Review

De mussen sterven uit: nu tsjielpen de mobieltjes

'Dak zonder huis' is de derde bundel van Antoine Uitdehaag, een Rotterdammer die in het dagelijks leven regisseur is van diverse toneelgezelschappen in binnen- en buitenland. Hij schreef in het verleden ook liedteksten voor Karin Bloemen en Jenny Arean. Een man van het toneel en theater dus, die het zo nu en dan zoekt in het volstrekt eenzame avontuur van de poëzie.

Zijn achtergrond kwam met name in zijn tweede bundel, 'De adem van de zaal', sterk tot uiting omdat hij hierin de wereld van het toneel scherp contrasteerde met de werkelijkheid en het warme leven zelf. In zijn nieuwe bundel ontbreekt het toneel niet geheel en al (een titel als 'Toneelspeelkunst' zegt genoeg), maar de nadruk ligt nu weer op het volle leven. Hoewel, vol? Het is duidelijk dat er in deze nieuwe gedichten een gestorven geliefde rondwaart die de dichter nu juist met zijn neus en ziel op een existentiële leegte drukt. De merkwaardige titel 'Dak zonder huis' staat hier ook mee in verband. Als je geen dak boven je hoofd hebt, zit je in de problemen. Als je dat wel hebt, maar geen huis, dan wijst dat op een merkwaardige ambivalentie. In het gedicht 'Dakterras' komen we hier meer over te weten. De dichter is primair positief: ,,Je kunt het hier hoog hebben zitten / en zelfs in maart de zon al / op je dak krijgen.'' En even verderop: ,,hier kun je met je handen dromen vangen.'' De sfeer blijft echter niet zo sereen, want halverwege kantelt het gedicht en komt de dode geliefde roet in het eten strooien:

,,En als de avond aan de hemel klopt

en je omlaag moet naar de aarde, waar de

kamers op haar wachten en haar kleren

op haar terugkeer, waar je thee zet

van een zakje verse pijn, dan wil je

boven, wil je een dak zonder huis

een hangende tuin onder de hemel zijn.'

De dichter wil, zoals alle dichters, natuurlijk het onmogelijke: een dak zonder huis, een dode geliefde die niet dood is. Daarbij loopt hij bepaald niet met zijn leed te koop: 'een zakje verse pijn' -het is ook de titel van een afdeling in deze bundel- is eigenlijk alles wat hij kort samengevat over zijn gestorven geliefde kwijt wil...

Uitdehaag is geen vernieuwer. Ik heb hem in het verleden al eens met J.C. Bloem vergeleken en die vergelijking houd ik staande. In traditionele verzen, doordesemd van weemoed, bezingt hij het voorbijgaan van de tijd en de dood. De illusieloosheid ligt voortdurend op de loer.

De bundel opent nota bene met 'Mei', maar wie een pril en euforisch verbaal licht- en zangvuurwerk verwacht als bij Gorter in diens gelijknamige gedicht, komt bedrogen uit.

Bij Uitdehaag is het één grote klaagzang over de tijdelijkheid, zoals de slotregels laten blijken: ,,Waarom denk ik in mei al aan september, / waarom als ik een kind zie aan de dood?'' Tja, waarom? Omdat Uitdehaag 'Willens en wetens', zoals een van zijn gedichten heet, het doodsbesef en de teloorgang op de voorgrond plaatst en het genoemde gedicht bijvoorbeeld begint met deze definitie van het leven: ,,Dit is een ernstige vorm van zomaar. / Zomaar begonnen en niet weten waarom / en het af willen maken, maar wat / is afmaken anders dan doden?''

'Om het even', 'Zo gaat het', 'Zorgen', 'Angst', - ik noem maar een paar titels waar de illusieloosheid van afspat. En toch is dit geen loodzware poëzie, al was het maar omdat de dichter al het menselijk onheil met vederlichte ironie ook wel weer op afstand weet te zetten: ,,En van enige afstand zal dat dan best / op zoiets als menselijk leven lijken.''

Toch is het niet zozeer de ironie, alswel de lichte toon die deze poëzie voor zwartgalligheid behoedt. In 'Ode aan de mus', waarin het verdwijnen van dit oerhollandse stadsvogeltje wordt betreurd, is het slot weliswaar niet vrolijk, maar door woordkeuze en binnenrijm toch draaglijk: ,,Nu tjielpen de mobieltjes, dit is / de schreeuwende eeuw. Van de spreeuwen. / Van de nog onbarmhartiger meeuwen.''

Ik denk dan ook dat je deze poëzie, die bij al haar poëtische foefjes toch vooral inhoudelijk wil zijn (,,Want je moet schoonheid / wel inhoud geven'') minder somber moet opvatten dan zij lijkt.

Er steekt een rasmoralist in Uitdehaag, die in het gedicht 'Als de dood' nota bene ietwat ambivalent maar o zo positief uit de hoek komt met 'de hemelse onvolmaaktheid van het leven'. Bij alle aandacht voor de dood, voor kerkhoven en lijken, krijgt het leven als het erop aankomt toch een zwaar accent. Dat geldt ook voor het slotgedicht van de bundel, en dan met name de slotstrofe:

,,Voor geluk geldt geen seizoen

geen graad geen meter. Maar

wees erbij. Het wordt niet beter.''

Een wijze en moralistische slotclaus waar inhoudelijk weinig op af te dingen valt. Uitdehaag is met zijn door en door traditionele poëzie een tweederangs dichter, ik wil daar geen misverstand over laten bestaan.

Maar in die tweede rang tref je soms juweeltjes aan waar ze in de eerste rang - waar altijd poëtisch hoog spel wordt gespeeld - vaak ruimschoots overheen zien. En dat maakt die tweede rang zo interessant. Je doet jezelf als lezer tekort als je erop neer zou kijken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden