De milieubeweging is zélf het grootste gevaar

De president van Tsjechië schreef onlangs een boek tegen wat hij het ’ecologisme’ noemt, de opvattingen van de huidige milieubeweging. „Het is geen toeval dat een groot aantal ecologisten weigert om de mens in het middelpunt van hun wereldbeschouwing te plaatsen.”

Het huidige verhitte en onredelijke debat over het milieu en de opwarming van de aarde is uitgegroeid tot de belangrijkste ideologische en politieke onderwerp van onze tijd. En dat terwijl het zonder twijfel een ’plaatsvervangend’ thema is.

De discussie over de vrijheid van het individu – ik wil beklemtonen dat het niet om een conflict over het milieu gaat – wordt namelijk via de omweg van dit thema gevoerd. Dat geldt vooral voor het ontwikkelde, rijke deel van de wereld en niet voor de minder ontwikkelde en armere landen, waar de mensen meestal met meer alledaagse zorgen worstelen. Maar juist de armere landen in dit conflict zullen aan het kortste eind trekken. Zij worden gegijzeld door milieuactivisten die een afremming van de menselijke vooruitgang bepleiten. De armsten zullen daarvan het slachtoffer worden.

De klassieke liberalen – een uitstervende mensensoort – hebben gelijk als ze stellen dat de grootste bedreiging voor vrijheid, democratie, markteconomie en welvaart niet meer uitgaat van het socialisme. En al helemaal niet van zijn extreme vorm, het communisme, dat wij aan den lijve hebben ondervonden. Nee, de grootste bedreiging gaat uit van de ambitieuze, arrogante en soms gewetenloze ideologie van de milieubeweging. Die is misschien ooit met de beste bedoelingen aan het milieuthema begonnen, maar heeft zich gaandeweg ontpopt tot een ecologisme dat nog maar weinig met het milieu heeft te maken.

Het is een wereldbeschouwing die radicaal en tegen elke prijs de wereld wil veranderen, ook als dat ten koste gaat van de vrijheid van het individu of zelfs mensenlevens. Het is een ideologie die de mens, zijn gedrag, de maatschappelijke orde en het waardensysteem wil veranderen. Kortom: alles.

Om de lezer niet op de gedachte te brengen dat ik mij met de natuur- en milieuwetenschappen bemoei, zou ik willen beklemtonen dat het ecologisme niets heeft te maken met de natuurwetenschappen en al evenmin met de sociale wetenschappen, ook al beweegt het zich op die terreinen. In dit verband getuigt het ecologisme van (sommige) natuurwetenschappers van grote argeloosheid. Op het terrein van hun eigen discipline passen zij wetenschappelijke principes strikt toe, maar zij vergeten deze zodra ze het ecologische pad opgaan.

Hoewel het ecologisme wetenschappelijke pretenties heeft, is het in wezen een metafysische ideologie, die weigert de wereld, de natuur en de mensheid te zien zoals ze zijn. Het ecologisme weigert de natuurlijke evolutie te erkennen en verabsoluteert de huidige toestand van natuur en wereld. Bij deze opvatting beroept het zich op een onaantastbare norm, waarvan elke afwijking als fatale bedreiging wordt voorgesteld.

In een lezing die Al Gore enige tijd geleden in New York hield, stelde hij uitdrukkelijk dat „we met een planetaire catastrofe worden geconfronteerd”. En als we daar de komende tien jaar niets tegen doen, dan zal er een „onafwendbare verstoring van de leefbaarheid van onze planeet” plaatsvinden.

Bij dit soort uitspraken wordt vergeten dat gedurende de gehele geschiedenis de planeet – de vorm van het vasteland, de wateren, de samenstelling van de flora en fauna, de ontwikkeling van de atmosfeer – aan voortdurende veranderingen onderhevig is geweest. En dat gebeurde zowel onder invloed van ingewikkelde endogene, natuurlijke processen, als van exogene factoren die door ons niet te beïnvloeden zijn, zoals de werking van de zon.

De laatste duizenden jaren is ook de mens een factor geworden. De ecologisten – en dat is eigenlijk wel symbolisch – beschouwen de mens uiteindelijk als een exogene factor. Door menselijke activiteiten veranderden het landschap, de toestand van flora en fauna en deels het plaatselijke klimaat. Tegelijkertijd is het onduidelijk hoe belangrijk de werkelijke invloed van de mens hierop is, of is geweest – met uitzondering van lokale veranderingen.

Zouden de huidige criteria van ecologisten op de verschillende fasen in de ontwikkeling van de mensheid worden toegepast, dan zouden we tot de conclusie moeten komen dat wij getuige en oorzaak zijn van een permanente ecologische catastrofe. Wij hebben immers de oorspronkelijke biotopen in cultuurlandschappen veranderd, de oorspronkelijke flora en fauna verdrongen en in agrarisch cultuurlandschap omgezet.

Het gezonde verstand leert ons dat dit onzin is. Het rooien van oerbossen in onze contreien was vanuit het gezichtpunt van de ecologisten ongetwijfeld een verschrikkelijke milieucatastrofe, maar daarvoor in de plaats kwam ons huidige cultuurlandschap, dat niet alleen om esthetische redenen een meer dan aanvaarbare schadeloosstelling vormt.

Ecologisten hangen een antimenselijke ideologie aan. Als fundamentele oorzaak voor de problemen van de wereld ziet het de verbreiding van het species homo sapiens. Als gevolg van de ontwikkeling van zijn intellect en vermogen om de natuur te veranderen en te gebruiken voor de expansie van zijn soort, heeft de mens zich ontworsteld aan de traditionele beperkingen van de natuur. Het is geen toeval dat een groot aantal ecologisten weigert om de mens in het middelpunt van hun wereldbeschouwing te plaatsen.

Je kunt van mening verschillen of de term antropocentrisme een correcte en toepasselijke kwalificatie is voor de tegenovergestelde opvatting, maar het vormt een onlosmakelijk onderdeel van mijn eigen opvattingen.

Er bestaat geen vooraf bepaalde optimale toestand van de wereld, die wij zouden moeten beschermen. De toestand van de wereld is het resultaat van een interactie tussen een enorm aantal kosmische, geologische, klimatologische, en vele andere factoren, inclusief elementen van de levende natuur, die altijd op zoek is naar de beste voorwaarden voor haar reproductie.

De houding van de ecologisten ten opzichte van de natuur lijkt veel op de marxistische opvattingen over de wetten van de economie. Ook zij pogen de spontaniteit van de ontwikkeling van de wereld door een beweerde optimale, centralistische of – zoals men tegenwoordig zegt – door een mondiaal geplande ontwikkeling van de wereld te vervangen. Evenals andere utopieën, is deze alleen te verwezenlijken door het beperken van de vrijheid, en door het dictaat van een kleine minderheid die haar wil oplegt aan de overgrote meerderheid. Het gaat natuurbeschermers om het opwekken van onbehagen door te wijzen op een gevaar van onvoorstelbare omvang. Daarbij dient de actualiteit van de bedreiging op geloofwaardige wijze over het voetlicht te worden gebracht. Als het lukt om een dergelijke sfeer te creëren, volgt daaruit een noodzaak tot handelen, en wel snel en onmiddellijk. Daarbij mogen we ons niet door kleinigheden laten hinderen. Onderzoek naar de kosten van de benodigde maatregelen is overbodig geworden. Ook de langzame procedures van de parlementaire democratie dienen opzij te worden gezet.

We moeten niet wachten tot de gemiddelde burger begrijpt wat er aan de hand is, maar onmiddellijk beslissingen nemen – waarbij natuurlijk degenen die weten waar het om gaat, bepalen wat er dient te gebeuren.

Het is geen toeval dat het ecologisme zich eerst richtte op de kwaliteit van het water in de rivieren en meren en op de smog in de industriële gebieden. Vervolgens ging de aandacht uit naar de uitputting van de natuurlijke hulpbronnen (het eerste rapport aan de Club van Rome: ’Grenzen aan de groei’). In navolging van Thomas Robert Malthus kondigde het een bevolkingsexplosie aan. Het richtte zich voorts op DDT, pesticiden en andere chemische stoffen en verbindingen. Het ontdekte de zure regen, waarschuwde voor het uitsterven van dier- en plantensoorten, smeltende gletsjers, het rijzen van de zeespiegel, het gevaar van het zogenoemde ozongat en uiteindelijk het broeikaseffect en de opwarming van de aarde.

Enkele van deze verschijnselen raakten snel in de vergetelheid, omdat zij door menselijk handelen effectief werden opgelost.

De afgelopen honderdvijftig jaar hebben socialisten geprobeerd de vrijheid van de mens weten te vernietigen. Zij deden dat met humaan klinkende leuzen over de mens, ’sociale gelijkheid’ en eigendom. De ecologisten doen hetzelfde onder het motto van het belang van de natuur en voor een nog hoger, bovenmenselijk goed – denk aan de radicale leuze: ’Earth First’. Maar in beide gevallen waren (en zijn) deze leuzen alleen een voorwendsel. In beide gevallengaat het enkel om de macht van de uitverkorenen, waartoe zij zichzelf rekenen, over andere mensen. Het gaat om het opdringen van de enige juiste wereldbeschouwing, om de verandering van de wereld.

De Amerikaanse sciencefictionauteur Michael Crichton omschrijft het ecologisme als ’een van de machtigste religies van de westerse wereld’: „Het kent een oorspronkelijk paradijs, een toestand van eenheid met de natuur, de verdrijving uit het paradijs, nadat men de vruchten heeft gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad, en het laatste oordeel.”

Kritiek op het ecologisme wordt tegenwoordig – en niet alleen bij ons in Tsjechië – slechts door een minderheid gedeeld. In het huidige intellectuele klimaat, in het bijzonder in de VS, Europa en bij de Verenigde Naties, worden de sceptici als politiek niet correct beschouwd, waardoor hun opvattingen in de publieke discussie onderbelicht blijven. Maar ze zijn er wel.

Ik noem uit mijn eigen land de minister voor industrie en handel, Martin Ríman, al jaren de belangrijkste anti-ecologist in Tsjechië. Ivan Brezina maakt in zijn artikel ’De hogepriester van de opwarmingsreligie is naakt’ korte metten met de schijnheiligheid van mensen als Al Gore. Op dezelfde manier ziet ook een andere Tsjechische econoom, Karel Krí*, het ecologisme als een ’nieuwe religie’. Hij vraagt zich ironisch af: „Wie draagt de verantwoordelijkheid voor het verdwijnen van de gletsjers in het Boheemse woud en het Reuzengebergte? Het prehistorische volk van de urnenveldencultuur?’’

Het conflict met het ecologisme kent nog een ander aspect. Zoals sommigen wellicht bekend is, neem ik al geruime tijd stelling tegen de afwijzing van het links-rechtsschema in de politiek. Het suggereren van een zogenaamde ’derde weg’ impliceert dat het links-rechtsconflict voorbij zou zijn. Daarvan is naar mijn idee geen sprake. En wij worden daaraan herinnerd door het verleden en de daarmee verbonden gruwelen. In de periode van het fascisme werd namelijk op diezelfde manier geargumenteerd.

Ik ben het eens met Peter Staudenmaier die in zijn boek ’De groene vleugel van een nazistische partij en zijn historische voorgangers’ stelt: „De leus waarvoor vele huidige Groenen zo opkomen: ’We zijn links noch rechts, we zijn in de voorhoede’, is niet alleen historisch gezien naïef, maar ook politiek fataal.”

Niettemin vraag ik mij af of ik inzake de links-rechtskwestie niet een stap terug moet doen. Ik zou het oorspronkelijke links-rechtsschema kunnen verdedigen door een simpele verwijzing naar het feit dat het ecologisme niets anders is dan de moderne belichaming van de traditionele linkse oriëntatie. Maar ik weet niet of dat zou helpen. De betekenis van sommige woorden is nu eenmaal ingeburgerd en het heeft wellicht geen zin om ze opnieuw te definiëren. Maar daarover wil ik nu geen principiële beslissingen nemen.

Per slot van rekening was ook onze strijd in Tsjechië in het begin van de jaren negentig – de strijd tussen de voorstanders van het klassieke liberalisme en de ideologen van ’de burgermaatschappij’ – geen klassiek links-rechtsconflict. De niet-liberalen stonden voor een vreemd mengsel van moraliserende stellingen over het gedrag van de mens, zeer verouderde meningen over de markt en andere belangrijke sociaal-economische instituten. Maar er was geen sprake van de klassieke linksigheid.

Een aantal auteurs wijst op het historische verband tussen het ecologisme en andere ideologieën, vooral het fascisme. De genoemde Peter Staudenmaier heeft de zogeheten noemde ’groene vleugel’ van het Duitse nationaal-socialisme systematisch onderzocht. Hij wees op belangrijke ’ideologische raakvlakken’. En hij vestigt de aandacht op de völkische Bewegung, die al in de tweede helft van de negentiende eeuw opkwam en die „het etnocentrische populisme verenigde met het natuurmysticisme”.

De aanhangers van deze beweging beschouwden „de vermeende overdreven betekenis die men aan de mens in het algemeen toekende” als de kwaadaardigste karaktertrek van de Europese burgerlijke beschaving. „De mens was voor hen een onbelangrijk schepsel in vergelijking met de uitgestrektheid van het heelal en de geweldige krachten van de natuur.” Staudenmaier stelt vast dat door het „mengsel van het etnocentrische fanatisme, de reactie op de afwijzing van het moderne leven en een oprechte interesse in milieuvraagstukken, een ongewoon krachtige brouwsel ontstaat”.

Hij schenkt ook aandacht aan het essay van Ludwig Klages, ’Mens en de Aarde’ uit 1913, dat volgens hem op bijna alle hoofdthema’s van de hedendaagse ecologische beweging vooruit liep. Klages wees op het snelle uitsterven van dier- en plantensoorten, de verstoring van het evenwicht van de mondiale ecosystemen, de ontbossing, de ondergang van inheemse culturen en van de wildernis, de groei van de steden en de toenemende vervreemding van de mens van de natuur. Het werk van Klages is volgens Staudenmaier „een aanval op het rationele denken als zodanig”. Het is voor mij tekenend dat dit stuk in 1980 opnieuw werd uitgegeven als een gewaardeerd en belangrijk werk dat, zoals ik bij Staudenmaier lees, aan de wieg van de Duitse Groenen heeft gestaan.

Het is niet mijn bedoeling om historische parallellen uit te vergroten, maar we mogen ze toch ook niet negeren. We dienen ons er steeds bewust van te blijven.

Ik beschouw het ecologisme als de belangrijkste antiliberale, populistische ideologie van onze tijd. Het heeft geen zin om oude, allang achterhaalde oorlogen te voeren, en te twisten met tegenstanders die niet meer in staat zijn om ’een opstand der horden’ te mobiliseren. De ecologisten van tegenwoordig zijn daartoe wél in staat.

Een econoom vraagt zich niet af of deze of gene ecologische verandering wel of niet geschiedt. Daarvoor biedt zijn discipline hem geen houvast. Hij richt zich op de vraag in hoeverre verschillende economische factoren daarop van invloed zijn. In het bijzonder wil hij weten hoe deze veranderingen dienen te worden beoordeeld en gewaardeerd. Juist daardoor kan de economie een bijdrage leveren aan de ecologische problematiek. Economen houden zich doelgericht bezig met andere maatschappelijke systemen. Ook niet-economische verschijnselen kunnen het onderzoeksonderwerp van de economie zijn. Het gaat ze om het menselijk gedrag

Ik stel vast dat economen zinvolle inzichten hebben ontwikkeld over de eindigheid van hulpbronnen in het licht van de technische vooruitgang, en dat ze hierin fundamenteel van de ecologisten verschillen. In tegenstelling tot ecologisten vormen economen ook geen politieke beweging .

Het gaat mij niet om een breed opgezette ideeënstrijd, want die is elders en op een andere manier gaande. Het gaat mij om een aantal elementaire, primair economische stellingen en concepten dat door de voorstanders van de ecologische opvatting meestal wordt genegeerd. En hoe ik mij ook inspan, ik ben er nog steeds niet achter of mensen deze opvattingen met opzet negeren of dat het daarbij puur gaat om gebrek aan kennis over beginselen die al eeuwenlang bekend zijn.

Václav Klaus is econoom en president van Tsjechië. Dit artikel is een bewerking van het eerste hoofdstuk uit zijn boek ’Blauwe planeet in groene kluisters’, dat onlangs bij uitgeverij Quantes verscheen (vertaling: Katka Winter-Vajnorská enJohann Grünbauer, ISBN 9789059590496) Zie ook www.klaus.cz .

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden