De mens is geboren om het leven te vieren

Na jaren van discussiëren, delibereren en amenderen is de nieuwe euthanasiewet aangenomen. Maar gloort hiermee ook een begin van een antwoord op onze vragen over leven, lijden en het levenseinde? Begrijpen we nu beter wat 'ondraaglijk en uitzichtloos lijden' is, dat begrip dat een hoofdrol speelt in de nieuwe euthanasiewet? Of staat het taaiste deel van het debat ons nog te wachten? Trouw vraagt het de komende weken aan voor- en tegenstanders van euthanasie, aan juristen en artsen, aan mensen van de praktijk en mensen van de theorie. Vandaag: ethicus Hans van Dam en theologe Annelies van Heyst.

'Wij zijn analfabeten geworden in het omgaan met lijden', zegt Annelies van Heyst. ,,Als theoloog bevind ik mij in een traditie waarin het lijden is verheerlijkt. Daar zie ik geen goed in; een gewoon leven brengt al genoeg lijden met zich mee. Maar naast verheerlijking, bood het christendom ook gemeenschappelijke rituelen, troostende symbolen. Die zijn nu weggedrukt, lijden wordt het liefst ontkend, want onze cultuur is gericht op succes en zelfontplooiing. Snel, flitsend, gezond - en alles wat dit doorkruist, wordt ervaren als een spaak in het wiel, alsof het leven je een enorme streek flikt.'

Annelies van Heyst is moraaltheoloog en docent vrouwenstudies aan de theologische faculteit Tilburg. Zij debatteert in het Amsterdamse hotel Krasnapolsky over de duivelse dilemma's rond het levenseinde met Hans van Dam, voormalig verpleegkundige en nu ethicus en publicist. Veel en vaak schreef hij over euthanasie, en hij is tevreden met de nieuwe wet die onlangs met zoveel rumoer de Eerste Kamer passeerde. Van Dam: ,,Het helpen sterven hoeft nu niet meer stiekem. Dat vind ik winst.'

,,Ik ben niet gelukkig met de opheffing van de strafbaarstelling op het doden', zegt Van Heyst. Haar gesprekspartner fronst bij dat woord 'doden', maar zij vervolgt: ,,De grens die in de strafwet lag, was naar mijn mening de uitdrukking van een grens waar je met elkaar, als mensen, niet overheen moet gaan. Wat ik wel goed vind, is dat er in dit land formeel wordt nagedacht over dingen die in de praktijk gebeuren. Ik ben er erg voor om de zaken bij hun ware naam te noemen.'

De zaken bij hun ware naam noemen - dat gebeurt volgens Van Heyst te weinig in het euthanasiedebat. ,,Met name heb ik bezwaar tegen de zoveel gebruikte woorden 'mensonwaardig' en 'ontluisterend'. Die worden gebruikt als legitimatie om niet door te hoeven vragen. Maar wat is nu precies ontluisterend? Dat iemand in zijn broek poept? Dat hij zijn kinderen niet meer herkent, of niet meer kan doen wat hij vroeger graag deed? Waar hebben we het eigenlijk over? Maar die vraag mag je niet stellen want de termen roepen zoveel afschuw op - als je daar bezwaar tegen maakt, ben je direct hard en ongevoelig.'

,,Naarmate wij steeds meer belang aan het cosmetische hechten, allemaal gaaf, mooi en snel willen zijn, lijken we ook hiermee slechter om te kunnen gaan. Verzorgenden die ik cursussen geef, vertellen mij dat vooral de familieleden van patiënten steeds eerder zeggen: Dit is mensonwaardig en ontluisterend. Een argument waar de verpleging gevoelig voor is, want die wil geen mensonwaardige situaties laten ontstaan.'

Van Dam: ,,In het publieke debat wordt dit soort termen inderdaad veel gebruikt, en die gaan dan aan een zekere inflatie lijden. Maar n¡et op het niveau waar de beslissingen worden genomen. De hulpverlening kan heel goed onderscheiden wat er achter die woorden mensonwaardig en ontluisterend zit. Waar in het maatschappelijk debat begrippen als uitzichtloos, ondraaglijk en ontluisterend vaak het eerste woord zijn, zijn die voor de patiënt juist het laatste woord.'

Van Heyst: ,,Daar ben ik het mee eens. Waar ik me tegen verzet is dat er verhullend over wordt gesproken. Ik vind dat je helder moet zijn over wat je doet. Als je doodmaakt, moet je het ook zo noemen.'

Van Dam: ,,Maar dat doe je niet. Doden doe je met de kogel, of op het slagveld. Dit is helemaal niet de taal waarin ondraaglijk lijdende mensen denken. De patiënt wil niet doodgemaakt worden, hij wil sterven. Met hulp, met een humaan middel. Een stervende dood je niet, die help je sterven.'

Van Heyst: ,,Nu heb je het over euthanasie bij een stervende. Maar de discussie is al ver naar voren gehaald. Naar mensen die oud en levensmoe zijn. Of mensen die jonger zijn en levensmoe.'

Van Dam is er niet tegen dat het publieke debat, mede door minister Borst, daar inmiddels over gaat. Want waar lijden is, dient dat bestreden te worden. ,,De bron van dat lijden is ondergeschikt. Het gaat er niet om of iemand ondraaglijk lijdt door een uitzichtloze ziekte, of doordat het leven hem uitzichtloos klemzet. De mens is niet geboren om te lijden maar om het leven te vieren.' Van Heyst knikt. ,,Het leven is een goed. Maar het kan voor sommigen lijden met zich meebrengen dat zo hevig is, dat zij besluiten er zelf uit te stappen. Daarover kun je op geen enkele wijze moraliserend of afkeurend spreken omdat je de diepte van hun lijden niet kunt peilen. Daar past alleen respect. Maar de vraag is of een ander moet interveniëren als jij je leven te zwaar vindt om te leven. Dan zadel je een ander op met een te grote verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid voor je leven is niet overdraagbaar.'

Van Heyst kan zich indenken dat iemand als senator Brongersma het leven moe was. Maar daar had hij dan zelf de consequentie uit moeten trekken, vindt zij, en dit niet aan zijn arts moeten vragen. Van Dam: ,,Dan moet je mensen ook het middel beschikbaar stellen, anders veroordeel je ze tot de trein of de flat.'

Van Heyst: ,,Die middelen zijn nu ook te vinden.'

Van Dam: ,,Pillen slikken?'

Van Heyst: ,,Bijvoorbeeld.'

Van Dam: ,,Heel gevaarlijk en vaak een nare dood, als het al lukt.'

Van Heyst: ,,Ik vind het alternatief niet beter. Omdat dan een hulpverlener de vraag moet beantwoorden: Wat gaan we doen, hoe ga ik jou helpen? Terwijl een hulpverlener niet het bestaansantwoord kan geven. Op het existentiële vlak staan wij allen uiteindelijk met lege handen.'

Van Dam: ,,Maar de hulpverlening gééft geen antwoord op de bestaansvragen. Dat doet de patiënt. Die geeft zelf, autonoom, een antwoord op zijn eigen ultieme bestaansvraag en vraagt hulp bij het verlaten van het bestaan. Eigenlijk doet een dokter die helpt sterven, hetzelfde als de dokter die helpt geboren worden. De gynaecoloog past eventueel wat handgrepen toe, maar de vrouw zelf baart het kind. Bij het helpen sterven past de arts wat handgrepen toe zodat de patiënt zelf kan sterven. Hij helpt iemand het leven in, hij helpt iemand het leven uit. In beide gevallen is de persoon zelf de actor. De rol van de hulpverlening is bescheiden.'

Van Heyst: ,,Bescheiden? Bij Brongersma? Ik vind dat artsen zich in zulke situaties een reddersrol aanmeten.'

Van Dam: ,,Nee, Brongersma heeft zélf antwoord gegeven op de bestaansvraag waar hij zich voor zag gesteld, en aan het eind van een lang traject heeft de dokter een middel gegeven. Ik vind dat de hulpverlening verplicht is mensen een goede dood, of een zo goed mogelijke dood te geven.'

Een goede dood - nog zo'n taalconstructie waar Van Heyst moeite mee heeft. Het voorvoegsel 'eu' van euthanasie, dat 'goede' betekent, zou zij liever uit het woord weglaten. ,,Omdat je van euthanasie, of thanasie, hooguit kunt zeggen: dit is in beroerde omstandigheden de minste van twee kwaden.'

Van Dam: ,,Maar wij kunnen mensen die uitzichtloos lijden euthanasie toch niet onthouden, terwijl we wel die mogelijkheid hebben? Die claim mag een patiënt van mij op de hulpverlening leggen.'

Van Heyst: ,,Ik vind dat daarmee de hulpverlening vér overvraagd wordt.'

Nee, schudt Van Dam, die zegt dat hij zich in zijn tijd als verpleegkundige niet overvraagd voelde. ,,Omdat ik het een plicht vind dat daar waar iemand echt niet meer verder kan, wij de hulp geven die gegeven moet worden.'

Van Heyst: ,,Daarmee roept de hulpverlening zich tot de nieuwe messias uit.'

Van Dam: ,,Nee! De hulpverlening is gehouden om het lijden te verlichten.'

Van Heyst, volhardend: ,,Naar de mate van het mogelijke. Tot je de grens bereikt waar je als mensen tegenover elkaar zit en moet inzien dat je niets meer voor de ander kunt doen.'

Van Dam: ,,Maar daar waar nog wel mogelijkheden zijn om iets voor de ander te doen, dienen die aangewend te worden. Dat is geen overvragen, dat is gewoon een beroep doen op wat er in de kast is. Aan pillen, en aan menselijke nabijheid van verpleging, artsen, familie.'

Van Heyst: ,,Het sterven moet verlicht worden, dat vind ik ook. Zoals het leven zoveel mogelijk verlicht moet worden. Maar ik vind niet dat je de dood moet verstrekken.'

Van Dam: ,,Als dat voor iemand de enige manier is om te ontkomen aan het bittere einde, moet een arts het gevraagde einde mogelijk maken. Van mij mag iemand om zijn sterven vragen, ook als hij nog niet bezig is om te sterven.'

Van Heyst: ,,De vraag mag wel gesteld worden, maar het antwoord mag niet gegeven worden.'

Van Dam: ,,Dan laat de dokter de patiënt in zijn lijden. Hij schudt het stof van zijn schoenen en hij gaat.'

Van Heyst: ,,Ja.'

Van Dam: ,,Als iemand die ultieme keuze maakt, kan ik mij niet omdraaien en gaan. Als je je daardoor overvraagd voelt, moet je een ander vak kiezen.'

Van Heyst: ,,Dat ben ik niet met je eens. De grens van leven en dood wanneer er geen sterven is ingetreden, beschouw ik als een sacrale grens. Een grens waar alle mensen tegen opbotsen. Waar ze zullen moeten zeggen: Ik zal je niet in de steek laten maar ik kan nu niets meer doen.'

Van Dam: ,,Daarmee laat een dokter de patiënt wel in de steek, omdat die zelf sterven wil.'

Van Heyst: ,,Maar Hans, het leven zit vol situaties waarin je weinig tot niets voor een ander kunt betekenen. Als je naar de begrafenis moet van een vriendin die haar kind gaat begraven, kun je helemaal niets voor haar betekenen in al haar verdriet en verlies.'

Van Dam: ,,Je kunt heel veel zijn voor mensen in verdriet.'

Van Heyst: ,,Maar ook heel veel niet. En naar mijn gevoel is het sterven, het laatste stukje, kwalitatief niet anders dan al die andere momenten in het leven waarop mensen terugstuiten op hun eigen eenzaamheid, hun eigen wanhoop, en maar moeten zien dat ze het rooien.'

Van Dam: ,,We praten nu over het laatste leed waarvan de uitzichtloosheid vaststaat, waar er geen leven meer is na wat zich nog aan lijden aandient. En daar moet een mens het maar zien te rooien? Dat gaat mij echt een brug te ver.'

Van Heyst: ,,Wij zijn het eens dat mensen zomin mogelijk alleen gelaten moeten worden in hun lijden. Maar voor mij is het doodmaken, als actieve handeling, een grens die niet overschreden moet worden. Iemand kan dat hooguit zelf doen, maar hij kan niet een ander ertoe brengen het te doen.'

Van Dam: ,,Voor mij ligt de grens daar waar iemand die zelf trekt. Jij zegt: dat is niet mijn grens, dus die ga ik niet over. Dat is je goed recht.'

Van Heyst, peinzend: ,,Je hebt een leven gekregen. Daar heb je niet om gevraagd, maar dat moet je proberen te dragen. Lijden hoort daarbij, voor de één meer dan voor de ander. Dat is buitengewoon oneerlijk verdeeld, daar kan ik me heel erg kwaad over maken.'

Van Dam knikt heftig. ,,Ja, dat is heel onrechtvaardig', zegt hij, en beiden kijken een beetje aangedaan. ,,Daar moeten we met God nog maar eens een stevig robbertje over vechten.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden