De milde kant van de Inquisitie

Was de Vaticaanse Inquisitie echt zo meedogenloos? Nee, stelt Leen Spruit. Ze was voor die tijd terughoudend, en bevorderde zelfs een eerlijke rechtsgang.

Zeg 'Inquisitie' en je denkt aan martelen, censuur, boekverbrandingen, levend begraven en rokende brandstapels. Dat beeld is bepaald door de Spaanse inquisitie, ingesteld door de Spaanse vorst Filips II en de hertog van Alva in de zestiende eeuw en gericht tegen Joden.

Er was ook een andere Inquisitie, die van het Vaticaan. Die had een januskop: soms hard, maar ook met zoveel oog voor een eerlijk proces dat ze de moderne rechtsgang heeft bevorderd.

Neem de zaak van de 22-jarige Robert Brown, een protestantse Schot van de Orkneyeilanden die werd beschuldigd van ketterij. Op 3 juni 1597 besluiten de kardinalen-inquisiteurs van de Romeinse Inquisitie ('Congregatie van het Heilig Officie') dat Brown zijn ketterse geloof moet afzweren. Tijdens dezelfde vergadering wordt besloten dat de uit Friesland afkomstige filosoof Henricus de Veno, oftewel Henk van Veen (ca. 1574-1613), die was aangegeven door Brown en intussen was gearresteerd, in de gevangenis van de Inquisitie moet blijven.

We weten niet wat Brown had bewogen om Van Veen aan te klagen, maar het zit er dik in dat zijn strafmaat er gunstig door beïnvloed werd. Brown wordt al na een maand uit de gevangenis ontslagen, met toestemming om de kerkelijke staat te verlaten.

In de herfst besluit Van Veen op te biechten dat hij tot zijn achttiende jaar het calvinisme aanhing, maar dat hij omstreeks zijn 23ste afstand heeft genomen van dit ketterse geloof. Dat overtuigt de kardinalen niet. Ze sturen eerst een Nederlandse priester op hem af en in het voorjaar van het jaar daarop de theoloog en historicus Gerard Vossius om hem over te halen een volledige bekentenis af te leggen.

Dit leidt tot het gewenste resultaat, want in juni 1598 krijgt ook Van Veen te horen dat hij zijn ketterij moet afzweren. Hij accepteert het vonnis en binnen een week is hij op vrije voeten. Van Veen keert dus terug in de moederkerk. Hij zal hier niet veel ruchtbaarheid aan gegeven hebben, want eenmaal terug maakt hij carrière aan het bolwerk van het rechtzinnig calvinisme: de Universiteit van Franeker.

Dit waargebeurde verhaal nuanceert het clichébeeld over de inquisitie als instituut van onnoemelijke wreedheden. Geen misverstand: martelen was tot diep in de achttiende eeuw, voor kerkelijke maar ook voor civiele rechtbanken, een volstrekt legaal middel 'om achter de waarheid te komen'. Ook boekverboden waren in de zestiende en zeventiende eeuw aan de orde van de dag - zowel in katholiek als in protestants Europa. De brandstapel blijft natuurlijk het grimmige symbool bij uitstek van de katholieke intolerantie tegenover andersdenkenden, maar eenzelfde lot trof de Spanjaard Michael Servet in het Genève van Calvijn. En het aantal in protestants Duitsland verbrande heksen overtreft dat van de in Italië veroordeelde vrouwen ruimschoots.

De inquisitie bestreed ketterij- een euvel net zo oud als het christendom zelf. Vanaf de eerste eeuwen streden bisschoppen, kerkvaders, en later de paus tegen bewegingen als de gnostiek en het nestorisme met zijn onjuist geachte ideeën over de goddelijkheid van Christus. Tijdens de Middeleeuwen begon de inquisitie ketterij georganiseerd te bestrijden.

Meestal werden inquisiteurs plaatselijk en tijdelijk ingezet, veelal in opdracht van de bisschop, om een specifieke vorm van ketterij te bestrijden. Zo moest ketterjager Bernard Gui in Umberto Eco's 'De naam van de roos' een oplossing vinden voor het voortslepende conflict over bezit en armoede tussen de franciscaanse minderbroeders en de paus.

De Reformatie, die zich eerst in Noord-Europa verspreidt, maar na enkele decennia ook talloze volgelingen telt in Italië, zorgde voor een kentering. Als alle hoop op een vergelijk met Luther en zijn volgelingen verkeken is, richt paus Paulus III in 1543 de Romeinse Inquisitie op. Deze organisatie van kardinalen en ondersteunende functionarissen had de hele wereld als haar werkveld, maar haar gezag werd alleen erkend in Centraal- en Noord-Italië, en enkele buitengebieden zoals Malta en Avignon. Zuid-Italië was in handen van Spanje en de Spaanse overheid nam haar eigen Inquisitie mee. In andere katholieke landen, zoals Frankrijk, was het bestrijden van ketterij een staatszaak.

Ketterij, wat is dat? Zestiende-eeuwse Inquisitiehandboeken definiëren haar als een bewuste afwijking van de ware leer. Er zit dus een leerstellig en een psychologisch element in. Je moet overtuigd zijn van wat je beweert, en dat openlijk uitdragen. Een dronkelap die twijfels uit over de maagdelijke geboorte van Christus is nog geen ketter. En wie bij zichzelf denkt dat Christus eigenlijk alleen een uitzonderlijk mens is, maar dat niet propageert, is geen ketter (wel een zondaar die te biecht moet bij een priester). Bovendien: je kunt pas van de ware leer afdwalen, als je die gekend hebt. Joden en moslims vallen dus af, maar ook geboren protestanten (zoals onze Henk van Veen) vormen een categorie apart, waar niet te hard tegen opgetreden dient te worden.

Het openlijk aanhangen en propageren van ketterse ideeën was een ernstige misdaad, even erg als majesteitsschennis. Dit rechtvaardigde harde maatregelen. Maar die misdaad moest wel eerst bewezen worden. Dit betekende dat een verdachte een leerstelling, uitspraak of denkbeeld aanhing die duidelijk inging tegen een bijbelcitaat, een conciliebesluit, een pauselijke bul of een artikel uit het kerkelijk recht. Alleen in deze gevallen was er sprake van 'formele' ketterij (haeresis formalis).

Voor andere soorten dwaalleer bestond een fijnmazige casuïstiek: 'fout', 'naar ketterij riekend', 'verkeerd klinkend', 'beledigend voor vrome oren', 'roekeloos', 'schandalig', 'blasfemisch', 'schismatisch', enzovoort.

Een 'foute' stelling is de beschuldiging dat de clerus zondigt tegen de wet van Christus door zichzelf te verrijken. De Kerk ging ervan uit dat ze wel bezit mocht hebben, maar dat was nergens juridisch vastgelegd; de armoedebeweging die de weelde en rijkdom van Rome bestreed, verzette zich dus eigenlijk alleen tegen een 'gewoonte', waar geen precieze bindende regels voor bestonden.

Naar 'ketterij riekend' is de uitspraak dat de Bijbel fouten bevat; op typografisch niveau kan dit immers niet uitgesloten worden.

'Verkeerd klinkt' Luthers motto dat de mens door geloof naar de hemel gaat; dat is op zichzelf geen ketterij maar het opende wel de weg naar een protestantse uitleg: dat goede werken of zelfs de rk kerk zélf overbodig zouden zijn.

De Inquisitie was gemodelleerd naar de strafrechtbanken van die tijd. Zij diende te handelen niet ad instantiam partis, sed ex officio, 'niet op verzoek van een partij, maar krachtens ambt'.

In de praktijk ging ze pas tot actie over na een aanklacht, van buren of wie dan ook. De bewijslast lag bij de aanklager, de schuld moest worden aangetoond door een formeel bewijs. Alleen ketterij of sterke verdenking van ketterij rechtvaardigden arrestatie.

De Romeinse Inquisitie introduceerde nieuwe elementen in de juridische praktijk, zoals de advocaat, getuigenis onder ede, het principe 'één getuige geen getuige', inzage in de processtukken door de verdachte, een pro-deoverdediger voor behoeftige arrestanten en detentie als straf (in plaats van lijfstraffen of verminking).

Van deze ingebouwde garanties was die van de ongeldigheid van één enkele getuige van cruciaal belang: het smoorde individuele wraakacties (veel voorkomend bij aanklachten wegens hekserij) in de kiem.

Die garanties waren zeker geen wassen neus. Talloze processen, naar schatting meer dan de helft, liepen met een sisser af; zonder vonnis, met vrijspraak of een milde veroordeling.

Zware straffen werden natuurlijk wel degelijk opgelegd. Zo belandden priesters die probeerden vrouwen te verleiden onder de biecht vaak op de pauselijke galeien als roeiers. De situatie werd echt ernstig als een verdachte zijn ketterse overtuigingen niet wilde herroepen, of al eens eerder wegens ketterij veroordeeld was. Dan werd hij overgeleverd aan de 'seculiere arm', de civiele rechtbank dus, wat meestal neerkwam op een doodvonnis.

Dit gebeurde in één à twee procent van de gevallen (de Spaanse Inquisitie scoorde met vijf procent doodvonnissen aanmerkelijk hoger), in totaal nog geen honderd doodvonnissen.

Als het vooronderzoek dat rechtvaardigde, werd van het proces een dossier aangelegd. Helaas zijn die dossiers bijna allemaal verloren gegaan. Niet omdat de kerk ze heeft verduisterd of vernietigd, zoals menig Dan Brown-adept denkt. In 1810, tijdens zijn conflict met paus Pius VII, beval Napoleon dat de Vaticaanse archieven moesten worden vervoerd naar Parijs. Die van de Inquisitie en de Index voor verboden boeken waren het eerst aan de beurt. Tijdens de reis verdwenen twee wagens in een snelstromende rivier in de buurt van Parma.

Pal na de val van Napoleon organiseerde de pauselijke functionaris die het vervoer van de collecties had begeleid het transport terug naar Rome. Maar zijn beperkte budget noopte tot een 'selectie': bijna de gehele sectie met processtukken werd als oud papier verkocht of verdween direct in de papiermolen. Het gerucht ging dat de vis in de Hallen werd verpakt in documenten van het Heilig Officie. Slechts enkele dossiers, waaronder dat van Galilei, overleefden deze slachting.

Om de processen te reconstrueren, zoals die tegen tegen Brown en Van Veen, zijn we aangewezen op de notulen van de inquisitievergaderingen. Die zijn vaak zo summier (ze verwijzen voortdurend naar de dossiers) dat niet valt op te maken wat de verdenking precies was.

De Romeinse Inquisitie was, in ieder geval in Italië, een geoliede machine, met een centrale commissie in Rome die twee à vier keer per week vergaderde. Verder zetelden in de belangrijkste Italiaanse steden tientallen inquisiteurs, vooral in het Noorden, waar het gevaar van infiltratie van verdachte boeken en ideeën het grootst was door de nabijheid van Zwitserland en het protestantse deel van Duitsland.

De lokale inquisiteurs lichtten de centrale vestiging in Rome in over belangrijke plaatselijke processen. Rome maakte elke woensdag een selectie van hot items en legde die op donderdag aan de paus voor. De Inquisitie was - en dat is bijzonder - de enige congregatie waarvan de paus vanaf het begin de prefect (voorzitter) was; als belangrijkste organisatie binnen de katholieke kerk ging ze de suprema heten.

Dat bleef zo tot begin twintigste eeuw, toen de congregatie voor de Index van verboden boeken bij de Inquisitie werd gevoegd. Pas in 1965 werd de Inquisitie onder Paulus VI grondig gereorganiseerd. Zij staat niet langer onder direct gezag van de paus, en heet nu Congregatie voor de Geloofsleer. Klinkt minder beladen, maar de controle op de rechte leer gaat onverminderd door.

De huidige paus Joseph Ratzinger vond het nadat hij in 1981 prefect van de Congregatie was geworden, nodig de Nijmeegse theoloog Schillebeeckx op het matje te roepen voor zijn opvattingen over Christus en de opstanding.

Tot voor kort was het historisch onderzoek naar de activiteit van de Inquisitie gericht op individuele gevallen, zoals de processen tegen Giordano Bruno en Galileo Galilei.

Die zijn al sinds de Verlichting typerend voor de strijd tussen de katholieke kerk en de moderne wetenschap.

Dit pakte niet erg positief uit voor de kerk van Rome, die vooral in het negentiende-eeuwse Italië verantwoordelijk werd gehouden voor culturele neergang en het fnuiken van wetenschappelijke vooruitgang.

De kerk heeft die beeldvorming in de hand gewerkt. Systematisch onderzoek dat het cliché had kunnen corrigeren, was tot voor kort onmogelijk. De historische archieven bleven gesloten, onderzoekers kregen alleen bij hoge uitzondering toestemming de stukken in te zien. Pas sinds 1998, toen het archief van de Inquisitie eindelijk openging, is grootschalig onderzoek mogelijk en hebben we een beter inzicht gekregen in de procedures en criteria van de katholieke censuur.

Anders dan klakkeloos wordt aangenomen, had de kerkelijke vervolging van wetenschappers en filosofen meestal weinig te maken met hun wetenschappelijke ideeën. Veel van hen kregen een proces aan hun broek, of hun werken werden op de Index van verboden boeken geplaatst vanwege het simpele feit dat ze protestant waren of omdat ze zich bezighielden met verdachte zaken als astrologie en magie.

Ook veel ideeën en boeken die tegen Aristoteles en zijn volgelingen of commentatoren ingingen werden als verdacht of gevaarlijk beschouwd. Diens filosofie vormde vanaf de dertiende eeuw (vooral dankzij Thomas van Aquino) een geheel met de scholastieke theologie: met Aristoteles toonde men aan dat een groot deel van het katholieke geloof (zoals over het bestaan van God) een redelijke basis had.

Hieraan morrelen betekende het gehele bouwwerk, dus inclusief de geopenbaarde waarheden, in gevaar brengen.

Wetenschappelijke werken met een sterk technische inslag, die in de regel in het Latijn waren geschreven, werden niet als gevaarlijk beschouwd; wel de popularisering ervan. Copernicus' 'Over de omlopen van de hemellichamen' verscheen in 1543, maar het boek werd pas veroordeeld toen er na meer dan zeventig jaar een populariserend werkje in het Italiaans verscheen dat het nieuwe wereldbeeld in toegankelijke bewoordingen uiteenzette. In 1616 besloot Rome dat zolang er geen empirische bewijzen waren dat de aarde om de zon draaide (en die kwamen er pas na tientallen jaren), dat nieuwe wereldbeeld - heliocentrisme - alleen als hypothese mocht worden gepresenteerd. Copernicus werd met nog wat auteurs op de Index van verboden boeken geplaatst, en de Index verbood ook elk werk waarin het heliocentrisme openlijk werd verdedigd.

Dit verklaart ook waarom Galilei met zijn in het Italiaans gepubliceerde 'Dialoog over de twee belangrijkste wereldsystemen, het ptolemeïsche en copernicaanse' in 1633 in de problemen kwam.

De woordvoerder van het nieuwe wereldbeeld komt veel overtuigender over dan zijn geocentrische gesprekspartner. Dat deze laatste ook nog eens de naam Simplicio droeg (wat verdacht veel leek op het Italiaans voor 'onnozele hals'), tastte zijn gezag en geloofwaardigheid verder aan. Dit schoot de paus in het verkeerde keelgat: hier was geen sprake meer van een evenwichtige afweging van twee gezichtspunten. Galilei werd uiteindelijk gedwongen zijn denkbeelden te herroepen.

Ook Newton was een overtuigd aanhanger van Copernicus, maar zijn Latijnse turf 'De wiskundige beginselen van de natuurfilosofie' (1687) bleef buiten schot. Wie worstelt zich ooit door al die mathematische formules heen, zal Rome gedacht hebben. Wel worden Voltaire's Franse bewerking van Newtons filosofie en Francesco Algarotti's 'Het newtonisme voor de dames' in de ban gedaan, want die konden zomaar op elke salontafel terechtkomen.

De criteria voor veroordeling waren niet altijd eeuwigdurend. Het heliocentrisme werd in 1758 van de Index van verboden boeken geschrapt, maar niet de werken waarin het verdedigd werd. In 1820 kreeg de Romeinse kanunnik Giuseppe Settele na veel geharrewar toestemming om een astronomisch handboek te laten verschijnen waarin het heliocentrisme als een wetenschappelijke waarheid werd gepresenteerd. Toch heeft het nog tot 1992 geduurd totdat Galilei werd gerehabiliteerd.

Dat wil nog niet zeggen dat de kerk op alle veroordelingen en executies terugkomt. Voor Giordano Bruno, die in 1600 op de brandstapel belandde, zit rehabilitatie er niet in; dat heeft de Heilige Stoel met zoveel woorden duidelijk gemaakt op zijn 400ste sterfdag in 2000. Niet vanwege zijn enthousiaste verdediging van het copernicanisme, zoals je vaak hoort, want die speelde in zijn proces eigenlijk nauwelijks een rol. Zijn onverbloemde ontkenning van de incarnatie (God is mens geworden) en de Drie-eenheid en zijn nietsontziende satirische kritiek van kerkelijke praktijken zijn uitdrukkingen van een moderne, seculiere mentaliteit die de kerk nog steeds ziet als volstrekt onverenigbaar met haar eigen boodschap.

IEDER ZIJN EIGEN MARTELAAR
Het begrip 'martelaar' roept tegenwoordig vooral associaties op met de islam, maar tot ver na de Tweede Wereldoorlog dacht iedreen bij 'martelaar' aan christenen die om hun geloof stierven. Velen van hen werden om dit getuigenis (Grieks: marturion) heilig verklaard.

In verzuild Nederland kenden doopsgezinden hun eigen martelaren (opgenomen in de 'Martelarenspiegel'), vooral geëxecuteerd in de zestiende-eeuwse Nederlanden onder Spaans (en dus rooms- katho- liek) bewind. De katholieken hadden (en hebben) de Martelaren van Gorcum, negentien geestelijken die in 1572 door protestantse watergeuzen waren gelyncht.

Abraham Kuyper op zijn beurt waarschuwde eind negentiende eeuw tegen de 'dooperschen' en 'Roomschen' die hun eigen martelaren claimden - hun geloofsgenoten waren immers voor een vals geloof gestorven, zij waren de eretitel martelaar onwaardig.

De afbeeldingen op deze pagina's zijn afkomstig uit het 'echte, betrouwbare, gereformeerde Martelaarsboek' (uit 1671, her- uitgegeven in 1883). Daarin staan veel slachtoffers van de Spaanse Inquisitie, die als martelaar de calvinistische toets der kritiek konden doorstaan.

Kuyper gebruikte dit boek om het zelfbewustzijn van orthodoxe calvinisten te versterken; enkele jaren later ontstond uit een kerktwist de Doleantie, een gereformeerd kerkgenootschap dat onder zijn leiding het stoere calvinisme van het Martelarenboek belichaamde. Kuyper beval het boek, een verzameling geïllustreerde biografieën, zo aan: "Lees er elken Zondag een stuk met uw kinderen en uw dienstknechten uit." Daarbij moest je niet uit sensatiezucht de 'platen en de ijsselijkheden' bekijken, maar vooral de stichtelijke 'prach- tige woorden' over de martelaren tot je door laten dringen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden