De mossel

Als er één dier is dat met de zo geteisterde hoofdstad van België kan worden vereenzelvigd, is het de mossel. Nergens ter wereld vind je zo'n grote dichtheid aan eetgelegenheden waar het smakelijke weekdier kan worden genuttigd, uiteraard liefst met een Belgisch biertje ernaast en natuurlijk Vlaamse frieten. Overigens komen die mosselen over het algemeen niet uit België zelf, maar uit Zeeland. Zeeuwse mosselen dus. Ik moet bekennen dat ik er dol op ben, gewoon even opgekookt met soepgroenten en bier, of - liefst langs de Franse kust - met roquefortkaas en daarbij een glas witte Loirewijn.

Mijn vroegste ervaring met de mossel (Mytilus edulis) is echter niet van culinaire aard en dateert uit het eerste jaar van mijn studie in Utrecht. We kregen college over ongewervelde dieren van docent dr. P.J. Kipp. Het college werd rond paastijd gegeven in de oude grenenhouten collegezaal van het toenmalige botanisch laboratorium, gevestigd in het pand waarin nu al heel lang het Utrechts Universiteitsmuseum is gevestigd; dat mooie houten amfitheater is er ooit in een domme vlaag van vernieuwingswoede uitgesloopt. Kipp had zich voor de gelegenheid verkleed als mossel. Hij begon met het uittrekken van een winterjas en legde uit dat dat de schelp van het dier is. Daaronder droeg hij een tweede jas die symbool stond voor de mantel, het orgaan dat de binnenkant van de schelp bekleedt en deze aan de randen ook doet groeien. De anatomische verkleedpartij eindigde met de linker- en rechterkieuwen, die Kipp onder zijn armen verborgen had gehouden: het bleken twee zakken paaseitjes, die vervolgens de collegezaal rondgingen. Terzijde: dit is dus het soort onderwijs dat beklijft.

Mosselen zijn tweekleppige weekdieren die - zoals de naam zegt - twee schelpen bezitten, zulks in tegenstelling tot de slakken die er maar één hebben. Ook kokkels en oesters zijn tweekleppige weekdieren. Wilde mosselen hebben het moeilijk, niet zozeer doordat ze worden opgegeten maar vooral door de boomkorvisserij. Ooit waren grote delen van de Noordzeebodem bedekt met mossel- en oesterbanken, maar die kunnen uiteraard slecht tegen een over de bodem getrokken boomkor. Het WNF en stichting ARK werken sinds deze week aan herstel. Die banken hebben een belangrijke functie in het ecosysteem, want behalve mosselen en oesters wemelt het er van de jonge vis en allerhande ongewerveld grut.

Mosselen bouwen riffen doordat ze zich aan de ondergrond vasthechten. Oesters doen datzelfde door zich letterlijk vast te metselen maar mosselen doen het subtieler. Ze maken lange draden van een oersterk eiwit, zogenoemde byssusdraden, waarmee ze zich aan een substraat hechten. Een mossel is net een tent met scheerlijnen. Met tientallen draden houdt het dier zich op zijn plek, en omdat alle mosselen in de mosselbank datzelfde doen, ontstaan al snel riffen van duizenden schelpdieren, vastgekoekt met kilometers scheerlijn. Babymosseltjes hechten zich met hun byssusdraadjes vast aan wrakken, oude ankers, meerpalen en scheepsrompen, en aan in het zeewater hangende touwen. Die kun je later boven water halen en de mosselen als druiven er afplukken: hangcultuurmosselen. Eet ze vooral in Brussel, dat verdienen ze daar nu wel.

Riffenbouwer houdt zich vast met kilometers scheerlijn

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden