De mens weegt niet logisch, hij schat

De denker van Rodin wankelt op zijn sokkel, na een halve eeuw van psychologische experimenten. Daar komt hij uit als een sloddervos in het redeneren, te gehaast en te zuinig met argumenten. Een cognitieve gierigaard is-ie wel genoemd, die gevangen zit in verstokte vooroordelen en mentale uitglijders. Valt best mee, oordeelt de evolutiepsycholoog: juist dankzij dat karige denken laveert de mens gladjes door het overdrukke sociale verkeer. Het eerste deel in een serie over het menselijk brein.

Hebben wij werkelijk zo’n flaterbrein? Sociaal psychologen ontmaskerden in de voorbije decennia onze geest als een beperkte, onlogische en gemakzuchtige conformist. En toch hebben we doorgaans het gevoel redelijk koers te kunnen houden in de sociale menigte. Onderschatten we die stuntelaar boven misschien?

We laten de geest eerst eens opzichtig blunderen met een paar voorbeelden van krom waarnemen. Zo concludeert ons brein ten onrechte dat kinderloze stellen na een adoptie vaak toch nog een eigen kind krijgen. En onze hersenen begrijpen dat ook best: na de adoptie is de stress eindelijk weg, en dan lukt het alsnog.

Het betreft hier een hardnekkige en besmettelijke dwaling uit ’How we know what isn’t so’ van Thomas Gilovich. Ons brein tuint er gemakkelijk in. Heeft het eenmaal een keer gehoord van die naïeve volkswijsheid, dan vindt het daar alleen nog bevestiging van. Van de vele onvruchtbare echtparen die na adoptie geen eigen kind krijgen, zullen we immers nooit wat horen. Maar die enkele stellen die van moeder natuur nog een verlaat geschenk ontvangen, waar iedereen vol van is, versterken ons geloof in het wonder.

Met toeval kan de geest nu eenmaal niet overweg. Als na een bescheiden ’meisjesgolf’ plotseling meer jongetjes volgen, vermoeden kraamverzorgsters mystieke krachten, schrijft Gilovich. En natuurlijk vinden ook zij bevestiging, want een gevarieerd kinderaanbod valt niet op, tot er onvermijdelijk een clustertje van meisjes of jongens optreedt.

Diezelfde misvatting illustreert de psycholoog aan een onuitroeibare geestesdwaling in het basketbal: het idee van de hot hand, de hand die na een rake worp even niet meer lijkt te kunnen missen. Gilovich vroeg deskundigen hoe groot zij de kans achtten dat een speler met een normaal schotpercentage van 50 procent na een score opnieuw raak zou gooien. Of wat hij ervan zou bakken na een misser. De kenners kwamen uit op 61 procent succes na succes, en 42 procent succes na een flop.

Maar de cijfers over een heel basketbalseizoen leerden dat de volgende worp helemaal niet naar de vorige luistert. Toch kon de psycholoog geen coach hiervan overtuigen. Zelfs de deskundige geest kleunt hier mis, maar waarom? Hij verwacht een trits rake worpen of missers en als die een keertje komt, knikt hij: ’Zie je wel’. Terwijl hij de normale serie raak-mis-raak niet opmerkt.

Daarbij wordt de coach op zijn wenken bediend door het simpele toeval: als je een munt 20 keer opgooit, heb je 50 procent kans op vier koppen op rij. En zelfs nog 25 procent kans op vijf koppen achter elkaar. Er komt altijd wel een moment dat de basketbalcoach over zijn sterspeler kan oordelen „Kijk, nu heeft-ie ’t even.”

De kans strooit maar wat, en zo kon het gebeuren dat de Londenaren bij de V-1 bombardementen de indruk kregen dat het in sommige wijken gevaarlijker was dan elders. Zo goed mikten de Duitsers niet, maar onze hersenen herkennen overal terugkerende patronen, ook waar het toeval regeert. Zuid- of Noord-Londen, de kansen lagen elke nacht weer gelijk.

We trappen in allerlei valkuilen, onder meer doordat we ons laten leiden door uitschieters. De Argentijn Messi speelt één keer geweldig voor Barcelona, en morgen ? Nou nee, want na super glijdt ook hij overmijdelijk af naar middelmaat.

Topsporters in de VS huiverden op een goed moment nog op de cover van het tijdschrift Sports Illustrated te poseren omdat het verhaal ging dat het ongeluk zou brengen. Hartstikke waar! Iedereen kwam trots doen in het blad op het moment van zijn grootste succes, en daarna volgde steevast de terugslag.

In talloze experimenten blijkt dat ons brein daar niet op bedacht is. De leraar die blij verrast is met de 7 van zijn leerling, rekent morgen op een 8. En als het een 6 wordt? „Ach, een incident.” Volgen er daarna nog wat middelmatige cijfers en een maand later een keer een 9, dan klaart de docent helemaal op: „Precies, hij kan het wel.”

We streven nu eenmaal naar bevestiging van onze waarheden en proberen wat eraan knaagt te bagatelliseren. Dat lijkt geen handige strategie, maar de denker van Rodin kan blijkbaar niet anders: hij zoekt louter steun voor zijn stelling, maar vergeet om hem te bewijzen.

In experimenten is dat veelvuldig aangetoond met een simpele taak die het gros van de proefpersonen niet goed aanpakt. Het dilemma: je krijgt vier kaarten voor je met voorop A, B, 4 en 7. Achterop de letters staat een cijfer, achterop de cijfers een letter. De stelling luidt dat aan de andere kant van een klinker altijd een even getal staat. Proefpersonen mogen twee kaarten omdraaien om te laten zien of de stelling deugt.

Hier knoeit de gemiddelde mens: hij draait de A en de 4 om. De A is natuurlijk goed, want als achter de A een oneven getal zou staan, sneuvelt de stelling. De 4 omdraaien lijkt logisch maar is onzinnig. Als er een klinker achter staat, loopt de kaart in het gareel met de stelling. Maar wat als er een medeklinker achter staat? Dan weet je nog niks, want de stelling zei niet dat achter elke medeklinker per se een oneven getal moest staan. Had hij de 7 maar omgedraaid, want als daar bijvoorbeeld een i of andere klinker achter stond, zou de stelling sneuvelen.

Vreemd genoeg zijn we in de kroeg helderder van geest als we de stelling ’Alleen 18-plussers drinken alcohol’ voorgelegd krijgen, met het volgende gegeven: Klaas is 19, Jan drinkt bier, Gerrit is 16 en Piet drinkt fris. Welke twee moet je dan op leeftijd of drank controleren? Jan en Gerrit uiteraard: nu snappen we wél dat de leeftijd van Piet er niet toe doet en wat Klaas drinkt evenmin. Kennelijk wordt de abstracte puzzel met letters en cijfers een stuk eenvoudiger als hij zich in een sociale context bevindt.

Maar gewoonlijk redeneert ons brein niet logisch en met het toeval kan het al helemaal niet overweg. In het casino denken we na zeven keer rood allemaal: ’Nu wordt de kans op zwart wel erg groot want het balletje zal zichzelf toch eens moeten gaan corrigeren’. Dom, natuurlijk.

Nu is dit nog maar een beginnetje van het krom doen en denken dat in deze serie nog gaat volgen, maar hier maakt de evolutiepsycholoog reeds ernstig bezwaar. Je kunt je wel denigrerend uitlaten over de mens als denker, maar doorgaans oordeelt hij juist uiterst effectief.

We hebben gewoon een te hoge pet op van onze ratio. Kijk, schrijft David Funder in het zojuist verschenen ’Evolution and social psychology’, we hebben er geen behoefte aan om een hond te betrappen op irrationeel redeneren, maar wel onszelf. Maar maakt dat die hond slimmer dan de mens?

Ook wij zijn niet voor logica in de wieg gelegd, noch voor kansberekeningen of andere abstracte mensenmaaksels. Dat soort denken kost volgens David Funder te veel tijd en energie, en levert niks op in de natuur. Daar is haast geboden. Je kunt beter voor het diepere gepeins uit rennen voor je leven dan met je laatste spijt eindigen in de bek van een leeuw.

Dat is natuurlijk een cliché, maar Funder denkt dat er door de evolutie heen meer missers in ons denken zijn gestold die juist lucratief zijn. Ons gebrekkige, onlogische denken en waarnemen beschermt ons. Zo overschatten we allemaal de snelheid waarmee een donderend geluid op ons af komt. Dat is heilzaam voor ons hachje.

En de vertroebelde observaties komen ook onze voortplanting ten goede. Zo bespeuren mannen vaak te snel de bereidheid van vrouwen om met hen uit vrijen te gaan. Dat is zinvol, want je kunt beter af en toe een blauwtje lopen dan een potentiële partner overslaan. Andersom tonen experimenten aan dat vrouwen de bereidheid van mannen onderschatten om een langlopende, zorgende relatie aan te gaan. Ook slim, want je kunt je maar één keer door een niet zorgzaam loeder aan de haak laten slaan.

Dat is de mensenmanier van denken, meent Funder. Daarbij vereist het sociale verkeer dat we ons razendsnel een oordeel vormen, vaak op basis van minimale aanwijzingen. En dan moet je nog dure vergissingen vermijden ook. De mens weegt niet logisch, hij schat. Dat leidt soms tot bizarre, maar weinig kostbare uitglijders, weet de evolutiepsycholoog.

Een voorbeeld: onze voelsprieten zijn zo fijntjes afgestemd dat we in de geringste beweging gevaar onderkennen. Op zich is dat zinvol, maar het gevolg ervan is wel dat mensen zelfs in een paar driehoeken die over een beeldscherm lopen niet anders kunnen zien dan vijanden die elkaar achterna zitten. Zo erg zijn we op onze hoede, een erfenis van de savannen vermoedelijk.

Maar de paar dwalingen daargelaten, zijn we bijzonder accuraat in het beoordelen van situaties en mensen, met de meest minuscule informatie. Het is toch knap om bedriegers aan een enkele foto te herkennen, om de seksuele geaardheid van zo’n zelfde foto af te kunnen lezen of in een stomme film van nog geen halve minuut te ontdekken wat voor karakter je voor je hebt. Proefpersonen bewezen die kundigheid in het lab.

Het doet de evolutiepsychologen vermoeden dat we naast een taalinstinct ook behept zijn met een aangeboren instinct om de medemens te beoordelen. We doen het immers in een flits, kunnen het al vanaf ons vierde en hebben het nooit hoeven leren. Geen gezond mens mist dit vermogen en, bovenal, geen mens kan zijn beoordelingsdrift even uitzetten.

Nee nooit, beamen andere psychologen in ’Evolution and social psychology’. Daarbij blijken onze vooroordelen al evenzeer diep verankerd in dat gehaaste, gebrekkige maar uiterst effectieve flitsdenken. Onze prehistorische antenne voor gevaar en narigheid voedde het vooroordeel. Daarom zijn we zo huiverig voor littekens en lamme ledematen, voor open hoestende monden.

We lopen zelfs iets wijder om dikke mensen heen, stelden de evolutiepsychologen vast. Een deel van onze hersens weet dat het nergens op slaat, maar een ander sommeert ons afstand te houden. Vooral in donkere kamers. Stel mensen voor aan een misvormde, vertel over zijn ongeluk in het verkeer en dat er niets besmettelijks aan hem kleeft: we doen toch een stapje terug. En laat je proefpersonen eerst een filmpje zien over akelige ziektekiemen, dan gaan ze daarna met een wijdere boog heen om alles wat dik en pokdalig is. En vooral om vreemden: die dragen natuurlijk vieze beestjes bij zich waar we zelf nog geen immuniteit tegen hebben ontwikkeld.

We mogen dan niet logisch of weloverwogen redeneren, maar de manier waarop onze geest dwaalt is vanuit het onzekere perspectief bij de dageraad van de mensheid juist erg zinvol. Maar die relativering vanuit de evolutiepsychologie brengt de denker van Rodin nog niet rotsvast terug op zijn voetstuk; we zullen zien dat hij het daarvoor af en toe echt te bont maakt.

www.trouw.nl/flaterbrein

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden