'De man klauwde zich van angst vast in de grond. Ik zal het nooit vergeten'

'Tabee Toean, Op patrouille in 'Nederlands Indië' van Tom Verheul draait vanaf 17 augustus in Amsterdam (Rialto), Utrecht ('t Hoogt), Nijmegen (Cinemariënburg) en Arnhem (Filmhuis).

“Hier was het”, wijst Chris Paling aan. Voor het eerst sinds 45 jaar loopt hij over de brug die hem al die tijd in zijn herinnering achtervolgde. Paling is een van de veteranen die met filmregisseur Tom Verheul teruggingen naar Indonesië. Om voor de camera over hun oorlogsjaren in Nederlands-Indië te vertellen, vooral over de excessen en de trauma's die sommigen van hen er aan over hebben gehouden.

Als verbindingsman zag Paling zelf hoe Nederlandse soldaten twee burgers op de brug standrechtelijk executeerden. En hoe een gevangen genomen Indische jongen werd doodgeschoten, omdat hij zich bij geweervuur van de Republikeinen liet vallen met de radio die hij moest dragen.

Voor Paling (69) is het geen trauma geworden, slechts een levende, dramatische herinnering. Maar hij blijft wèl met vragen zitten. Wie gaf de opdracht? Zijn eigen commandant Wim Hofman, voor de militairen 'Bolle Willem', die zo goed was voor zijn manschappen? In de loop van het gesprek zegt Chris Paling zich 'een soort verrader' te voelen. “Ik wil geen rechtbank spelen, ik heb alleen maar vragen.”

Tijdens de tweede politionele actie, eind '48, trok de compagnie van kapitein Hofman, waarbij Paling was ingedeeld met zijn radio, in vijf dagen op naar Kediri in Midden-Java. Een spoorwegviaduct werd veroverd. “Met messen en bajonetten werden vier TNI-soldaten in de post geëlimineerd, om geen lawaai te maken. Dat was niet leuk, maar dit waren militairen.”

De nationalisten waren verrast door de snelle opmars van de Nederlanders, vertelt Paling. Op eerste kerstdag liep Hofmans compagnie Kediri binnen. “De spanning was geweken. Vuurcontact hadden we nauwelijks gehad, we waren alleen doodvermoeid. Je zag de TNI vertrekken en we dachten: dit is gefikst. Als Soekarno gevangen wordt genomen, wordt er nog wat gerotzooid en dan begint de repatriëring.”

Niets was minder waar. De Republikeinen hadden zich teruggetrokken in de bergen en begonnen een guerrilla-oorlog. De Nederlandse posten lagen verder uit elkaar nu heel Java was veroverd en in steeds kleinere, kwetsbaarder groepjes moesten de soldaten op patrouille. “Het was een geweldige deceptie dat de oorlog niet was afgelopen. Kediri werd voor ons een concentratiekamp met een hek erom heen en we waren onze eigen bewakers. Je kon daar niet weg, we werden omringd door meer dan 1500 ploppers. Je wist niet meer wie je vriend en wie je vijand was. We moesten in groepjes door de stad lopen en daarbuiten was het echt oppassen. Er waren maar enkele gewonden gevallen in de opmars, maar het begon pas. Je patrouilleert, loopt kans op een trekbom te stappen, je hebt nog maar één gedachte: overleven.”

De Republikeinen vernielden bruggen en wegen, legden trekbommen en mijnen en beschoten konvooien. In een paar maanden tijd vielen meer doden aan Nederlandse zijde dan in de twee jaar daarvoor.

De legerleiding besloot begin maart '49 tot 'zuivering van de zijterreinen', om een eind te maken aan de sabotage-acties. Een bataljon van 1600 man ging het gebied uitkammen. Palings compagnie nam er deel aan en hij moest mee, met zijn radio van 15 kilo.

“Zwaar en afmattend was het. Vijf dagen lang trokken we door de rimboe, beschermd door artillerievuur. Het gefluit van granaten boven je hoofd deed mij huiveren. Toen begon het feest. Bij het eerste dorp vonden we alleen oude vrouwen en kinderen, verder was iedereen weg. In de verte hoorden we de tong tong, een grote trommel, die de volgende kampong waarschuwde. Die was ook verlaten. En ook daar die tong tong. Bij verdachte schuilplaatsen gooiden we voor de zekerheid een handgranaat naar binnen. Het was heel deprimerend, we wilden er toch een paar gevangen nemen.”

Net buiten een kampong stuitte de troep op een jongen van ongeveer 18, weggedoken in een gat. “Hij droeg geen wapens, maar wel een zwart pak en kon dus TNI zijn. Hofman zei tegen mij: dat radiotoestel kan hij dragen. Ik protesteerde, ik had mijn toestel altijd zelf gedragen.”

Hofman hield vol en de jongen hees de zware radio op zijn rug. Maar toen plotseling in de verte geweervuur klonk, liet de jongen zich naar achteren vallen, zodat het erop leek dat hij de radio wilde beschadigen. “Hofman fluisterde iets tegen de inlichtingenman en gaf de jongen te kennen dat hij het toestel af moest doen en mocht gaan. De jongen voelde nattigheid en bleef staan, maar na wat gevloek ging hij toch lopen. Een schot, en de jongen zakte in elkaar. Totaal overdonderd liep ik verder.” Paling zou zijn radio nooit meer afgeven.

Drie dagen liep de compagnie van de ene verlaten kampong naar de volgende. De vermoeidheid sloeg toe. Kreten als 'verdomme, ik ga niet verder' klonken, waarop kapitein Hofman steevast antwoordde: “Ga maar zitten joh, wij gaan door”.

Zo kwam de getergde compagnie op de terugweg langs de Bailey-brug bij het dorp Meridang. “We waren echt kapot en zouden daar worden opgehaald. We zaten op een veranda, toen tien burgers door Nederlandse soldaten naar de brug werden gedreven. Ze moesten gaan liggen. Ik was nog niet gealarmeerd, want het gebeurde wel meer dat burgers bij de guerrilla zaten. Dan moesten ze mee voor verhoor. Maar plotseling werd er een weggehaald en tegen de brug gezet. Met een nekschot werd de man afgemaakt. Hij viel in de kali en dreef weg. Een tweede dorpeling werd gehaald. Ik zal het nooit vergeten. Hij klauwde zich van angst vast in de grond. Maar hij werd naar de brug gesleept en doodgeschoten.”

Er ontstond deining. Een klein aantal militairen, onder wie Paling, vond dat dit te ver ging. Of het protest hielp, weet hij niet, maar de overige dorpelingen moesten terug naar Meridang om te vertellen wat er zou gebeuren, als iemand de brug opnieuw vernielde.

Paling heeft er op dat moment geen werk van gemaakt. “De auto's kwamen, we gingen terug naar ons onderdeel. 's Avonds heb ik er niet meer over gesproken. Je raakt moreel afgestompt. Het vervaagt.”

Hij werd nog één keer overgeplaatst. Op 10 augustus werd de wapenstilstand afgekondigd, vier maanden later vond de soevereiniteitsoverdracht plaats en op 15 maart 1950 kwam Paling in Rotterdam aan.

Een half jaar had hij nog last van angstaanvallen, daarna kon Paling, die voor zijn uitzending al bij de politieke recherche had gewerkt, zich weer volledig concentreren op zijn carrière bij het ministerie van justitie.

Toch bleef hij met het brug-incident zitten. “Is dat een spontane actie geweest of een opdracht van hogerhand? Het gekke is dat, naarmate je ouder wordt en de balans opmaakt, die vragen belangrijker worden.”

Daarom werkte hij mee aan de documentaire 'Tabee Toean'. In het voorjaar van 1994 ging Chris Paling met de regisseur terug naar Indonesië. Hij glimlacht: “Vreemd om daar zonder geweer rond te lopen.”

Na de reis en de opnamen gingen de veteraan en de regisseur in de archieven van het legermuseum op zoek naar het brug-incident. “Daar haal je niets uit. 595 doden bij de vijand in dat kwartaal, dat wel. Daar kunnen die twee dorpelingen ook bij zitten.”

Paling kreeg steeds meer behoefte om met kapitein Hofman zelf te praten. Diep teleurgesteld keerde hij terug uit Engeland, waar deze nu woont. Hofman had zich van alles herinnerd, behalve de jongen met de radio en het brug-incident. “Hij ontkende het. Ik vroeg of hij het verdrongen zou kunnen hebben. Nee, zei hij, maar de leuke dingen heb ik onthouden, de nare dingen ben ik vergeten.”

Paling ergert zich aan het 'alles vergeven en vergeten' van de veteranenorganisaties, waar hij geen lid van is. “Ze gaan naar Indonesië en drinken een borrel met de vroegere tegenstander. Goed hoor, maar over al die ellende die er is geweest, zeggen ze niets. Het gaat om de burgerbevolking. Die is altijd de dupe.”

Hij vindt dat koningin Beatrix gewoon op 17 augustus naar Indonesië had moeten gaan, niet twee dagen later. “Het is hun onafhankelijkheidsdag, niet de onze. Als we echt weer goede banden met Indonesië willen, hadden we daar gewoon naar toe moeten gaan. Dan hoef je ook niet officieel je excuses te maken.”

Paling benadrukt wel dat het leger ook goede dingen deed in Indië, en misschien wel een burgeroorlog heeft voorkomen. Zelf geloofde hij, ondanks alle propaganda, in 1946 al in het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs, zolang dat in goede samenwerking met Nederland gebeurde. Het 'waar zijn we in godsnaam mee bezig' kwam pas later.

Maar aan overlopen naar de TNI, zoals Poncke Princen, heeft Paling nooit gedacht. “De wapens opnemen tegen je eigen mensen, dat vind ik te ver gaan. Maar wat Princen heeft gedaan is allang verjaard. Als die man zijn kinderen hier wil opzoeken, heb ik daar geen problemen mee.” Wel ergert de Rijswijker zich aan de kritiek van minister Pronk op schending van mensenrechten in Indonesië: “Zeker een Nederlander moet in Indonesië niet teveel over mensenrechten praten. . .”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden