DE MIN VAN EEN HALVE BELG

Antwerpen is nu culturele hoofdstad van Europa. Antwerpen was de culturele hoofdstad van mijn jeugd en ik voel me dan ook zo ongeveer een halve Belg. Beter nog, "unnen 'aalve Bels" zoals ze dat in mijn Zuid-West-Brabantse geboortedorp Oud-Gastel met veel overtuiging kunnen zeggen.

PETER VAN DER LINT

Oud-Gastel ligt zo'n tien kilometer van de Belgische grens en tussen de vertrouwde omgeving uit mijn jeugd en het vlakke Vlaanderenland lag als obstakel alleen maar het saaie stadje Roosendaal, dat op geen enkele manier te vergelijken valt met Antwerpen.

Als Roosendaal door mijn ouders niet gekozen werd als uitstap- of boodschapdestinatie dan reisden we haast automatisch zuidwaarts door naar Antwerpen. Naar het in het oosten gelegen Breda, of naar Rotterdam in het noorden ging de reis veel minder vaak. Die steden lagen op ongeveer dezelfde afstand van ons dorp als Antwerpen, maar de verleiding van het zuiden was groter. Het was er waarschijnlijk gezelliger; lekkerder ook, met zelfs op zondag vers gebakken pistolets bij de bakkers in de schaduw van de kathedraal, gerookte hespen en pate's in de aspic bij de slagers. Om elf uur 's morgens, als Nederlanders aan een geurende kop koffie toe zijn, zaten grote Belgische madammen al aan een grote pint.

De grensoverschrijdingen in mijn jeugd waren iedere keer weer een soort mythische gebeurtenissen. Tegenwoordig race je over de grote weg langs een leeg hokje en een gedoofd stoplicht; je neemt niet eens meer snelheid terug. Vroeger was dat anders. Voorbij Roosendaal slingerde de weg zich door het dorpje Nispen en daar, aan het einde van de bebouwde kom was de douane, die nog naar een paspoort vroeg en op de terugweg naar eventueel gekochte sigaretten of iets dergelijks. Er stond zelfs nog een heuse, grote grenspaal. Als je die gepasseerd was, dan was je in het buitenland.

Een ietwat spannend moment was dat steeds, maar als teken dat je in Belgie was, had je die paal echt niet nodig. Als bij toverslag veranderde namelijk het landschap en in het eerste Belgische dorpje, Essen, stonden heel andere huizen dan in het Nispen van zoeven. Boven elke voordeur van die huizen hing een klein kapelletje met daarin een lichtblauw Mariabeeldje. Als spelletje en tijdverdrijf probeerden wij als kinderen er zoveel mogelijk te tellen.

Antwerpen had voor iemand die was opgegroeid met het bijna cultuur- en historieloze Roosendaal een ongekende allure. Het Centraal Station aan het Astridplein was een wonder van architectuur. Het museum van Plantin Moretus, het Rubenshuis en het Vleeschhuis ademden een rijke geschiedenis. De verschillende brede lei-en en de Meir met hun grote huizen en winkels voedden lang voordat ik stadsmens werd - mijn nieuwsgierigheid naar het grote stadsleven. Wat Antwerpen buiten de Zoo en de vogeltjesmarkt voor mij na verloop van tijd bovenal aantrekkelijk maakte, was de aanwezigheid van de Vlaamse Opera.

Mijn ouders houden van opera. In hun verlovingstijd fietsten zij vanuit Brabant naar Amsterdam. Ze bezochten daar de Nederlandse Opera in de Stadsschouwburg, sliepen bij een broer en fietsten de volgende dag weer terug naar Oud-Gastel. Over liefhebberij gesproken! Later gingen ze regelmatig naar de Vlaamse Opera en hun verhalen over de opera's die ze daar zagen, interesseerden mij in hoge mate.

'Carmen' van Bizet, de 'Toverfluit' van Mozart en het 'Gemaskerde Bal' van Verdi werden heftig besproken onderwerpen. Zoveel mogelijk probeerde ik aan de weet te komen over deze opera's die volgens traditie in Antwerpen in het Nederlands gezongen werden. De melodieen die de vorige avond bij mijn vader favoriet waren geweest, werden 's morgens op de draaitafel gelegd en de meegebrachte programmaboekjes werden van voor naar achter gelezen.

Inmiddels zingt men in de Vlaamse Opera de opera's weer in hun oorspronkelijke taal, maar mijn ouders hoorden Carmen in haar beroemde Habanera nog zingen over 'de min' in plaats van over 'l'amour'. Een vertaling in 'de liefde' was ritmisch gezien onmogelijk, en ik kan me goed voorstellen dat de zangeres veel moeite gehad moet hebben met het verleidelijk kleuren van de 'i'-klank; de Franse 'ou' is daar veel beter voor geschikt.

Opvallend in de verhalen van mijn ouders was de betrokkenheid bij de opera van alle personeelsleden van de Vlaamse Opera. Toen mijn moeder eens wegens een migraine-aanval de zaal midden in de tweede akte van Verdi's 'Gemaskerde Bal' moest verlaten, werd zij door een ouvreuse opgevangen. Deze probeerde zich zo goed en zo kwaad als het ging over haar te ontfermen. De Antwerpse vertelde haar onder meer dat zij wel heel erg met mijn moeder te doen had, omdat zij "juste tijdens zo'n schoon akt" de zaal had moeten verlaten.

Dit zijn jeugdherinneringen, die later in een breder perspectief kwamen te staan. Mijn ouders komen nog maar sporadisch in de Vlaamse Opera; ikzelf ben er uit hoofde van mijn beroep vaak te vinden. De Vlaamse Opera heeft zich de laatste jaren ontwikkeld tot een spannend muziektheater-instituut, waar tegelijk met de Vlaamse libretti-vertalingen de bordkartonnen decors zijn verdwenen.

Toen ik al in Amsterdam woonde, ben ik een keer met een vriend een weekje op vakantie geweest in Antwerpen. Het werd een soort her-ontdekking van de stad, die nog steeds gezellig, mooi en vol cultuur was, maar die in mijn grotere-mensen-blik haar eerdere grootsheid had verloren. Mijn culturele hoofdstad is het allang niet meer, maar de min voor Antwerpen blijft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden