hoe eerlijk ik ben - iemand die zo eerlijk is kan toch niet anders dan een moreel hoogstaand mens zijn; zo iemand mag dan zonden hebben begaan, maar die kunnen we hem eigenlijk niet aanrekenen. Zo slaat zelfanalyse om in zelfrechtvaardiging, zelfinzicht in zelfbeklag.

Maar moeten wij als lezers nu rouwig zijn om dit alles? Allerminst! Want deze dialectiek van oprechtheid en zelfrechtvaardiging van zelfinzicht en zelfbeklag maakt Rousseau's autobiografische geschriften tot de meest fascinerende die de wereldliteratuur te bieden heeft. Want alleen het pijnlijke, tragische, verknipte laat zich op een boeiende manier vertellen: niets is saaier dan het maakwerk van een goudeerlijke, hyperobjectieve en bloedserieuze autobiograaf.

Dat wist men al in de negentiende eeuw - zo beweert de 28-jarige E.T.A. Hoffmann dat hij de Bekentenissen niet minder dan dertig keer van begin tot einde gelezen heeft, de laatste keer met evenveel ontroering als de eerste. Nu hoeven we het niet zo bont te maken als Hoffmann, maar één lezing is wel het minste wat men de Bekentenissen moet gunnen, zeker in de prachtige vertaling van Leo van Maris.

En of de Opperrechter liever de oprechte maar saaie ontboezemingen van een berouwvol zondaar leest dan wel de smeuïge verhalen van een paranoïcus met exhibitionistische trekjes, dat blijft een open vraag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden