De moeizame weg naar een moderne krankzinnigenverpleging

De tentoonstelling 'Wie ziet toe' is geopend van 14 t.m. 29 maart en is dagelijks van 10 tot 12.30 en van 14 tot 16.30 u open.

ALDERT SCHIPPER

Dat een krankzinnige ziek is, was toen een gewaagde gedachte. Pas in de 18e eeuw begrepen enkelen dat geestesziekte niet hetzelfde was als misdadigheid of bezetenheid door de duivel. Maar toen men inzag dat gek-zijn een soort ziekte was, kwam de twijfel of de leefomstandigheden in dol-, simpel- en verbeterhuizen wel deugden voor geesteszieken. Bij ziek-zijn hoort beter-worden en men ging zich dus afvragen of opsluiten voldoende was voor mensen die misschien konden genezen.

Het opsluiten van 'zinnelozen' gebeurde overigens niet willekeurig; burgemeester en rechter werden erin betrokken, maar toch gebeurde het wel dat een familielid door winstbeluste lieden in een dolhuis verdween. Napoleon voerde daarom wettelijke voorwaarden in voor onder curatele stelling.

In Engeland beval de arts Battie in 1758 in een boekje vriendelijkheid, ontspanning en afzondering aan als therapie voor geesteszieken. Vermoedelijk werd in de Franse tijd in Holland ook nagedacht over een humane behandeling van geesteszieken, want op het eerste besluit van Willem I volgde een serie wetten, die werden bekroond door de eerste Krankzinnigenwet en het besluit tot het instellen van het staatstoezicht, in 1841, vorig jaar dus 150 jaar geleden.

Vanwege dit jubileum is een tentoonstelling ingericht in het museum van het psychiatrisch ziekenhuis Coudewater in Rosmalen (bij Den Bosch). Het Staatstoezicht, sinds 1957 Inspectie voor de Geestelijke Volksgezondheidheeft veel betekend voor de humanisering van de verpleging van geesteszieken. De expositie laat er veel van zien, maar de patient komt weinig aan bod. Als er iets kritisch gezegd kan worden over de tentoonstelling, dan is het dat de inspectie menselijker is geweest dan deze toch wat bureaucratisch ogende uitstalling van documenten en portretten.

De wet van 1814 stelde de instellingen voor geesteszieken voor de keus te verdwijnen of te beantwoorden aan de eisen des tijds. De zieken verbleven toen in plaatsen, als dol-, gast-, verbeter-, krankzinnigen-, gods-, gevangen-, tucht-, simpel- of bedelaarshuizen, tot het Depot de Mendiancite in Luxemburg (met Nederland en Belgie, verbonden via de persoon van Willem I).

Uit een nationaal onderzoek bleek dat er 2 866 mensen opgenomen waren. De toestanden bleken slecht: belabberde voeding, mensen werden soms naakt opgesloten en onder de oppassers (M/V) troffen de rapporteurs gajes van allerlei slag. Toen de koning dat onder ogen kreeg, besloot hij dat het 'beter moest'. In 1818 kwam het 'Menschlievende Besluit' dat ten doel had 'de ongelukkigen te genezen'. De roep om verbetering werd steeds sterker en de koning schreef een prijsvraag uit naar de beste behuizing. De prijs werd in 1825 gewonnen door dokter Guislain, een arts in de zuidelijke Nederlanden.

Guislain was begaan met het lot van geesteszieken. Hij was geboren in 1797, hetzelfde jaar als J. L. C. Schroeder van der Kolk, hoogleraar anatomie en regent van het Willem Arntsz Huis, een van de drie huizen in de noordelijke Nederlanden, die door de onderzoekscommissie werden goedgekeurd. De twee overige stonden in Deventer en Zutphen.

Guislain en Van der Kolk spraken vaak over de onaanvaardbare toestanden en de noodzaak tot genezing van geesteszieken. Er werd toen veel verwacht van stortbaden. In een leerboek uit die jaren ziet men afbeeldingen van 'zinnelozen', die geheel gekleed water over zich krijgen, in de hoop dat hun geest rust zou vinden. Ook veel draaibewegingen zouden goed zijn om geest en hersenen de herordenen.

Om de greep op de instellingen te versterken, kwam in 1841 de eerste krankzinnigenwet, waarbij de provincies werd opgedragen te zorgen voor behuizing. Niemand mocht tegen zijn wil worden opgenomen zonder een rechterlijke machtiging. Instellingen waar aan genezing werd gedaan, werden 'geneeskundige gestichten', de andere waren 'bewaarplaatsen' en moesten zich omvormen of verdwijnen.

Er kwamen twee inspecteurs, Van der Kolk en de ambtenaar C. J. Feith, beiden bewogen mensen, die begonnen met een visite aan de 31 bestaande huizen. Ze constateerden misstanden, vooral in de bewaarhuizen en na 1884 werden die alle gesloten. Uit hun rapporten blijkt wat mensen in de inrichtingen uitvoerden. De vrouwen naaiden, maakten strozakken, werkten op de boerderij, pluisden touw, maakten pluksel, werkten in de keuken en de wasserij en 'hielden zich onledig met nuttige handwerken'.

De twee kwamen eens per drie jaar in de instellingen. Zij keken ook naar krankzinnigen buiten de gestichten. Heel wat psychiatrische verpleging, zeker wanneer de patient over enige middelen beschikte, vond plaats bij particulieren.

Willem I begon wetgeving om het lot van de geesteszieken te verbeteren. Er kwamen wetsverbeteringen in de loop der jaren en het in 1971 ingediende wetsontwerp Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) dat binnenkort wet wordt, sluit een lange reeks af.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden