De mens is altijd al een cyborg geweest

Wat kunnen denkers zeggen over nieuws? Tweewekelijks laat Trouws Filosofisch Elftal zich erover uit. Vandaag: een verlamd persoon kan nu al een computer aansturen met zijn brein. Over vijftig jaar zullen de cybernetische mogelijkheden volgens neuroloog Michel van Putten vele malen groter zijn. Franse woordjes leren is dan misschien niet meer nodig, omdat je ze kunt aflezen van een chip in je hoofd. Is die fusie tussen mens en computer reden tot vrees of tot vreugd?

’Zogenaamde ’exacte wetenschappers’ geven zich wel erg snel over aan de wildste toekomstdromen, terwijl de ’dromerige en wereldvreemde filosofen’ vaak sceptischer zijn”, zegt Ger Groot, docent filosofische antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Neuroloog Van Putten heeft volgens Groot bijvoorbeeld „geen idee wat het betekent om een taal te leren. Dat is veel complexer dan een chip implanteren. Al tientallen jaren wordt gewerkt aan een computerprogramma dat goed vertaalt, maar het is er nog steeds niet. Bijsluiters van Aziatische elektrische apparaten hebben daarom zo’n vreemd taalgebruik.”

Ook het geheugen kan volgens Groot niet makkelijk door een chip worden vervangen: „Een computergeheugen is niet hetzelfde als het menselijke geheugen. Omdat onze geheugens niet uit synthetische materialen bestaan. Maar ook omdat wij dingen onthouden doordat wij er betekenis aan geven. Bij de mens spelen betekenissen een hoofdrol. Een computer kent geen betekenissen.”

De ’wilde dromen’ gaan over mensen, bij wie in de toekomst computertechnologie zal zijn ingebouwd. Ze bestaan nog niet maar er is al wel een naam voor: cyborgs. Zullen die cyborgs de mensen tot slaven maken of zullen ze juist de nietzscheaanse Ãœbermenschen zijn, die de mensheid zullen verlossen van haar gewelddadige natuur?

Volgens Groot gaat die vraag uit van een onwetenschappelijke vooronderstelling.

De technologie zal nooit in staat zijn om de mens helemaal te doorgronden: „Het probleem om dergelijke fantasieën te realiseren, zit niet zozeer bij de techniek, maar bij het begrijpen van wat de techniek tracht te realiseren. Wat is een taal? Hoe werkt het geheugen? De antwoorden zijn niet in simpele, voor computers hanteerbare formules te vangen.”

Groot deelt het ’technologisch optimisme’ van Van Putten dan ook niet. De menselijke hersenen zijn te complex: „We moeten niet denken dat, nu een man met een hersensignaal een cursor kan bewegen, het ook mogelijk moet zijn dat mensen en computers over vijftig jaar gedachten gaan uitwisselen. Dat is vergelijkbaar met iemand die twee woorden Frans verstaat en denkt dat hij de taal binnenkort perfect zal beheersen en zelfs zou kunnen verbeteren.”

De realiteit die wij in de hersenen vormen is anders dan de natuurwetenschappelijke werkelijkheid: „De werkelijkheid waarin wij leven – waarin betekenissen een hoofdrol spelen – onttrekt zich aan pogingen om die te beschrijven op natuurwetenschappelijke wijze.”

„Het is een vergissing dat het primair zou gaan om de vraag of deze ’posthumane technologieën’ de mens gaan vervangen”, zegt Jos de Mul, hoogleraar filosofie aan de Erasmus Universiteit. „Dat is een fout die zowel technologisch optimisten als technologisch pessimisten vaak maken. Ger Groot heeft dus gelijk met zijn kritiek. Maar hij vergist zich op zijn beurt als hij denkt dat gentechnologie en artificiële intelligentie de mens niet wezenlijk zullen veranderen. Zij veranderen de mens nu al.”

Om te beseffen wat technologie met ons doet, moeten we naar het verleden kijken, zegt De Mul: „De overgang van homo sapiens naar homo sapiens sapiens wordt gemarkeerd door een alfatechnologische ontwikkeling: de introductie van externe symbolen zoals grotschilderingen en later het schrift.

Wat doet het schrift? Als je een boek leest wordt je brein gekoppeld aan een extern opslagmedium, dat deel gaat uitmaken van je cognitieve structuur. Dat is zo vanzelfsprekend dat wij er makkelijk aan voorbijgaan. Maar het betekent wel dat de mens altijd al een cyborg is geweest, een wezen dat mede wordt bepaald door zijn technologische supplementen. De mens is van nature een kunstmatig wezen.”

Het schrift heeft de mens volgens De Mul wezenlijk veranderd. „Ons hele cognitieve apparaat werd getransformeerd. Door de gedeeltelijke ’outsourcing’ van het geheugen kwamen er nieuwe cognitieve vaardigheden zoals lezen en schrijven tot ontwikkeling, en werden abstractere vormen van denken en wetenschap mogelijk.

Plato zet zich in de Phaedrus sterk tegen het schrift af. Hij vindt het slecht dat het levende denken in een ’doods’ extern medium wordt vastgelegd. Hij vertelt een mythe over een godheid die de Egyptische koning Thamus allerlei uitvindingen aanbiedt. Geneeskrachtige kruiden tegen ziektes en hulpmiddelen om meer graan te verkrijgen, zijn van harte welkom.

Maar als de godheid lyrisch wordt over zijn laatste en mooiste uitvinding – het schrift – waarmee je gedachten kunt vastleggen, reageert de koning vastbesloten: dat komt er niet in. Het zal vergetelheid doen ontstaan en leidt tot schijnkennis – lezing zonder lering.

Alleen kennis die je zelf verwerft, geldt voor Plato als echte kennis. Plato probeert met zijn dialoogvorm de orale cultuur vast te houden. Maar de filosofie van Plato is juist een product van de schriftcultuur, die in die tijd ontstaat. Filosofie en wetenschap zijn nauw verbonden met schrift.”

Onze koppeling aan de computer zal – net als bij het boek – opnieuw gepaard gaan met een cognitieve herstructurering, meent De Mul: „Bij het schrift worden alleen de producten van het denken uitbesteed maar bij de computer ook specifieke denkprocessen zelf. Maar dat betekent niet dat computers ons zullen vervangen. Het boek heeft de mens ook niet vervangen maar het heeft wel de cognitieve structuur van de mens veranderd, en dat zal de computer ook doen. Ook die gaat deel uitmaken van ons cognitieve apparaat. Daarvoor hoeft de computer niet eens fysiek aan de hersenen te worden gekoppeld.”

Plato had gelijk dat zo’n transformatie een verlies betekent, zegt De Mul, maar had te weinig oog voor de voordelen: „Ik denk niet dat je eenduidig kunt zeggen dat we blij of verdrietig moeten zijn met dergelijke transformaties. Ze dragen bij aan de grandeur van de mens en zijn zeer nuttig gebleken, maar hebben ook hun prijs.

De mens is de eerste soort die door informatie- en biotechnologieën zijn verdere evolutie in eigen hand kan nemen. Maar het zou een gevaarlijke illusie zijn om te menen dat we dat proces volledig kunnen bepalen. Taal en technologie behouden altijd iets van hun exterioriteit – ze gaan ook hun eigen gang. ,,Language is a virus from outer space’’, zo dichtte William Burroughs treffend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden