De morele correctie van Johan Huizinga

Na driekwart eeuw is het beroemde essay ’In de schaduwen van morgen’ van Johan Huizinga opnieuw uitgegeven. Jos Palm herlas het en constateert dat de historicus geen raad wist met de tijd waarin hij leefde.

Johan Huizinga: In de schaduwen van morgen. Ingeleid en geannoteerd door George Harinck. Aspekt, Soesterberg. ISBN 9789059111516; 165 blz. euro 22,50

Hoe begin je een recensie van een curieus boek van Nederlands meest onaantastbare historicus aller tijden, dat 73 jaar na verschijning opnieuw wordt uitgegeven omdat het actueel zou zijn? Misschien wel zo: de cultuurcriticus Johan Huizinga deelde, zonder dat hij dat zelf wist, één opvatting met de cultuurvernietiger Adolf Hitler: er bestond ontaarde kunst.

Het is -- dat besef is voor tweehonderd procent aanwezig -- een riskante zin om een stuk over een monument als Huizinga mee te openen. Want als Leids professor hield hij al vóór de oorlog zijn rug recht tegenover nazigeluiden, en hij schreef zijn ’In de schaduwen van morgen’ ondermeer als waarschuwing tegen de om hem heen grijpende totalitaire verdwazing. Een groter verschil dan die tussen de draufgünger Hitler en de etherische cultuurmens Huizinga was destijds niet denkbaar en is ook nu moeilijk voor te stellen.

En toch blijft dat zinnetje hameren, dat Huizinga voor even in de hoek dreigt te zetten waar hij niet thuishoort. Toon en inhoud van Huizinga’s essay uit 1935 dwingen het als het ware af. Huizinga was namelijk bang, om niet te zeggen doodsbenauwd voor wat komen ging. Daarbij dacht hij niet in de eerste plaats aan het bruinhemdengebral op straat, hij dacht aan de westerse samenleving in haar geheel. Deze stond aan een veel groter, een veel meer ondermijnend gevaar bloot. Na eeuwen van volwassenheid was de beschaving in een soort vrijwillige puberteit terecht was gekomen. „De wereld”, schreef Huizinga, „is de mens tot een speelgoed geworden. Wat een wonder als hij zich daarmee als kind gedraagt.”

Een tragisch voorbeeld van die algemene degeneratie gaf de moderne kunst te zien. Deze was met een ’luide aanspraak op de volstrekte vrijheid’ overgeleverd aan ’alle excessen en alle ontaarding’ denkbaar.

„Over de hele wereld”, aldus Huizinga, „zetten plotseling de schilders alle tafeltjes met stillevens onder een hoek van 30 graden, en trekken hun arbeiders, allen lijders aan ziekelijke groei van de extremiteiten, kachelpijpen voor broekspijpen aan.” Het is alsof je de schilder van het zigeunermeisje met traan hoort klagen over de neuzen bij Picasso. Maar goed, zo schreef Huizinga, met fijnbedaagde afkeer van alles wat hij gebrek aan stijl en smaak vond.

Als de geleerde zijn studeerkamer verliet, zag hij om zich heen: ’oppervlakkigheid’, ’moreel verval’, ’ongeloof’, ’sportverdwazing’, ’lichaamsverheerlijking’, massapsychose’ en ’technologieaanbidding’. De publicist en toen nog radicaal socialist Jacques de Kadt oordeelde in een giftige bespreking dat de burger Huizinga zijn paniek over de ondergang van de hoogburgerlijke beschaving de vrije loop liet. Een meer rustige natuur als de schrijver Albert Verweij concludeerde dat Huizinga bevangen was door de ’ziekte’ van die dagen, te weten: ’het lijden aan de tijd.’

En dit klaagboek van Huizinga, dat in zijn eigen tijd, hoewel een seller, toch ook als een curiosum werd beschouwd, is nu opnieuw uitgegeven. Waarom dat moest, is misschien nog wel het duidelijkst onder woorden gebracht door de historicus George Harinck, die ook de heruitgave verzorgde. In een interview met het Nederlands Dagblad legt hij uit wat wij aan ’In de schaduwen’ kunnen winnen. „Het democratisch systeem heeft een morele correctie, een soort publieke religie nodig. Er moet een plek zijn waar je hoort wat de normen zijn”, aldus Harinck. En ook al zegt de hoogleraar in moderne calvinistische geschiedenis aan de Vrije Universiteit het niet letterlijk, bij Huizinga kunnen we terecht voor het hervinden van onze wat verzwakte moraliteit. Dat is de suggestie. „Huizinga stelde zijn vertrouwen op de zuiverende kracht van het christelijk geloof”, staat vast niet toevallig op de achterflap van de heruitgave.

Dat laatste mag waar zijn -- hoewel het nog niet zoveel zegt over de al dan niet verinnerlijkte aard van Huizinga’s christendom. Veel belangrijker is de vraag of wij, anno 2008, nog betere mensen kunnen worden door het lezen van een historicus die in zijn slothoofdstuk, Katharsis, schrijft over ’geestelijke clearing’, over de hoop op ’een gezuiverde mensheid’, op een ’nieuwe ascese’ die een ’overgave zal moeten zijn’. En die tegelijkertijd, als een Erasmus die slecht geslapen heeft, monkelt over alledaagse moderne barbarijen.

Het lijkt erop dat wij -- nog veel ergere volwassen pubers dan Huizinga zich kon denken -- met de cultureel geneesheer Huizinga niets meer kunnen. Om te begrijpen hoe dat komt, moeten we een moment stilstaan bij de historicus Huizinga.

Wil een tegenwoordig historicus als Van Deursen diep in zijn hart een calvinistische zeventiende-eeuwer zijn, Huizinga had een hartstochtelijk verlangen naar de franje en geestgesteldheid van de late Middeleeuwen -- als jongen al tekende hij de ’middeleeuwse‘ kostuumoptochten na die hij in Groningen voorbij zag trekken. Heel zijn taakopvatting als historicus hing samen met de periode waarin hij de kwaliteiten zag die zijn eigen tijd ontbeerde: liefde, trouw, opofferingsgezindheid en zo meer.

Evenwicht en harmonie, was wat de middeleeuwers zochten volgens Huizinga. „Het leven had in menig opzicht de kleur van een sprookje”, schrijft hij in ’Herfsttij’. Dat sprookje bestond niet meer in 1935 en zou ook nooit meer bestaan. Dat besef scheidde Huizinga, die uiteindelijk altijd een historische ideaalvertelling wilde schrijven, volledig van zijn eigen tijd. De mensheid was met goedkeuring van Freud voorgoed aan het puberen geslagen, en zoals Willem Otterspeer in zijn monografie over Huizinga schrijft, daarvan kon de historicus geen geschiedenis maken.

Kon hij, boven alles een hoofse geestesridder, dan wel een zinvolle moraalkritiek schenken aan zijn eigen vulgaire tijd? Zijn esthetisch en normatief instrumentarium maken hem daarvoor niet bepaald geschikt. Huizinga wil iets van zijn tijd. Hij wil deugd, zelfverloochening en passie, maar dan op zijn middeleeuws, dus in dienst van een alomvattend christelijk eenheidsideaal. In plaats van processies en devote schilderstukken, krijgt hij gemarcheer op straat, getoeter op de radio en ontaarde kunst. De emotie en hartstocht die vroeger de mens bij God brachten, doen deze nu, met dank aan de psychoanalyse, in zichzelf wentelen. Het is nog maar een kwestie van tijd en de biechtstoel is vervangen door de divan.

Met dat alles kan Huizinga bitter weinig. Zijn goed en kwaad is van vóór de zondeval van de Verlichting en van vóór de zwartgallige existentiële romantiek van een Schopenhauer en een Nietzsche. Vandaar dat hij maar door zeurt over zijn eigen tijd in veel te grote, plechtstatige woorden. Freud, Marx en Darwin die van de ooit morele mens een mechanisch geval hebben gemaakt, moeten terug in het hok. Dat is de uiteindelijke inzet van ’In de schaduwen’. Het maakt het essay tot een achterhoedegevecht.

Dat besef moet in de jaren dertig al aanwezig zijn geweest. Want wat lieten twee zeer beschaafde dames zich ook alweer ontvallen in het bijzijn van de uitgever van Huizinga, toen diens angsttraktaat net uit was: „Het nieuwste boekje van Huizinga al gezien? Snoezig gewoon.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden