De mystieke ervaring van de tegenwindfietser

Iedereen die in Nederland fietst krijgt ermee te maken: tegenwind. Dikwijls breekt de wind de wil van de fietser, maar zelden houdt men er echt rekening mee. Gerwin van der Werf geeft tegenwindtips en fietst door de Hollandse polder en duinen om te zien of ze werken.

Het waait. Kracht vijf in de polder, zes aan de kust. In het weiland staan enkel ganzen met hun achterwerk in de wind. Ik heb het voorrecht te wonen tussen het Groene Hart en het Hollandse kustgebied. Het waait hier altijd harder dan in de rest van Nederland. Een fietser moet hier serieus rekening houden met de wind. Maar wat blijkt? Haast niemand doet dat. Altijd lijkt die wind hem of haar te verrassen, en och hemel wat kan een Hollandse tegenwindfietser zich beklagenswaardig voelen. Over de hoge bergen raken ze nooit uitgepraat, die fietsers, over bergen die hier niet zijn, ze orakelen over stijgingspercentages en trainingsschema's, te stoempen op die verre hellingen zien ze als een levensdoel, als een mystieke ervaring, maar op het Klipduin bij Wassenaar staan ze zodra de zeewind met kracht vijf over de top komt wakkeren geparkeerd als oude stadsbussen. Menig fietser - hardrijder of strandganger met fietstassen, dat komt er minder op aan - roept er om zijn moeder, maar geen mens die op het idee komt dít als een mystieke ervaring te beschouwen: fietsen bij windkracht zes, The Dutch Mountains. Maar waarom zou het dat niet kunnen zijn?


'Hij die in de luwte leeft, heeft het leven nooit gezien', schreef de IJslandse schrijver Gunnar Gunnarsson, en omdat de wind nergens zo huishoudt als aan de westkust van IJsland ben ik geneigd hem te geloven. Maar je moet wel weten waar je aan begint, als je de wind trotseert. Daarom heb ik als bewoner van de Dutch mountains enkele tips. Tegenwindtips, voor u, toerfietser of wielrenner, ongeacht uw niveau. En omdat ik liever niet de betweter uithang met mijn tips laat ik meteen zien hoe ze in de praktijk werken, bij windkracht zes, in januari. We trekken een extra wolletje aan en stappen op de fiets.


Kijk niet op je snelheidsmeter


Ik heb een Garmin op mijn stuur zitten, een mooi apparaat maar gemener dan de wind zelf. Ja, met de wind in de rug geeft het ding je cadeautjes (ruim veertig kilometer per uur, ik vloog het eerste stuk naar de ringvaart Haarlemmermeer. Van daar naar Lisse laat Garmin mij genadeloos weten: nog geen twintig per uur, prutser. Niks van aantrekken, blaas jezelf niet op. Gewoon niet kijken. De wind maakt schuimkopjes op het water van de Kagerplassen. De wind is zo straf dat ik haast niet kan ademen, ik moet mijn hoofd schuin houden om lucht te kunnen happen, als een zwemmer. Bijkomend voordeel: als ik opzij kijk zie ik die verrekte Garmin tenminste niet.


Draai een klein verzet


Een oude wielerwijsheid: maak veel omwentelingen. Een kleine versnelling rijden dus. Het schijnt niet stoer te zijn, maar stoer zijn doe je maar thuis. Dat domme geduw op de pedalen met een groot verzet leidt ertoe dat je nog meer wind vangt (omdat je niet stilzit) en is heel slecht voor je knieën. Rustig zitten, kromgebogen als de eenzame fietser van Boudewijn de Groot, laat de benen draaien. Je hebt het gevoel dat je je lijf en je fiets onder controle hebt en als een mes door de wind klieft. Vooral op de lange polderwegen werkt dit goed, je bent zelfs in staat te genieten van de strafste tegenwind. Eigenlijk is dit de voornaamste tip; heb je dit onder de knie dan komt het in orde met die tegenwind.


Neem voldoende eten mee


Na dertig kilometer, in het duinbos bij Langevelderslag, krijg ik al honger. Normaal eet ik na vijftig kilometer iets, maar tegenwind peurt alle energie uit je lijf. Net als een berg, ja. Het is beter even af te stappen om wat te eten dan om te proberen al fietsend en hijgend een banaan of een koek te verorberen. Ik houd mij even niet aan die tip, kauw met open mond op een ligakoek. De wind is hier onberekenbaar, soms lijkt hij helemaal weg te zijn, verdwaald in het bos. Ik stel me voor hoe hij rusteloos door het bos jaagt op zoek naar de uitgang. Af en toe ontsnapt er een vlaag uit het dichte berkenbos en grijpt mij woedend beet. De koekkruimels waaien uit mijn mond. Wie in de luwte leeft, leeft niet echt, maar wie in de wind eet, die eet niet echt.


In de kale duinen bij Noordwijk suist er een jonge, snelle fietser langs. Ik zet even aan en zoek hijgend de luwte van zijn wiel en zijn achterwerk. Het is geen keuze, het is een instinct. Een andere fietser kan een reddingsboei zijn, die laat je niet lopen. Helaas rijdt deze reddingsboei zo hard dat ik in zijn wiel helemaal niet op adem kom, integendeel, mijn hartslag is nog hoger dan net. Maar afhaken betekent dat ik helemaal stil zal vallen. Een duivels dilemma.


Fiets met je beste vriend


Op de fiets is iedereen die ongeveer zo hard fietst als jij (hier een ruime marge aanhouden) je beste vriend, mits hij of zij bereid is een tijdje vóór je te fietsen. De beste vriend moet natuurlijk wel eenzelfde soort fiets berijden. Maar bedenk: kop-over-kop rijden is niet alleen voor wielrenners! Iedereen profiteert in de luwte.


Ik heb trouwens heel wat beste vrienden zien komen en gaan. Van de meesten weet ik niet eens hun naam. Al die vrienden heb ik gedag gezegd met een simpel geheven vingertje, of een gepreveld 'bedankt hè'. Zij waren even mijn redders bij tegenwind, en ik de hunne. Want wederkerigheid hoort bij beste vrienden. Iemand die jou uit de wind houdt, daar ga je van houden. Ik heb van heel wat mannen gehouden, zo daar staat het dan, al zaten er ook vrouwen tussen.


Op de boulevard van Katwijk laat ik het wiel van de jonge renner los. Geen beste vriend was je jongen, want ik had je niets te bieden. Het laatste stuk door de duinen naar Wassenaar sta ik er helemaal alleen voor. Eerst een stukje klimmen, om een duin heen. Meteen valt de wind boven op me, een frontale aanval, ik weiger naar het kleinste blad te schakelen en duw op de pedalen met alles wat ik nog in mij heb. Het tempo dat ik nu rijd is gelijk aan de kruissnelheid die ik afgelopen zomer op de verschrikkelijk steile Stelviopas aanhield: twaalf per uur. Het gebulder van de wind overstemt mijn gehijg. Ik ben alleen met de tegenwind, en die staat op het punt te winnen. 'Jongen toch, je kan er wel wat van krijgen' zou mijn moeder zeggen als ze me nu zag, en ze heeft gelijk.


Maak een wind-mee-tocht


Je kunt altijd omdraaien als het niet meer gaat. Stoppen, fiets honderdtachtig graden draaien en weer opstappen. Wat een feest. Kijken waar je uitkomt, niet bang zijn, wel opletten of er een treinstation in de buurt is. Minstens één keer per jaar fiets ik met de wind mee ergens naartoe om met de trein terug te reizen. Soms ook andersom: bij oostenwind fiets ik van Arnhem naar huis. Wel de kilometers, niet de inspanning. Nou en? Wat is er mis mee om toe te geven dat de wind niet te verslaan is? Het getuigt van ontzag en nederigheid. De eerder aangehaalde woorden van Gunnar Gunnarsson maken duidelijk dat de waarde van het leven ligt in de strijd. Met de wind, of met iets anders. Wie vecht voelt het leven in zich bruisen. Maar komaan, je mag die strijd ook best eens voor gezien houden.


Maar omdraaien doe ik niet, want ik wil naar huis en niet door de hand van de wind naar een treinstation in een vreemde stad worden geduwd. Ik heb geen geld en geen eten. Ik draai landinwaarts, richting Leiden, een mooie stad maar net iets te ver weg. De laatste kilometers heb ik de zuidwester in de rug. Jammer genoeg voelt het niet zo, alle energie is uit mij weggevloeid.


Ik heb naar mijn snelheidsmeter getuurd, te zwaar getrapt, te weinig eten meegenomen. Ik heb het leven gezien, zeg maar. Dat is mooi, maar volgende keer zal ik mij streng houden aan mijn eigen adviezen. Dit neem ik mij vast voor.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden