Review

De mondige burger ontstond in de Lage Landen

Ooit keek de rest van Europa op naar de Lage Landen. Historicus Wim Blockmans legt in ’Metropolen aan de Noordzee’ uit hoe het water mensen ’in noodgedwongen solidariteit’ verenigde, aanzette tot het gezamenlijk bedijken en ontginnen van het land. Deze gemeenschappen groeiden uit tot steden waar de burger met politieke rechten werd uitgevonden. En dat alles van onderop.

Het is in deze bestuurloze tijden moeilijk voor te stellen, maar ooit keek men op naar het gebied dat alweer bijna twee eeuwen als Nederland en België door het leven gaat. Italië mocht Florence en Venetië hebben met Giotto en Botticelli, wij – of beter gezegd: de Lage Landen – hadden Brugge, Gent, Antwerpen en Amsterdam, met Rembrandt, Rubens en Van Eyck.

En er was meer dat ons prettig verbond met de moedersteden van de Renaissance. De opkomst van de mens als burger, die dreigde te smoren in de praalzucht van bankiersfamilies als De Medici of omkwam in de boekverbrandersdictatuur van de monnik Savonarola, kreeg in de Lage Landen een stoere voortzetting. En wel op ongehoorde wijze, namelijk door wat de burger in de weg stond – koning en katholieke kerk – eenvoudigweg af te schaffen.

Wat ooit in het huidige België begonnen was – Beeldenstorm en Reformatie, die je met enige goede wil kunt beschouwen als emancipatoire activiteit der burgerij – werd in Nederland voltooid in een tachtigjarige oorlog tegen vorst en paus. Heel lang wisten historici zich niet goed raad met de verdeelde eenheid. We waren immers voorgoed verschillende wegen gegaan. België naar de paapse onvrijheid, Nederland naar de protestantse vrijheid.

Historici als P. J. Blok en de Belgische Henri Pirenne schreven het probleem weg in een soort natuurlijke nationale historiën, waarin beide naties zich gelukkig mochten prijzen met het afvallen van het eens verwante aanhangsel. Helemaal verdween het besef van de verloren eenheid nooit. ’Eenheid en scheiding’ noemde de katholieke historicus L.J. Rogier zijn werk over de Nederlanden veelzeggend. En zijn vakgenoot Pieter Geyl schreef een ’Geschiedenis van de Nederlandse stam’, om een eind te maken aan de treurige ’verstrooiing’.

Maar zoals vaker in de geschiedschrijving: allen keken verkeerd. De historische separatisten staarden zich blind op de staatkundige ontwikkeling, de unionisten op taal en cultuur, terwijl ze gewoon naar de gebeurtenissen in de steden hadden moeten kijken.

Dat hadden ze kunnen lezen in het ’opstel’ uit 1905 van de later beroemde Johan Huizinga over de opkomst van Haarlem. Het stadsrecht van deze stad bleek gebaseerd op dat van Den Bosch dat op zijn beurt weer op het recht van Leuven stoelde.

Wat ons bond kwam niet van boven – van koning of culturele elite – maar van onderen. De vrijheid had zogezegd een eigen geografische logica: ze trok van stad tot stad, van zuid naar noord.

Dat de ontdekking die de high culture-historicus Huizinga deed ruim een eeuw heeft liggen wachten op een low culture-historicus, is wat overdreven gezegd. Maar helemaal toeval is het vast niet dat juist nu de beide naties een wat rusteloos bestaan leiden, er iemand is opgestaan die het historisch verdriet van België en Nederland weet om te smeden tot een gedeeld goed en geluk.

Dat Wim Bockmans dat doet als geboren Antwerpenaar, academicus te Gent, en sinds kort als emeritus hoogleraar middeleeuwse geschiedenis te Leiden is waarschijnlijk evenmin toeval.

Nog belangrijker is wellicht dat hij dat doet als erfgenaam van de historische vakgroep maatschappijgeschiedenis te Rotterdam. Geschiedenis, was daar de gedachte, diende in de volle breedte bestudeerd te worden. Zoals de grote Franse historicus Fernand Braudel had gedaan in zijn meesterwerk over de Middellandse Zee, waar land, ligging en water – de natuurlijke infrastructuur – kansen boden die de mensen hadden genomen.

Zoals Huizinga kuierend langs het Damsterdiep zijn ondergangsingeving kreeg voor zijn ’Herfsttij’, zo heeft mogelijk Wim Blockmans tijdens een familiebarbecue aan het strand ineens begrepen hoe het zat. Wij – Holland en Vlaanderen – hadden onze eigen Middellandse Zee, onze eigen allesbepalende deltahistorie, een creatie van de natuur die ons verenigde. De geschiedenis daarvan heeft hij nu geschreven in een boek dat braudeliaans is in uitgebreidheid en methode, en dat de lezer voor zijn geduld beloont.

Het gaat van natuur naar cultuurlandschap, dat ontstaat in ’noodgedwongen solidariteit’ van boeren die gezamenlijk ontginnen en bedijken. En het gaat van kleinere naar grotere steden, van Atrecht via Brugge naar Antwerpen (steden die in onderlinge concurrentie elkaars positie versterkten en waarvan de economische hiërarchie bepaald werd door de gunstigste ligging aan de zee). ’Metropolen aan de Noordzee’ noemt de auteur deze steden. Indertijd moeten ze eenzelfde soort glans hebben gehad als tegenwoordig New York – een feit dat de geplaagde Belg en Nederlander voor even in postume grootheidswaan verenigt.

In onze contreien vond een vroegkapitalistisch wonder plaats dat op den duur leidde tot een politiek-bestuurlijk novum. Wat in de Italiaanse Renaissance in zekere zin een bijkomstigheid was werd hier een hoofdzaak: de uitvinding van de burger als mens met politieke rechten.

Het sleutelbegrip, aldus Blockmans, is ’zelforganisatie’: volledig in de stedelijke economie en gedeeld in het bestuur. Niet dat hier in de late Middeleeuwen een Robespierre rondliep, maar zich alles laten welgevallen door de oude adel deed de opkomende stand van handels- en ambachtslieden niet meer.

De roemruchte Guldensporenslag in 1302 van eenvoudige lieden tegen ridders van de Franse koning was daarvan een voorbeeld. Meer nog was dat het oproer van Gentse burgers tegen hun landsheer in 1128 die in een redevoering ’niets minder dan de grondslagen voor de volkssoevereiniteit’ formuleerden: indien de graaf een ’trouweloze konkelaar, een eedbreker’ bleef, dan moest hij ’weg uit het graafschap’.

Volgens Blockmans verbleekt hierbij de Magna Carta – de door de Engelse baronnen in 1215 afgedwongen oorkonde tegen het machtsmisbruik van de koning, die doorgaans geldt als hét voorbeeld van ontluikende vorstenloze soevereiniteit. Blockmans heeft meer dan gelijk. Onze vaderlandse Acte van Verlathinge – het afzweren van de Spaanse koning in 1581, voorbeeld voor de Amerikaanse Founding Fathers – gaat uit van precies dezelfde idee als de Gentse toespraak van 1128. Als een vorst zijn plichten ernstig verwaarloost, ben je hem niet langer ondergeschiktheid verschuldigd. Zoals gezegd, de vrijheid ging van zuid naar noord.

Onze vroege volkssoevereine oprisping is een historisch feit dat ons als Belgen en Hollanders moed moet geven in bestuurlijk bange dagen. We zijn er als burgers met en tegen elkaar altijd uitgekomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden