De mens als prototype van zichzelf

(\N) Beeld
(\N)

Zijn sculpturen zijn over de hele wereld geliefd, maar Nederlandse musea hebben nooit veel waardering voor de van oorsprong Zwitserse beeldhouwer en ook schilder Alberto Giacometti (1901-1966) gekoesterd.

Cees Straus

In de omliggende landen worden al jarenlang prachtige overzichten gehouden (denk aan de recente presentatie in het Deense Museum Louisiana die de relatie tussen Giacometti en Cézanne in kaart bracht, aan het Kasteel van Seneffe onder Brussel) maar in Nederland ontbrak het daar tot nu toe aan.

De Kunsthal in Rotterdam, altijd in de bres voor de beeldhouwkunst (Antony Gormley, Henry Moore, Jean Tinguely en Isamo Noguchi, allemaal klassieken in hun soort), werpt in samenwerking met de in Parijs gevestigde Fondation Albert et Annette Giacometti een verhelderend inzicht in de rol die de beeldhouwer in het ontstaan van de moderne kunst heeft gespeeld. Met enkele omissies: doordat alle werken (naast de beelden ook schilderijen en tekeningen) door de Parijse stichting werden aangeleverd, ontbreken er hier en daar wel enkele ’kernachtige’ werken.

Afgaande op zijn geboortejaar 1901 en het jaar 1922 waarin hij zich in Parijs vestigde, is Alberto Giacometti niet tot de vroegste generatie van de klassiek moderne kunstenaars te rekenen. Zijn vroege beelden die alle sporen van het destijds heersende kubisme dragen maakte hij dan ook niet zo zeer als een avant-gardistische uiting. Ze kunnen eerder gezien worden als een bijdrage aan een inmiddels stevig gegrondveste nieuwe stijl die door zijn ’geestelijke vaders’ als Picasso en Braque al was verlaten toen Giacometti zijn koers op Parijs uitzette. Ook Giacometti’s voorkeur voor het te pas en te onpas citeren van de Afrikaanse kunst komt gedateerd over als je je realiseert dat Picasso al rond 1906-’07 zijn ’Demoiselles d’Avignon’ schilderde, door Picasso zijn leven lang ’Het bordeel’ genoemd en dat overigens niet direct bekend werd.

Interessant, vanuit een vernieuwingsgezinde opvatting, wordt Giacometti pas als hij zijn eigen stijl ontwikkelt, dat wil zeggen vanaf de tweede helft van de jaren ’40 van de 20ste eeuw. Hoe vreemd het ook mag klinken: de beeldhouwer Giacometti maakte vanaf die tijd sculpturen die in mentaliteit haaks staan op die uit het vooroorlogse kubisme.

Toch vormen de ragdunne, bijna eendimensionale mensfiguren die Giacometti in de jaren ’50 en ’60 maakte, bepaald geen afrekening met wat Picasso en zijn tijdgenoten deed. Eerder lijkt Giacometti zich af te zetten tegen de al sinds de late 19de eeuw heersende trend van het traditionalisme en naturalisme, zoals die onder meer door Maillol in wellustige vrouwenfiguren tot uiting kwamen (en onlangs door de Colombiaan Fernando Botero tot in het extreme werd verheven). Immers, Maillol lijkt met zijn opgepompte volumes de ruimte volledig in beslag te nemen, waar Giacometti pogingen doet om zijn vormen als spookverschijningen in een nevelflard te laten oplossen. Traditioneel als beeldhouwer is hij dan wel in de keuzes van de toegepaste materialen als brons, gips en (voor de Tweede Wereldoorlog) marmer. Ondanks zijn Italiaanse gerichtheid (Giacometti werd geboren in het Italiaanstalige deel van Zwitserland, maakte in zijn jonge jaren veel reizen naar Italië waar hij bezoeken bracht aan kunststeden als Florence, Assisi, Rome en Napels) heeft hij nooit veel met steen op gehad, noch met ijzer of staal. Misschien om die reden is zijn naam niet doorgedrongen tot het naoorlogse opdrachtencircuit waartoe bijvoorbeeld wel grootheden als Ossip Zadkine, Isamo Noguchi en Henry Moore behoorden.

Ervan uitgaande dat Giacometti dus niet tot de vroegste generatie van de klassiek-modernen behoort, kun je je afvragen wat dan wel zijn bijdrage aan de moderne kunst is geweest, zoals die in het grootste deel van de 20ste eeuw haar beslag heeft gekregen. In de eerste plaats is daar het dubbeltalent Giacometti: als schilder en tekenaar is zijn kwaliteit vergelijkbaar met de beeldhouwer. Zijn ontwikkeling in het platte vlak van hoofdzakelijk mensfiguren (figuren, geen torsen, want ze hebben altijd wel een kop en ledematen) loopt ongeveer gelijk op met de bronzen beelden. Willen de beelden zich soms oplossen in een schaduwrijke vlek, met weinig kleur en contrast, de geschilderde figuren worden op portrethoogte omgeven met een al even donkere vlek die de kijker er toe aanzetten om goed te kijken wat de psyche van het model is. Om er dan zowel in de schilderijen als in de beelden achter te komen dat Giacometti geen groot psycholoog in mensen is. Zijn mannelijke koppen hebben zonder uitzondering een duistere en daardoor ondoorgrondelijke uitstraling die weinig variatie kent. Deze pose van ingekeerdheid pakt zelfs autistisch uit, alsof de kijker geen enkele poging mag ondernemen om contact te leggen. De vrouwenkoppen zijn wat dat betreft iets milder, al irriteert het gaandeweg dat ze vaak geplaatst zijn op een embryonaal aangeduide romp.

Nee, de wereld is nu eenmaal hard en voor romantiek is er na Auschwitz geen plaats meer. En dus mergelt Giacometti zijn figuren uit. Tot ver voorbij het bot laat hij in 1960 een man een meer dan levensgrote stap zetten, niet meer dan een dunne, fragiele lijn zonder enig volume. De beroemde wandelende hond (niet op de tentoonstelling aanwezig, want onder meer in bezit van de Fondation Maeght die hem overigens regelmatig uitleent) en de kwiek sluipende kat gingen aan de wandelende man voor af. Het waren de schaarse momenten dat de beeldhouwer zich nu eens niet met de mensfiguur maar met de dierenwereld bezighield. Niet dat het een inbreuk op zijn gedachtenwereld betekende: beide figuren worden ontdaan van hun psyche waardoor ze een ’prototypische’ karakter hebben.

Daar ligt ook het belang dat Giacometti voor de moderne kunst heeft: door door te stoten tot ver voorbij de kern van de vorm beziet hij de mens als een type dat alleen in aanzet menselijke vormen heeft. Met recht levert Giacometti dus prototypen van zijn visie op het mensbeeld. Die opvatting staat mijlenver af van de wezenlijke kenmerken van het kubisme, waarmee hij in de jaren ’20 in aanraking kwam.

'Grande femme IV', brons. ( COLL. FONDATION ALBERTO ET ANNETTE GIACOMETTI, PARIJS) Beeld
'Grande femme IV', brons. ( COLL. FONDATION ALBERTO ET ANNETTE GIACOMETTI, PARIJS)
Albert Giacometti (1901-1966): ¿Annette assise dans l¿atelier¿, olieverf op doek. (COLL. FONDATION ALBERTO ET ANNETTE GIACOMETTI, PARIJS) Beeld
Albert Giacometti (1901-1966): ¿Annette assise dans l¿atelier¿, olieverf op doek. (COLL. FONDATION ALBERTO ET ANNETTE GIACOMETTI, PARIJS)

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden