De muzikale tijdreis van Elmer Schönberger

Dat vroeger alles beter was, geldt in ieder geval voor de Muziek – met een hoofdletter – waar Elmer Schönberger het over heeft. „Dat is een nogal beperkt en elitair perspectief”, schrijft hij in de derde aflevering van deze zomerreeks.

„Hoewel ik me bewust ben van de evidente maatschappelijke en politieke dimensie van muziek, zou ik liegen als ik beweerde dat juist die mij uit mijn slaap houdt.”

Vroeger, toen alles beter en slechter was, begint halverwege de negentiende eeuw. Mijn overgrootouders zitten in Amsterdam en Gouda op de lagere school en slaan in hun hersenpan, nog zonder hulp van camera’s en geluidsapparatuur, de grondstoffen op voor wat hun vroegste herinneringen zullen worden. Iets van die herinneringen delen zij later met hun zoon Anton, mijn grootvader van moederskant.

Deze Anton zal op zijn beurt iets van zijn herinnering dááraan weer delen met mij, zijn kleinzoon. In theorie tenminste, want mijn grootvader was een even beminnelijk als bescheiden en zwijgzaam man. Als ik me al iets uit de negentiende eeuw van mijn voorouders ’herinner’, dan is dat vooral in de vorm van een enkel daguerreotype en een dik, protserig boek vol versteende heren en bevroren dames op ansichtkaartformaat. De geportretteerden zijn volgens mijn tante allemaal naaste en verre verwanten, maar mijn voorouders hebben verzuimd de bijbehorende namen te vermelden.

Helaas is mijn tante – de allerlaatste van een uitgestorven geslacht en de enige die hierover nog enige opheldering kon verschaffen – alweer een paar jaar dood. Ik moet het doen met de envelop waarop ik tijdens een van mijn laatste bezoeken aan haar een paar namen heb gekrabbeld. „Stoltefuss, beeldhouwer in Den Haag, man van tante Agnes, zuster van opa.”

Mijn grootvader werd in 1875 in Gouda geboren. Hij was driekwart eeuw oud toen hij zijn enige kleinzoon kreeg en ik heb hem veertien jaar meegemaakt. Sinds de dood van zijn vrouw woonde hij afwisselend bij zijn beide dochters in. De helft van het jaar deelde ik mijn jongenskamer met hem. Dat was even vanzelfsprekend als de enorme bult op zijn rechterwang, een raadselachtig maar ongevaarlijk gezwel ter grootte van een appel, dat hem tot zijn dood trouw is gebleven (of andersom). Het moet hem gedurende al die jaren veel bekijks hebben opgeleverd, maar voor mij hoorde de uitstulping er net zo bij als de dooraderde hand waarmee hij onvermoeibaar op de rand van de stoel trommelde en het voorhoofd waarmee hij zijn hoed kon laten bewegen.

Als ik aan mijn grootvader denk, is alles zoals het zijn moet – goedgehumeurd, harmonisch, stil. Ofwel: te mooi om waar te zijn. Van alle pijn, narigheid en tegenspoed die er in zijn leven toch ook geweest moeten zijn, heb ik geen weet. Een enkele keer gebruik ik nog wel eens een oeroud timmermanspotlood dat in zwarte drukletters zijn naam vermeldt: ’Firma T.C. van Xanten – Goederendienst Gouda–Rotterdam–Schiedam–Delft–Vlaardingen, tel. Gouda 303.

Als ik het dikke, zwart-gele schrijfgerei in mijn handen hou, krijg ik er op slag een leven bij. Het lijkt in directe verbinding met het verleden te staan en mij bij vlagen zoiets als een prenataal geheugen te verschaffen. Het stelt me in staat, zou je met enige overdrijving kunnen zeggen, „mij een verleden en een geheugen te scheppen met het verleden en het geheugen van anderen”, zoals Patrick Modiano het ooit als zijn ideaal heeft geformuleerd.

Wanneer deze Franse schrijver, zoals hij in ’Livret de famille’ (1977) uit de doeken doet, een bezoek brengt aan het huis waar hij als kind heeft gewoond, roept dit herinneringen op aan de tijd voor 1945, dat wil zeggen, van vóór zijn geboorte: „die paar jaar die er voor mij zoveel toe doen”. Ik maak mijzelf wijs dat ik dat gevoel ken. Maar waar het in Modiano’s geleende geheugen schuurt en knarst, heerst in het mijne een zen-achtige toestand van luxe, calme et volupté. Zoals gezegd: te mooi om waar te zijn. Ik heb geen idee waaraan ik dat te danken heb.

Wat ik onder ’vroeger’ versta, bestaat op de keper beschouwd uit een minimum aan verifieerbare feiten. Maar dat hindert niet. Wat ertoe doet, zijn niet zozeer de reële als eerder de potentiële herinneringen. ’Vroeger’ is niet wat mijn grootvader, ooit de oudste man in mijn leven, aan den lijve heeft ondervonden, maar wat hij had kúnnen ondervinden. Wat hij had kúnnen zien en horen, en waarover hij mij informatie uit de eerste hand had kúnnen verschaffen.

Verder teruggaan dan tot het vroegste tijdstip waartoe zijn geheugen toegang had, lukt mij eenvoudig niet. Misschien is het gebrek aan fantasie, misschien is het een – ondanks alles – diepe verknochtheid aan mijn eigen lawaaierige, oppervlakkige, materialistische, verwende, zelfingenomen en cynische klotewereld, die maakt dat mijn vermogen tot metempsychose, tot zielsverhuizing, halt houdt bij de laatste schakel van de keten van levende herinneringen, anders gezegd, bij de man met de dikke wang. Teruggaand in de tijd waad ik eerst door ’vroeger’ en pas waar vroeger eindigt, breekt de officiële geschiedenis aan. Mocht het op enig tijdstip al beter of slechter zijn geweest, dan bevindt zich dat tijdstip noodzakelijk tussen nu en honderd, hoogstens honderdvijftig jaar geleden. Daarvóór bestaat uitsluitend de voltooid verleden tijd. En de voltooid verleden tijd is niet beter en niet slechter. Die is alleen maar voltooid.

Met de schim van mijn grootvader maak ik reizen naar andere tijden en andere streken. Zelf is hij naar ik vermoed niet veel verder gekomen dan de bedevaartplaats Kevelaer, vlak over de Duitse grens, waar hij als broedermeester jaarlijks deelnam aan processies ter ere van de Troosteres der Bedrukten. Maar in theorie hád hij mijn gedroomde oorden kunnen bezoeken en mij er later over kunnen vertellen. Dus stap ik in zijn tijdruimtecapsule en verplaats mij naar zijn wereld en era. Naar tijden en plaatsen waarvan ik mij bij vlagen – en tegen beter weten in – voorstel dat zij iets beters te bieden hadden, sterker nog, dat ik mij er pas écht had thuis gevoeld. Naar gebeurtenissen waarbij ik aanwezig had moeten zijn. Naar mensen die ik de hand had willen schudden: ’Balthasar Baumont. Enchanté.’

Beter is het daar, waar we hadden willen zijn, althans onszelf in die waan brengen, en uitsluitend omdát we er zo graag geweest waren en niet omdat het er ook aantoonbaar beter was. Want, ach, beter, dat is een kwestie van perceptie, van statistiek, van prioriteiten en van balans. Wat beter is voor mij, is niet noodzakelijk beter voor de wereld. Beter is het er louter en alleen omdat ik er eindelijk fysiek in contact kom met iets waarvan ik mij als door een papierdunne maar ondoordringbare wand van karrenvrachten feiten, foto’s, documenten en weetjes zo tergend van gescheiden weet. Hoe gedetailleerder onze kennis van een bepaalde historische werkelijkheid, des te harder de uiteindelijke botsing met de muur tussen vroeger en nu.

Iedereen heeft zijn persoonlijke entree tot ’vroeger’. De mijne is muziek. Niet zomaar muziek, maar Muziek. Dat is een nogal beperkt en elitair perspectief. Hoewel ik me bewust ben van de evidente maatschappelijke en politieke dimensie van muziek, zou ik liegen als ik beweerde dat juist die mij uit mijn slaap houdt. Gebrekkige hygiëne, onbehandelbare ziekten, dubieuze regimes, achterlijke opvattingen: de nadelen die aan vroeger kleven zijn talrijk, maar in mijn comfortabele positie van tijdruimtereiziger heb ik er weinig last van. Onderdrukking en uitbuiting zie ik bij voorkeur als couleur locale. Wel de lusten van vroeger, niet de lasten. Ik geef toe, nogal romantisch allemaal.

Stel ik me, om een geliefd oord te noemen, het laatnegentiende-eeuwse Rusland voor, waar Tsjaikovski’s opera ’Jevgeni Onegin’ in denkbeeldige aanwezigheid van mijn overgrootvader zijn première beleeft, dan kijk ik gewoon de andere kant uit wanneer ik op straat enkele zogenaamde idealisten van de pas opgerichte terroristische organisatie van de ’Wil van het Volk’ tegen het lijf loop, op weg naar een aanslag op de tsaar. Wat moet ik met die lui? Ze aanmoedigen om de zogenaamde onvermijdelijke loop van de geschiedenis te bespoedigen en het autocratische regime zo snel mogelijk ten val te brengen? Of ze er integendeel van overtuigen dat de middelen het doel niet altijd heiligen?

Vroeger was alles beter, maar niet heus. In sprookjes geloven doe ik niet, maar al is Tsjaikovski’s artistieke verbeelding nog zo ver verwijderd van de Russische realiteit van zijn tijd, toch is de opera die op het podium van het Mali Theater op die gedenkwaardige dag in maart 1879 wordt opgevoerd wat mij betreft meer ’waar’ dan alle nieuwsfeiten waarover de Moskouse Gazet van dezelfde dag schrijft. Dat is de kracht van kunst, die per definitie ’beter’ is dan de werkelijkheid en er maar liever niet mee verward moet worden. Meer Rusland anno 1879 dan Jevgeni Onegin is onmogelijk. Meer Rusland anno 1904 dan in Tsjechovs ’Kersentuin’ trouwens evenmin.

Dat vroeger alles beter was, heeft een eenvoudige verklaring. Het vroeger van de kunst is namelijk een gezuiverd vroeger, ontdaan van onzin en overbodigheden, die minstens zo talrijk waren als in onze tijd. Reken maar dat ze niet om door te komen waren, al die soirees in slecht geluchte herenhuizen met handenwringende liederen en zweterige strijkkwartetten van tweederangs componisten wier namen nu goddank vergeten zijn. Klanken met een kleine letter zijn genadiglijk voorbestemd voor de grote stilte. En mochten ze een eeuw later toch nog van zich laten horen, dan hebben ze dat hoogstwaarschijnlijk ófwel aan hun geruststellende onbenulligheid, ófwel aan hun tot niets verplichtende behaagzucht te danken. De meer fossiele sector van het muziekleven teert er nog altijd op. Schakel Radio 4 in en u weet wat ik bedoel.

Ik heb een hele reeks favoriete vroeger-was-alles-beter locaties, waartoe ik in escapistische buien graag mijn toevlucht neem. New York in de jaren veertig en vijftig bijvoorbeeld. Je gaat er naar Town Hall om Thelonious Monk te horen of om er een première van Stravinsky bij te wonen, op Broadway knip je met je vingers bij ’West Side Story’ en in Harlem ben je er op zomaar een zomerdag getuige van dat er een foto wordt gemaakt die als het beroemdste Jazz Portrait aller tijden de geschiedenis zal ingaan: zestig in prettige pakken gestoken helden, variërend van Horace Silver en Count Basie tot Sonny Rollins en Gerry Mulligan – je vraagt je af hoe Art Kane, de fotograaf, ze bij elkaar heeft gekregen. Aan de samenleving valt weliswaar nog heel wat te verbeteren, maar muzikaal blijft er weinig te wensen over.

Dat geldt nog sterker voor dat andere el dorado, Parijs in de eerste helft van de twintigste eeuw. Laten we voor het gemak zeggen tussen 1913, het jaar waarin Stravinsky’s ’Le sacre du printemps’ in première gaat (en niet te vergeten, twee weken eerder en in hetzelfde theater, ’Jeux’ van Debussy) en 1937, het sterfjaar van Ravel. Een kleurrijke periode, zoals dat heet, maar de scènes waar ik in de denkbeeldige gedaante van mijn grootvader getuige van ben, voltrekken zich onveranderlijk in zwart-wit, van het soort waarin vanaf eind jaren twintig de fotograaf George Brassaï de stad vastlegde. Volgens Modiano voeren Brassaïs foto’s ons naar ’de rand van ons geheugen’, ook van het mijne, dat vijf jaar jonger is dan dat van Modiano en verder al evenmin in enig opzicht op het zijne lijkt. Maar het lukt, de verplaatsing over de rand van de geboorte heen. Niet tien, maar bijna twintig jaar eerder.

Want, kijk, wie hebben we daar? Ravel, geen twijfel mogelijk. De componist mag bekend staan als enthousiast flaneur, maar dat we hem uitgerekend vandaag in het hartje van Parijs zowat van de sokken lopen, is wel verdraaid toevallig. Een echte dandy, dat zie je zo. Strak in het pak, modieuze stropdas, wuft pochet en tussen de wijs- en middelvinger van de linkerhand de onafscheidelijke Caporal. De blik beminnelijk en ondoordringbaar. Zijn fysionomie lijkt op die van de exacte leeftijdgenoot die mijn grootvader is.

Heb je eenmaal op zo’n minuscuul moment ingezoomd, dan is vroeger inderdaad alles beter, al is het maar voor heel, heel even. En zeker als je tot je laat doordringen dat de componist nog maar enkele maanden eerder de première van zijn Pianoconcert in G heeft gedirigeerd. Ze zeggen dat hij er drie jaar lang dag en nacht aan gewerkt heeft. Alleen al met het middendeel, nee, met de eerste inzet van de fluit in dit Adagio assai heeft hij een ereplaats in de componistenhemel verdiend. Zijn uitgever heeft een hypermoderne uitgave van de solopartij in voorbereiding: een zilverspiegelend omslag waarop karmozijnrode letters.

Onder ons gezegd en gezwegen: ook voor Ravel was vroeger alles beter, want tegenwoordig heeft hij steeds meer last van vergeetachtigheid en het schijnt zelfs te gebeuren dat hij zijn eigen muziek niet meer herkent. Gelukkig weten alleen wij hoe het afloopt. Over een paar maanden zal hij gewond raken bij een nachtelijk ongeval met een taxi en daarna zal het alleen nog maar bergafwaarts met hem gaan tot die fatale hersenoperatie in 1937.

Wat is Ravel intens ’waar’ op de foto’s die we van hem kennen: hij kijkt bijna altijd recht de camera in, omringd door gewichtige heren en vlotte dames en is toch zo terzijde. In de kleine roman die Jean Echenoz over hem schreef verschijnt Ravel als de geheimzinnige, klankgeworden leegte. Een sfinxachtige gentleman die, zo noteert Echenoz, met zestig overhemden, twintig paar schoenen, vijfenzeventig stropdassen, vijfentwintig pyjama’s en een koffer vol sigaretten op tournee gaat. Als ik aan Ravel denk, is vroeger alles beter, mits ik de juiste, Brassaï-achtige afstand bewaar, dezelfde afstand die de componist zelf in zijn muziek zo voorbeeldig in acht placht te nemen.

Vandaag is het Ravel, morgen Poulenc, overmorgen Prokofjev. En als ik me dan toch in de Russische gemeenschap begeef, ga ik meteen op zoek naar Ravels raadselachtige protégé Nikolaj Oboechov, componist van het onuitgevoerde en onuitvoerbare, 24 tot 48 uur durende ’Kniga Zjizni’ oftewel ’Boek des Levens’, want als de dingen vroeger al niet beter waren, dan toch tenminste krankzinniger.

Het is voor de luisteraar erg verleidelijk en gemakkelijk om vroeger als beter te beschouwen. Aan vroeger weet je wat je hebt. Vroeger is klaar, het verandert niet meer, het is wat het is, take it or leave it. Je kiest er je favoriete meesterwerken uit, je dierbare net-niet meesterwerken, plus nog wat ditjes en datjes, want het moet wel een beetje gezellig blijven. De rest negeer je gewoon. Geen haan die ernaar kraait. Vroeger is namelijk meer selectie, constructie en interpretatie dan realiteit.

Ik koester en wantrouw mijn vroeger in gelijke mate. Zijn de opwindendste premières niet die waarbij je, omdat je te laat geboren bent, eenvoudig niet aanwezig kón zijn? Stel dat ik in de zaal had gezeten, op die beruchte 29ste mei 1913, toen in het spiksplinternieuwe Théâtre des Champs-Elysées ’Le sacre du printemps’ in première ging. Wie had er níet bij willen zijn? Dankzij de beschrijvingen van zowel de muzikale uitvoering als de bijbehorende choreografie van Nizjinski hebben we van deze roemruchte première een beeld dat in gedetailleerdheid de herinnering aan vele, zo niet alle door ons lijfelijk bijgewoonde concerten verre overtreft.

Toch – en dit laat zich nauwelijks rijmen met mijn muzikale intuïtie en mijn geflatteerde zelfbeeld als professionele luisteraar – moet ik rekening houden met de mogelijkheid dat ik het stuk maar zo-zo had gevonden, een beetje enerzijds-anderzijds, en dat ik allerlei zogenaamd kritisch-genuanceerde slagen om de arm had gehouden. Of zelfs dat ik er niets van begrepen had. Dat de portee me was ontgaan. Dat ik het allemaal maar overdreven had gevonden. Want één ding mag ik niet vergeten: het mooiste van vroeger is dat het van vroeger is.

Vertelde gebeurtenissen zijn mooier dan echte gebeurtenissen, foto’s zijn betoverender dan de gefotografeerde werkelijkheid, opnamen zijn magischer dan reële klanken, mits stammend uit een vroeger dat zich aan of over ’de rand van ons geheugen’ bevindt, daar waar het stof van de geschiedenis definitief is neergedaald.

Aan de hoogbejaarde Stravinsky werd ooit de vraag gesteld of het componeren tegenwoordig moeilijker was dan vroeger. Ja, luidde zijn antwoord. Maar, voegde hij eraan toe, dat is het altijd al geweest.

Zo is het ook met de muziek van vroeger. Ja, die was beter. En dat zal zij altijd en eeuwig blijven. De toekomst is aan vroeger.

Elmer Schönberger is musicoloog, componist en schrijver.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden