De mollenvanger heeft altijd koude handen

ZOETERWOUDE - Uiterst voorzichtig zet Frans de mollenklem op scherp en duwt hem in de mollengang. “Ja, jongen, hier moet je je kop bij houden. Als-ie klapt, ben je er nog niet klaar mee.”

De veer is zo sterk dat hij met gemak één of meer vingers kan afknellen. Het bewijs van de kracht: de dode mol die Slingerland uit een klem haalt. “Met deze klem zijn ze in één klap morsdood. Vroeger gebruikten we ze met slappere veren, maar dat mag niet meer.”

Mollenvanger Frans (75) en zijn collega's hebben het deze weken druk met het zetten en leeghalen van mollenklemmen. Boeren en particulieren hebben dit voorjaar extra veel last van mollen. Door de droge en strenge winter was het niet mogelijk de beesten te vangen.

Doordat de grondwaterstand daalde, moesten de mollen hun voedsel (wormen en insecten) dieper halen. Pas nu het langzaamaan warmer wordt en de grond zachter, komen de dieren dichter naar de oppervlakte. Talloze molshopen laten daarover geen misverstand bestaan. Zelfs Frans vindt het aantal mollen dit voorjaar “ongelooflijk”.

Frans (zijn achternaam wil hij niet in de krant; “dat geeft maar gezeur”) vangt al vanaf zijn tiende jaar mollen, net zoals zijn vader dat zijn leven lang heeft gedaan. “Meer dan duizend” heeft hij er al gevangen; eerst als bijverdienste en nu als liefhebberij. Een knappe mol die hem ontsnapt, al moet hij toegeven dat “je ze nooit helemaal weg krijgt”.

Een beperkt aantal mollen in grasland is geen probleem: ze eten schadelijke insecten zoals engerling en emelt en zorgen voor een goede beluchting en afwatering van de grond. Maar de aantallen die zich nu vertonen, zijn voor de boeren in de polders wel aanleiding om met klem en steekschop in actie te komen. “Met al die molshopen krijg je narigheid voor het vee. Als je gaat maaien, komt het allemaal mee in het gras dat de koeien gevoerd krijgen. Zo worden die beesten ziek.”

Volgens de overkoepelende organisatie in de land- en tuinbouw, LTO, is het zaak dat boeren en mollenvangers nu extra hun best doen om de mollenoverlast (“van een plaag willen we niet spreken; de situatie is zeker nog beheersbaar”) in te perken. Blijkens een onderzoek van de bioloog Frank van Eerdenburg in opdracht van de Dierenbescherming kan de schade oplopen tot duizend gulden per hectare. In Nederland wroeten naar schatting een paar miljoen mollen onder weiden en bossen.

Druppel

Op een snerpend koude middag gaat Frans bij een bevriende boer in de polder de uitgezette klemmen controleren. Pientere ogen in een blauw dooraderd, half geschoren gezicht. Al gauw hangt er van de kou een druppel aan zijn neus. “Ja, mollen vangen is altijd koude handenwerk. Een opvolger heb ik dan ook niet; de boeren zijn bezig om het zelf te leren.”

De vangst van vanmiddag is mager, zoals Frans al had voorspeld. “Ik heb verschillende klemmen staan, maar met dit koude weer wil het nog niet zo vleugen. Zodra het warmer wordt, gaat het harder. Ik heb wel dagen van zestig mollen gehad.”

De techniek om een klem te zetten, oogt bedrieglijk eenvoudig. Mollenvanger Frans zoekt een rechte 'rit', dat is een mollengang. Omdat nog maar kort geleden een trekker met mest over het land is gereden, kan Frans goed zien waar de verse ritten zijn gemaakt. Hij steekt met een plamuurmes een vierkantje grond uit om te kijken of de rit bewoond is. Met een pvc-buis prikt hij in de gangen. “Ja, dit is een bewoonde rit”, stelt hij vast als de buis aan beide kanten van het gat geen weerstand ondervindt. Een stukje plag gaat onderin het gat als 'dam' zodat de mol de klem niet in de gaten heeft. Voorzichtig de gespannen klem erin, het gat verder dicht en een stokje erbij om de klem later te kunnen terugvinden. Elke middag controleert Frans de klemmen.

Aan een dode mol valt niets meer te verdienen. “Vroeger kreeg je nog een gulden per vel. Toen was het nog de moeite om de mollen te villen en het vel op een plankje te spijkeren om te drogen. Maar er is geen vraag meer naar. Nu zijn de ooievaars er goed mee.” Als Frans de mollen bij de ooievaars brengt, gaan de vogels de lekkernij eerst 'voorweken' in een slootje. “Droog krijgen ze ze niet weg”, lacht hij.

Handwerk

Alle technologische ontwikkelingen ten spijt is er tegen de mol geen afdoende apparaat of middel gevonden. Het vangen is nog steeds handwerk: met de klem (waar Frans bij zweert) of met de steekschop. Een hond kan ook goede diensten bewijzen. Frans: “Ik heb een hele goeie hond gehad, die kon beter mollen vangen dan ik. Als je daarmee om een uur of vijf 's middags de polder in ging (dan gaan de mollen aan het werk), kwam je gegarandeerd met een paar mollen thuis.”

Intensieve mollenbestrijding is volgens het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij onontbeerlijk voor modern graslandbeheer. Honderd jaar geleden was het nog verboden om mollen te vangen. Bioloog Van Eerdenburg heeft voor de Dierenbescherming de verschillende vangmiddelen vergeleken, maar kan niet eenduidig zeggen welke het meest effectief zijn. Behalve met klemmen is het ook mogelijk mollen te vergiftigen (met strychnine of fosforwaterstof). Vergif helpt op zichzelf wel, maar heeft als bezwaar dat ook de op een boerenerf broodnodige honden en katten ervan eten en dood gaan. Tenslotte is er het planten van stinkend nieskruid, wolfsmelk en keizerskroon, waardoor mollen zouden wegblijven. Dat mollen op de vlucht slaan van een fles zonder bodem in de grond is volgens Frans “een fabeltje”. Door de fles zou de wind door het gangenstelsel gaan huilen en de mol de stuipen op het lijf jagen.

Een probleem bij de mollenbestrijding is dat het veelal 'ieder voor zich' is, signaleert bioloog Van Eerdenburg. “Dat heeft tot gevolg dat de lege gangenstelsels na een geslaagde bestrijding snel weer worden bevolkt door mollen uit naburige percelen. Voor de effectiviteit van de bestrijding en dus voor de beperking van onnodig dierenleed is het van belang dat de bestrijding in een bepaald gebied geïntegreerd wordt aangepakt.”

Mollenvanger Frans heeft op zichzelf niets tegen mollen, laat graag zien hoe mooi hun pels is en hoe venijnig scherp hun graafklauwtjes en tanden. Maar: “Je moet het bijhouden, anders is het end zoek en wordt het een chaos. Een voedstertje kan zes jongen per jaar krijgen, dus voor je het weet zit het vol mollen.” De boer nodigt Frans uit voor de thee. De dode mollen gaan in een plastic tas mee naar binnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden