Essay

De moderne mens koestert een tegenstrijdig ideaal

Beeld Jenna Arts

Hoe zijn wij, moderne mensen, geworden wie wij zijn? In zijn nieuwe boek 'De geest uit de fles' laat filosoof Ger Groot zien hoe ons mensbeeld zich in de afgelopen eeuwen heeft gevormd. 

Dat is niet alleen gebeurd in filosofische traktaten, maar via alle mogelijke culturele uitingen: literatuur, architectuur, de aanleg van tuinen, de inrichting van keukens en misschien nog wel het meest de muziek. Filosofie is overal.

Met de komst van populistische bewegingen is het begrip Leitkultur weer actueel. In de zeventiende en de achttiende eeuw was het volstrekt duidelijk wat er met dat begrip bedoeld werd: de Leitkultur was van Franse makelij. Overal in Europa vond ze navolging. In 1737 schrijft de latere Frederik de Grote spottend over het hof van zijn grootvader: “In korte tijd zag men het hof van Berlijn de aap van Versailles worden: alles werd nagedaan, het ceremonieel, de toespraken, de afgemeten pasjes, de afgepaste woorden, de grote musketiers, de lichte cavalerie, enzovoorts.”

De Duitse filosoof en mathematicus Gottfried Wilhelm Leibniz pleitte er daarom voor een academie op te richten ter ondersteuning van de Duitse taal en cultuur. Frederik I van Pruisen riep in 1696 inderdaad zo’n instituut in het leven: de Akademie der Künste, die nog steeds bestaat. Toch bleef Leibniz zijn leven lang in het Frans schrijven en zou ook een vorst als Frederik de Grote (alias Frederik II van Pruisen, 1712-1786), eenmaal aan het bewind gekomen, zijn hof tot een klein Versailles proberen te maken.

En toen de Franse publicist Antoine de Rivarol in 1784, twee jaar voor de dood van Frederik de Grote, een beroemd geworden rede hield over ‘de universaliteit van de Franse taal’, ontving hij ironisch genoeg een onderscheiding van dezelfde Berlijnse Akademie die was opgericht om het Duits te bevorderen, en werd Rivarol prompt tot lid ervan benoemd.

De Franse overheersing in cultuur en wetenschap verdween niet met de ondergang van het ancien régime. Integendeel: de Franse Republiek, gegrondvest op de universele rede, wierp zich met des te meer overtuiging op als het ‘vaderland’ van de menselijke rationaliteit.

Volkscultuur

Maar zo dubbelzinnig en afhoudend als de Pruisische vorsten zich tegenover hun eigen Duitse taal en cultuur verhielden, zo zelfbewust begonnen denkers, wetenschappers en kunstenaars tegen het eind van die eeuw hun eigen cultuur te omarmen en te exploreren.

De fluitmuziek die Frederik de Grote schreef ademde een kosmopolitische sfeer. Als ze al ergens plaatsbaar was, dan wel in de Franse traditie en haar ‘universaliteit’. 

Maar ga van Berlijn naar het Wenen van een halve eeuw later, en je hoort in de liederen van Franz Schubert een wereld van verschil. Niet alleen was het Duits in Schuberts werk de voertaal, ook putten de thema’s en vooral de vorm - het strofische lied - diep uit de eigen volkscultuur met haar sagen, verhalen, waarden en leefwijzen.

Schubert componeerde zijn lied ‘Der Erlkönig’ in 1815, op basis van een gedicht van Goethe, die het op zijn beurt ontleende aan een traditionele Deense ballade. Het lied vertelt hoe een vader en kind te paard door de nacht rijden en het kind met toenemende angst jammert dat de mythische elfenkoning hem dreigt weg te grissen. Met het heldere optimisme van de Verlichting heeft dit lied net zo weinig van doen als met de hoop dat de universele rede met haar licht alle duisterheid uit de wereld zal verjagen.

Berlijn kon daarna niet achterblijven. Een paar jaar later ging er de grote Duitse opera ‘Der Freischütz’ van Carl Maria von Weber in première, eveneens gebaseerd op een volkslegende. Het oer-Duitse ‘Jagerskoor’ is er het bekendste onderdeel uit gebleven.

Kluchtig en koddig

Natuurlijk had het volkse altijd al een plaats in de literatuur, het theater en zelfs de muziek gehad. Maar het werd zelden serieus genomen. Het vormde veeleer de tegenpool van de hoge, ontwikkelde cultuur, die zichzelf niet alleen als oppermachtig, maar ook als universeel beschouwde. 

Het volkse was vooral kluchtig en koddig. Tegen het einde van de achttiende eeuw kon Mozart, in een stuk dat veelzeggend ‘Een muzikale grap’ heet, nog de draak steken met een boerenblaaskapel waarvan hij de valse noten kunstig door zijn muziek heen componeerde. Hier klonk de provincie in al haar achterlijkheid.

Maar in diezelfde achttiende eeuw gaat de Duitse schrijver en filosoof Johann Gottfried Herder al dwars tegen het eeuwenoude primaat van de hogere cultuur in, door te benadrukken hoe plaatsgebonden culturen eigenlijk zijn. Leefregels, gewoonten en denkwijzen zijn bepaald door lokale omstandigheden, afkomst en samenhang. 

Waarden zijn niet universeel geldig en de mens wordt niet langer in de eerste plaats of zelfs uitsluitend bepaald door de ratio. “Ik ben hier niet om te denken, maar om te zijn, te voelen, te leven”, schrijft hij. En dat het Saksische gemoed anders is dan het Pruisische, en al helemaal anders dan het Parijse, daarover is volgens Herder weinig discussie mogelijk.

In de Romantiek moet de rationele algemeenheid als bindmiddel tussen de verschillende culturen veel terrein prijsgeven. Het specifiek menselijke wordt niet langer verbonden met datgene wat alle mensen gemeen hebben, maar afgelezen aan hun onderlinge verschil. Wat een mens maakt tot de mens die hij is, is datgene waarin hij afwijkt van anderen. En wat geldt voor het individu, geldt des te meer voor de groepen waarin het leeft: de clan, het volk.

Tekst loopt door onder illustratie. 

illustratie Jenna Arts Beeld illustratie Jenna Arts

Perifere naties

In het verlengde daarvan wordt de vroege negentiende eeuw de tijd van het grote volksonderzoek. Diverse kunstenaars en anderen beginnen te schatgraven naar de onverwisselbare eigenheid in de ziel van de natie. De dichters Achim von Arnim en Clemens Brentano verzamelden Duitse volksliederen in een bundel die onder de titel ‘Des Knaben Wunderhorn’ tussen 1805 en 1808 in drie delen van de drukpers rolde. ‘Alte Deutsche Lieder’ luidt de ondertitel veelzeggend, en de ene na de andere componist zet die volksliederen op muziek. Mahler, die dat bijna honderd jaar na de eerste druk doet, is de bekendste van hen.

Vooral perifere naties bezinnen zich op hun nationale identiteit, die uitdrukkelijk wordt ingezet tegen de pretenties van de Franse ‘universele’ cultuur. Er is met die laatste dan ook iets vreemds aan de hand. Frankrijk heeft zijn eigen aard, zegt men dan, maar de Fransen proberen hem als de universele aard van de mensheid aan de hele wereld op te dringen.

Het is geen toeval dat de wending naar het cultureel en nationaal eigene vooral in de Duitse staten op de voorgrond trad. Toen Madame de Staël in 1813 haar boek ‘De l’Allemagne’ (Over Duitsland) publiceerde, beschreef zij het land als de tegenpool van de Franse rationalistische en classicistische cultuur. Vanuit Frans perspectief was Duitsland tot dat moment een grotendeels onbekend ‘barbarenland’.

Maar volgens Madame de Staël konden nieuwe impulsen vanuit dit warmbloedige en ‘natuurlijker’ Duitsland de redding betekenen van de Franse cultuur, die langzamerhand wegzonk in bloedeloosheid. “Kachels, bier en tabaksrook scheppen rond de eenvoudige Duitser een soort zware, warme atmosfeer waar hij zich niet graag buiten waagt”, schrijft ze. Dat maakt het land buitengewoon ongeschikt als oorlogsnatie - een oordeel dat een eeuw later in Europa radicaal zal zijn omgeslagen.

Franse reus

Ook voor Madame de Staël mag het er in het Duitsland van de vroege negentiende eeuw wel wat zelfbewuster en nationalistischer aan toegaan. Langs andere lijnen, maar met hetzelfde oogmerk als Herder, roept ze de Duitsers op om trots te zijn op hun eigen natie en cultuur. Een cultuur die niet minder bestaansrecht heeft dan de Franse reus in wiens schaduw de Duitse verkeert.

Maar toen haar boek in 1813 verscheen, was het effect ervan anders dan Madame de Staël had verwacht. In plaats van te leiden tot een versmelting van Franse verlichtingsrationaliteit en Duitse romantische warmbloedigheid, werd het wezenlijk ónverenigbare karakter van beide naties er alleen maar door onderstreept. De wil tot het eigene en het sentiment dat zich uitdrukkelijk als ieders eigen sentiment uitdrukt, hebben langzamerhand de weg naar het universele afgesneden.

Deze wending naar het particuliere had effect op twee niveaus. Ze legitimeerde wat tot dan toe in de filosofie was afgewezen of als minderwaardig was beschouwd, omdat het steeds om het algemene was gegaan. En daarmee werd ook de hele denkrichting van de filosofie omgedraaid. Zowel het object (de cultuur) als het principe (de denkwijze) van de filosofie werd daarmee binnenstebuiten gekeerd. Het particuliere krijgt burgerrecht in een filosofie met een andere, nieuwe logica.

Zo vloeit de menselijke redelijkheid, die zich in de loop van de zeventiende en de achttiende eeuw als nieuwe soevereine universaliteit dacht te hebben gevestigd, onmiddellijk weer weg. ‘De’ rede is helemaal niet universeel, zegt het nationalisme. Beter gezegd: voor zover ze universeel is, raakt ze de kern van het persoonlijke en collectieve wezen van de mens niet.

Cultuurrelativisme

Ook om ‘de’ mens kan het immers niet gaan. Er zijn alleen maar concrete mensen en concrete volkeren. Datgene waaraan mensen hun identiteit en waarde ontlenen is niet in algemeenheden te vatten, maar onverwisselbaar. Die specificiteit is de grootste schat die ze hebben en van daaruit moeten ze dus worden begrepen.

Die nationale bewegingen ontstaan niet vanuit de wil andere volkeren te domineren of elimineren, maar als een verdedigingslinie tegen een hun vreemd beschavingsoffensief waarin ze hun eigenheid bedreigd zien. Hoe emanciperend het romantische nationalisme ook was, het zou op de langere termijn grimmige consequenties krijgen. 

Waar geen universaliteit meer heerst, is ook geen bemiddeling meer denkbaar, en wordt het onmogelijk de verschillende volkeren onder een gemeenschappelijke noemer te brengen. In het beste geval leidde dat tot onverschilligheid, in het ergste tot oorlogen en vernietigingscampagnes.

In de twintigste eeuw werd deze gedachte geformuleerd in het cultuurrelativisme, dat op zijn beurt problematisch bleek. We zien dat niet alleen terugkomen tussen de verschillende werelddelen, naties en cultuurgebieden, maar ook binnen de westerse samenlevingen zelf. 

Leefregels die, al dan niet op godsdienstige basis, door sommige (immigranten)gemeenschappen wezenlijk worden geacht voor hun identiteit, worden door de Leitkultur - die zichzelf vaak als universeel beschouwt - verworpen op grond van principes die zij op haar beurt onaantastbaar acht. Dan is het islamitisch hoofddoekje geen teken van culturele eigenheid meer, maar een affront van het principe van gelijkheid tussen man en vrouw.

Aan de andere kant wensen sommige minderheden het gebruik van hun culturele erfgoed uitdrukkelijk voor zichzelf te reserveren. Zo protesteerden studenten met een Aziatische achtergrond aan de universiteit van Ottawa met succes tegen de ‘culturele toe-eigening’ van yoga door het Westen. Yogacursussen die de universiteit had aangekondigd werden geschrapt.

En ook in de literatuur steken dergelijke kwesties de kop op. Kan een blanke auteur zich wel inleven in het bestaan van een gekleurde persoon, zo vragen niet-blanke schrijvers zich af, en mag hij die daarom wel tot personage in zijn roman maken?

Die vragen vloeien logisch voort uit de herwaardering van de eigen, onderscheidende identiteit die zich tegen het einde van de twintigste eeuw op een nieuwe manier tegen de gepretendeerde universaliteit van het denken ging verzetten. Feministische filosofen afficheerden zich uitdrukkelijk als vrouwelijke denkers, mensen van niet-blanke afkomst omhelsden hun ‘zwarte’ of postkoloniale identiteit, de Joodse filosofie emancipeerde zich onder die expliciete aanduiding.

Dat dit ‘exclusivisme’ op zijn beurt tot grote strijd en onbegrip kan leiden, is inmiddels duidelijk geworden. Een antwoord daarop is nog niet gevonden. Dat is misschien een veeg teken. In zijn hang naar universaliteit én zijn gelijktijdige gehechtheid aan de particuliere eigenheid, koestert de moderne mens een tegenstrijdig ideaal.

In ‘De geest uit de fles. Hoe de moderne mens werd wie hij is’ (Lemniscaat, 360 blz. € 34,50) beschrijft filosoof Ger Groot (1954) hoe ons mensbeeld zich de afgelopen eeuwen heeft gevormd. Groot doceert filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en is columnist van Trouw.

Op Trouw.nl en degeestuitdefles.com staan beeld- en geluidsfragmenten van kunstwerken die Groot noemt. Het boek wordt op 30 april geprenteerd in boekhandels Van der Meer (Noordwijk, 11:00 u) en Donner (Rotterdam, 14:00 u) en op 7 mei in Van Piere (Eindhoven, 14:00 u).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden