De media hebben het gedaan

'De laatste dagen der mensheid.' Zo noemde de Weense satiricus Karl Kraus de Grote Oorlog. Hij schreef er een geniaal, maar onspeelbaar toneelstuk over. Volgens hem was er maar één schuldige aan de oorlog: de pers.

Een paar maanden lang hoorde men niets meer van hem. De anders zo luidruchtige Karl Kraus leek te zijn verstomd. De oorlog was uitgebroken. Heel Wenen verkeerde in een euforische stemming. De kranten bejubelden de keizer, het leger, het rijk. Maar de gesel der natie, de man met de dodelijke pen, zweeg. Bezweken onder de macht der gebeurtenissen? Of zat hij in zijn achterkamer zijn pen te slijpen om des te dodelijker te kunnen uithalen?

In december 1914 laaide hij weer op: 'De fakkel'. Zo heette het blad dat Kraus al zestien jaar lang bijna geheel in zijn eentje volschreef met messcherpe satires en bijtende commentaren over het zelfvoldane volkje dat Wenen bewoonde. Uitgave nummer 404 bevatte slechts één artikel, door de hoofd- en enige redacteur van het tijdschrift onder eigen naam geschreven: 'In deze grootse tijd'.

De titel was meteen al een satire. Met de frase 'in deze grootse tijd' smukte menige oorlogspropagandist, van keizer tot generaal, van politicus tot journalist, zijn proza op. De frase behoorde tot het opgeblazen idioom dat door de taalpurist Kraus altijd al genadeloos aan de kaak was gesteld. "Deze grootse tijd", schreef Kraus in zijn artikel, "heb ik nog gekend toen hij klein was, en hij zal weer klein worden, als hem de tijd daarvoor gegund is."

Karl Kraus was een soort Gerrit Komrij van Wenen. Hij hekelde de invloed van de media op de publieke opinie. En niet alleen op de publieke opinie, volgens Kraus bepaalde de pers ook wat de machtigen vonden. Het waren niet de keizers, koningen en generaals die de oorlog veroorzaakten, het waren de scribenten in de kranten die de machtigen de woorden in de mond legden waarmee ze het volk voor de oorlog warm maakten.

Kraus had het niet over de boulevardbladen, die waren beneden zijn niveau. Hij richtte zijn pijlen op de serieuze pers, met name op de Neue Freie Presse, de NRC van het Wenen in die dagen. Meedogenloos ontrafelde hij hoe dat blad de oorlog naar het thuisfront bracht. De pers regeert de wereld, schreef Kraus, "ze slaat wonden, kwelt gevangenen, jaagt op buitenlanders, verandert nette heren in hooligans. (...) Ze doopt haar pen in bloed."

Ongeleid projectiel

Politiek gesproken was Kraus tot dan toe een ongeleid projectiel geweest. In zijn stukken verenigde hij de meest merkwaardige opvattingen. Hij gold als conservatief, moest niets hebben van liberalisme en socialisme, en stond inzake de internationale verhoudingen aan de kant van kroonprins Frans Ferdinand, die in 1914 een diplomatieke oplossing van de spanning tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije voorstond. Tot de prins in Sarajevo werd vermoord.

Kraus was volgens zijn biografen nogal beduusd van de dood op zijn conservatieve held. Het was de belangrijkste reden voor zijn lange zwijgen. Totdat de door hem aanbeden barones Sidonie Nádherny von Borutin hem over de drempel hielp. Tijdens de oorlog verbleef Kraus vaak op haar kasteel nabij Praag; voor de militaire dienst was hij afgekeurd. Op dat kasteel schreef hij zijn beroemde drama over de Grote Oorlog: 'De laatste dagen van de mensheid'.

Tijdens de oorlog drukte Kraus regelmatig scènes van 'De laatste dagen' af in zijn blad De fakkel. Of hij voerde ze in zijn eentje op in Berlijnse en Weense theaters. Kraus was een begenadigd performer. Zelfs in de oorlogsjaren trokken zijn voordrachten volle zalen. Het grootste deel van de opbrengst van zulke voorstellingen schonk de financieel onafhankelijke fabrikantenzoon aan instellingen voor oorlogsinvaliden.

Pas na de oorlog voltooide hij zijn magnum opus. In 'De laatste dagen van de mensheid' volgt hij de oorlog op de voet. Maar dan niet zozeer vanaf de slachtvelden maar vooral vanaf het thuisfront. Aan het woord komen journalisten, kooplieden, krantenlezers, politici, officieren, huisvrouwen. Een en ander wordt vanuit een Weens café becommentarieerd door 'de optimist' en 'de kankeraar'. De laatste is uiteraard het alter ego van Kraus zelf.

'De laatste dagen' omvat vijf bedrijven. Het geheel telt meer dan 200 scènes, waarin tientallen personages opdraven. De opvoering, schreef Kraus in zijn woord vooraf, "beslaat, gemeten naar aardse maatstaven, tien avonden". Het is alleen geschikt voor een theater op Mars, vond hij. "Geen wereldse toeschouwer houdt het vol. Want het is bloed van hun bloed en de inhoud (...) is de nachtmerrie van een tijd dat operettefiguren de tragedie van de mensheid speelden."

De toon van het stuk is inderdaad operette-achtig. Alle betrokkenen krijgen hun vet. Ze worden neergezet als onnozelaars die blindelings de oorlogspropaganda volgen. De oorlog als 'heldhaftige tijd', als 'geestelijke bevrijding', als 'verrijking', als 'onvermijdelijke verdedigingsoorlog'. De kankeraar: "Het is afgelopen met een volk dat zijn frasen zo heeft uitgehold dat het kan leven in een situatie waarin het de inhoud ervan niet meer beleeft."

Zelfs intellectuelen als Robert Musil geloofden volgens Kraus bij het begin van de oorlog in zulke frasen. De schrijver die na de oorlog de ultieme onheilsroman 'De man zonder eigenschappen' zou schrijven, had het in 1914 in een deftige Weense krant nog over de "wedergeboorte van het Duitse wezen", over de "herbezinning op deugden als moed, trouw, onderdanigheid en plichtsbesef", en over de "heerlijke koorts ter redding van Europa".

Dat zijn de frasen waarmee Karl Kraus in 'De laatste dagen' definitief afrekende. In zijn stuk richt hij zijn pijlen onder meer op oorlogsverslaggeefster Alice Schalek, de eerste vrouw die als embedded journalist rechtstreeks vanuit de loopgraven verslag deed van de oorlog. In talloze scènes hekelt hij het hoera-patriottisme waarmee zij haar verslagen opsierde. "De eenvoudige man, hoe hij leeft en lijdt, de verrukking van het ware bestaan", citeert Kraus.

De mensenhater

Hoezo satire? Een derde van wat in 'De laatste dagen' staat, zo hebben tekstonderzoekers later vastgesteld, is letterlijk geciteerd uit de pers. Kraus hoefde meestal niets aan de gepubliceerde teksten te veranderen om hen satirisch te laten klinken. "Servië moet stervië", schreven de kranten. "De Rus moet aan de lus!" en "De Brit moet aan het spit!" Aan stijlbloempjes geen gebrek in de media.

Het stuk eindigt apocalyptisch met bliksem en donder, een vlammenzee, neerdalende aswolken en een meteorenregen. Van boven klinkt de stem van God: "Ik heb het niet gewild." Dat zijn dezelfde hypocriete woorden als waarmee de Duitse keizer Wilhelm II, de door Kraus meest gehate oorlogshitser, zich in 1915, na een jaar vol bloedige veldslagen, tot het volk richtte: "Ik heb de oorlog niet gewild."

Nog vóór de wereld in 'De laatste dagen' voorgoed ten onder gaat, houdt de kankeraar een ultieme, wanhopige tirade: "Red ons, jullie gesneuvelde soldaten, jullie misbruikten en vermoorden. (...) Sta op uit jullie graven, kruip uit de grond omhoog, roep dat tuig, de beulen en slachters en verslaggevers ter verantwoording, verschijn in hun slaap. (...) Kom mij te hulp, jullie vermoorden! Opdat ik niet tussen deze mensen verder hoef te leven!"

Het is Kraus ten voeten uit. Kraus de mensenhater, wiens afschuw van het slachthuis dat mensheid heet, nauwelijks aan actualiteit heeft ingeboet. Niet voor niets is de gevierde Amerikaanse romanschrijver Jonathan Franzen onlangs aan 'Het Kraus-project' begonnen, waarmee hij wil laten zien dat de mechanismen waarop Kraus de vinger legde, nog altijd opgeld doen. Denk alleen maar aan de manier waarop de oorlog in Irak is begonnen.

'De laatste dagen' is, hoe kan het ook anders bij zo'n monstrueuze omvang, betrekkelijk weinig opgevoerd. Kraus heeft er zelf nog vele malen uit voorgelezen, andere beroemde voordrachtskunstenaars deden het hem na. Bewerkingen die het stuk tot een normale omvang terugbrachten, zijn her en der gespeeld, in 1988 ook in Amsterdam. Onlangs waagde het Staatstheater Dresden zich aan een versie die er een uitbundige groteske van maakte.

Kraus zette na de Grote Oorlog zijn leven van ervoor op dezelfde voet voort. Hij bleef vergeefs zijn barones het hof maken, haalde zich het ene proces na het andere op de hals door prominente intellectuelen te beledigen (processen die hij meestal won), en zocht wanhopig naar een tehuis voor zijn eigen zielenheil: hij keerde het jodendom de rug toe (wat sommigen "klassieke joodse zelfhaat" noemden), werd katholiek, maar verliet ook die kerk weer.

Nog één keer werd Kraus, net als aan het begin van de Grote Oorlog, door stomheid geslagen. Dat was toen Hitler in 1933 de macht greep. Maandenlang verscheen er geen 'Fakkel' meer. Het grote essay dat hij in die tijd schreef, heet 'Die Dritte Walpurgisnacht' en begint met de beroemde, laconieke woorden: "Mij wil bij Hitler niets te binnen schieten". Er volgt een 400 pagina's lange tirade tegen de machinaties van de nationaal-socialisten.

In vergetelheid geraakt

Kraus was in die jaren enigszins in vergetelheid geraakt. Zijn 'Fakkel' liep niet zo goed meer en zijn voordrachten trokken steeds minder publiek. Zelfs de nationaal-socialisten achtten zijn boeken niet de moeite waard om op de brandstapel te worden gesmeten. Desalniettemin besloot Kraus 'Die Dritte Walpurgisnacht' niet te publiceren uit angst voor repressailles tegen hem en zijn naasten. Het boek verscheen postuum in 1952.

Kraus heeft de Tweede Wereldoorlog niet meer meegemaakt. De man die de ondergang van de mensheid al eens eerder van nabij had beleefd, restte weinig anders dan een alledaagse dood te sterven. In juni 1936 overleed Karl Kraus, 62 jaar oud, aan de gevolgen van de aanrijding door een fietser.

Het drama 'Die letzten Tage der Menschheit' is compleet op internet te lezen onder www.gutenberg-spiegel.de.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden