Review

DE MYTHE VAN DE ONDOORDRINGBAARHEIDDERMATOLOGIE

We smeren wat af in ons leven aan zalfjes en crèmes. Om jeugdpuistjes uit te drogen of rimpels glad te strijken. Want als de huid lijdt, lijdt de ziel, zegt Marc Lappé in zijn boek over onze obsessie met de huid. Het kan geen kwaad, denken we, de huid is ondoordringbaar. Maar de huid is een zeef die allerlei ongewenste indringers binnenlaat. En bestrijdt. Totdat onze jarenlange maskerade haar tol opeist. Marc Lappé: The Body's Edge: our cultural obsession with skin. Henry Holt, New York, 1996

Om dit historische 'kookboek voor een eeuwige jeugd' kunnen dermatologen vrijdag op het eeuwfeest van de Nederlandse vereniging voor dermatologie en venereologie nog eens hartelijk lachen. In hun hilariteit zullen ze hedendaagse recepten voor een rimpelloze schoonheid wel meenemen. Wereldwijd smeren we jaarlijks voor ongeveer vijf miljard illusie op ons gezicht.

Maar de huid máákt je ook razend. Heb je haar in florissante staat nodig, komen jeugdpuisten op bezoek. Triest maar waar, jongeren plegen zelfmoord omdat psoriasis of acne hun jeugdigheid te zichtbaar heeft aangetast. Kom dan eens aanzetten met de verkeerde troost dat je ware zelf van binnen zit. Als de huid lijdt, lijdt de ziel, schrijft de Amerikaanse patholoog Marc Lappé in het onlangs verschenen The Body's Edge: our cultural obsession with skin.

Beschouw de huid maar als de biologisch neonreclame, waarmee we onze gezondheid en geestelijke veerkracht etaleren. Lappé beschrijft wat er met die enorme lap huid, al gauw meer dan twintig pond als je zelf rond de zeventig kilo weegt, allemaal mis kan gaan en hoe wij ons door de eeuwen heen in de huid hebben vergist.

Onwetend smeren we maar aan, een gave huid is immers het paspoort voor sociale acceptatie. “Blijf uit mijn buurt”, waarschuwt de zieke huid sinds mensenheugenis. Ooit waren leprazwellingen de stigmata, vandaag zijn het de blauwpaarse vlekken op de rug of armen van een man met Kaposi sarcoom, een tumor in de bloedvatwanden in de huid die verraadt dat je aids hebt.

Natuurlijk kunnen dermatologen elkaar op hun eeuwfeest ervan overtuigen dat ze van alles van die akelige huidaandoeningen zijn gaan begrijpen. Maar het meest fascinerende in Lappé's boek is juist de aaneengeregen geschiedenis van missers en vergissingen als gevolg van de naïeve voorstelling, dat de huid niet meer is dan een ondoordringbare omslagdoek; een foedraal die ons als gegoten zit en die slechts traant en bloedt als haar geweld wordt aangedaan.

Het is alsof we in zo'n prijzig regenpak rondlopen, dat wel een beetje van binnen naar buiten ademt, wat vocht doorlaat, maar van buiten naar binnen het lichaam hermetisch afsluit. Niets is minder waar: de huid kiert en tocht en laat de meest ongewenste stoffen en indringers binnen. Maar, en dat bleek ook een onvermoede eigenschap, diezelfde huid staat zijn mannetje in het ontgiften van chemicaliën en het neersabelen van micro-organismen.

Niet dat dermatologen de huid als een dooie overtrek beschouwden, maar dat dit orgaan zelf over verfijnde verdedigingsmechanismen beschikt, een eigen immuniteit, is pas de laatste jaren goed doorgedrongen. Ondermeer door het Kaposi sarcoom: als de immuniteit door het aidsvirus ernstig is onderdrukt, komen in de huid ziekteprocessen op gang, die normaal kennelijk worden onderdrukt. Dat de huid daar eigen troepen voor heeft, blijkt bij huidtransplantaties: niet zelden verweert het stuk donorhuid zich tegen de gastheer, een min of meer omgekeerde afstotingsreactie dus.

Er is voor de huid ook volop werk aan de winkel, al is het maar om afkeuring te laten blijken bij het gebruik van sommige goedkope lippenstiften of oorringen. En bedenk dat op een vierkante centimeter huid enkele miljoenen bacteriën, schimmels, parasieten en kleine geleedpotigen huizen, die voortdurend aankloppen. Geen wonder dat de huid bij al die gevaren niet rustig kan afwachten tot de lever haar ontgiftende werking heeft gedaan of immuuncellen van elders uit het lichaam arriveren: dat zou net zo ineffeciënt werken als VS-troepen in Bosnië, schrijft Lappé.

Er kunnen immers op élk moment allerlei stoffen en ziektekiemen naar binnen. Zoals gezegd, de huid is verre van een tweedimensionaal, gesloten oppervlak, laat staan waterproof: Lappé ziet onder de microscoop een landschap van bergen, valleien, kanalen en kuilen en moet op sommige plaatsen ook sterk aan een dekblad met houtworm denken.

Toch hield de mythe van de ondoordringbaarheid lang stand en maakte talloze slachtoffers. Al ver voor de jaartelling gold een kompres met kruiden op de borst als een uitstekende remedie tegen longontsteking, maar anno 1960 hadden we nog niet door dat het giftige luizenmiddel lindaan dwars door de hoofdhuid heen gaat. Nog meer blindheid: niemand begreep aanvankelijk de vermoeidheid, griep- en verlammingsverschijnselen onder mannen die onkruidverdelgers met de hand gingen spuiten, na een verbod op sproeien vanuit een vliegtuig. De gevolgen van het gebruik van Agent Orange in Vietnam hadden toch te denken moeten geven.

Maar we weten het nu, de huid is een zeef, met heel dunne plekken achter de oren, de binnenkant van de arm en in de buurt van de zaadballen. De voorafgaande geschiedenis lijkt er overigens wel een van ziende blind zijn, want de Londense chirurg Sir Percival Pott merkte in 1775 al op dat jonge schoorsteenvegers erg vaak huidkanker rond het scrotum krijgen: ophoping van roet, begreep Pott toen al.

Medici kijken nu eenmaal niet altijd verder dan wat ze direct waarnemen. Misschien zagen dermatologen om diezelfde reden lange tijd niet in dat de huid een spiegel van het innerlijk is. Ongerechtigheden zijn maar al te vaak als louter lokale huidaandoeningen beschouwd. En dat terwijl de tong de dokter toch al sinds jaar en dag van alles vertelt over ons binnenste.

Dat we innerlijk volwassen worden zie je in elk geval aan ons gezicht, zeker als de hormonale huishouding zo wordt omgegooid dat geen smeertje meer de puisterigheid kan verhullen. De huid toont meer: jicht ziet rood op de grote teen, verdriet trekt een bleek gezicht, hoge bloeddruk juist een rood hoofd.

Die taal verstaan we doorgaans maar slecht omdat de buitenkant onze eerste zorg is. De dieper liggende processen schminken we liever weg, geobsedeerd door het ideaal van uiterlijke jeugdigheid. Schoonheid is niet meer dan huiddik, ziet er zongebruind uit en rimpelt uiteraard niet.

De cosmetische industrie heeft er wel aan moeten trekken om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Voor aboriginal-jongens was het gekreukelde perkament van de oude appeltjes van de stam ooit een groter ideaal dan het frisse gezicht van de jonge meiden. En bruin staat ook niet iedereen aan: de vale wit-roze tint van een albino-kind wordt door Zuid-Amerikaanse volkeren verfoeid, maar sommige Nicaraguaanse indianen vermoeden er juist grote kracht en potentie in. En in de Appalachen staat bruin voor 'buiten op het land werken', en dan behoor je niet tot de mensen die het hebben gemaakt.

Om die enkele dwarsligger, die niet van bruin of niet van gaaf houdt, hoeft de cosmetica-industrie niet meer wakker te liggen. Het volk koopt zich arm om de rimpels glad te strijken, weet Lappé, en niemand voelt zich er kennelijk om beschaamd dat cosmetische producten 'cover girls' creëren door 'covering'.

Dat verbaast niet in een tijd dat de huid hét nieuwe strijdperk is geworden, waarin mensen zichzelf kunnen identificeren. Dat doen de meesten door zichzelf geheel te boetseren naar de Barbie-poppen die alle dagen Ster na Ster hun modelhuid etaleren.

Anderen verkiezen zich juist te onderscheiden met wat Lappé beschrijft onder het hoofdstuk: hedendaagse iconografie. Het verminken van de huid met scalpel, scheermes, schaar, Zwitsers mes of nagelknipper, het doorboren van oren, tong, lippen, navels, tepels; jezelf zo 'littekenen' moet de ultieme wijze zijn om de macht over je eigen lichaam op te eisen. Een vrouw die op haar borstbeen een krans van littekens in de vorm van bloemblaadjes droeg, zei het uiterst pijnlijke snijproces te hebben ervaren als een psychisch orgasme.

Het leven draait om de huid, als het zichtbare orgaan waarmee we ons in de buitenwereld projecteren. Zonder jeugdige huid leven we volgens Lappé in voortdurende vrees voor onze sterfelijkheid. Laten we, als we 's avonds een masker zetten voor een fris gezicht morgen, vooral niet stilstaan bij het sterfteproces dat de huid alsmaar doormaakt. Dat permanente afschilferen van dode cellen om de aanmaak van nieuwe cellen te stimuleren is zo ontnuchterend, net als de gedachte dat er dagelijks zo'n 190 milligram dooie huid in ons sokken achterblijft, ruim genoeg voor speurhonden om ons, diep verdwaald in de bossen, terug te vinden.

Laten we daar niet bij stilstaan. En ook niet bij het feit dat we dat frisse gezicht van vandaag afkopen met de uitgedroogde, beschadigde huid van morgen. Het zal wel waar zijn van Joe Cavanna, die in de bergen van de Sierra Nevada de achterkamer van een café bewoonde en als oude man een ieder verbaasde met zijn babyzachte huid: Joe was de bar nog nooit uit geweest.

Maar wij móeten nu eenmaal langdurig de zon in en laten daardoor de ziel van onze huid beschadigen. De UV-stralen vernietigen de afweercellen en maken van de huid een immunologische woestenij. We schrikken voor een halve dag als we vernemen dat het aantal gevallen van de huidkanker melanoom de afgelopen decennia met 812 procent is gestegen, maar zonnen en smeren dan weer opgeruimd door.

Natuurlijk begrijpen we dat rimpels uiteindelijk net zo onvermijdelijk zijn als het betalen van belastingen. Lappé vreest dat er de komende jaren heel wat bewijzen zullen komen dat de zon en menige crème de veroudering ernstig versnellen. Maar gelukkig, morgen glimmen we nog en kunnen we dat averechtse gesmeer rechtvaardigen met de geruststelling dat er nog nooit iemand dood ging aan een oude craquelé-huid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden