De man die alle modes negeerde Mijn Held

Zijn personage was onopvallend, zijn muziek op het eerste gehoor monotoon, en zijn teksten leken doodeenvoudig. Toch verwierf de Franse chansonnier Georges Brassens (1921-1981) de heldenstatus bij Sylvain Ephimenco en zijn vrienden.

Sylvain Ephimenco

Het vreemde is dat ik me het type weer niet meer kan herinneren. Voor de rest is alles nog vrij helder. De lichtblauwe Kever waarmee ik uit Nederland was vertrokken. Het tijdstip van vertrek en dat van aankomst, vlak na acht uur in de avond, in Parijs. De file bij Saint-Denis en de zigzaggende rode auto van een volstrekt dronken Franse bestuurder op de Boulevard Périphérique. En natuurlijk de sombere uitdrukking op het gezicht van mijn broer toen hij de deur opendeed.

Heel intrigerend, dat masker van compassie. Ik bezocht hem één of twee keer per jaar en ons weerzien werd meestal vrolijk ingeluid. Maar op die vrijdagavond, meer dan vijfentwintig jaar geleden, vertoonde zijn gelaat het medeleven en fatalisme dat zo kenmerkend was voor ’Le fossoyeur’, een van de chansons van mijn held.

God weet dat ik niet kwaadaardig ben van

karakter,

Dat ik de dood van de mensen nooit wens,

Maar als men niet meer zou sterven,

Zou ik op mijn bermpje van de honger

creperen,

Ik ben maar een armzalige doodgraver.

Ja, dood gaan we allemaal. En er moeten niet alleen mensen zijn die de doden begraven maar ook boodschappers die het slechte nieuws brengen.

Eigenlijk had het op die 30ste oktober 1981 moeten spoken. Storm, herfstbladeren wervelend door de lucht, klappen van regen tegen de ramen, inktzwarte wolken als zeisen van tranen. Maar zo moet het niet zijn geweest. Waarschijnlijk was het een rustige herfstdag die niet past in mijn selectieve geheugen. Het onweerde en spookte alleen in mijn hoofd toen de begroetingswoorden van broerlief bij de deuropening weerklonken.

„Mama heeft zojuist gebeld. Ze vond het zo erg voor jou dat hij dood is.”

En na een korte stilte: „Ja, Brassens is dood.”

Ik liet mijn reistasje bijna op de grond vallen. De dood die Brassens zo vaak bezongen had, had uitgedaagd, in allerlei poëtische gedaanten had gegoten, diezelfde dood had uiteindelijk wraak genomen. Ik dacht natuurlijk aan de eerste woorden van zijn befaamde ’Supplique pour être enterré sur la plage de Sète’, met negen minuten zijn langste nummer ooit: „Magere Hein die mij de bloemen nooit heeft vergeven / die ik in zijn neusgaten heb gezaaid / achtervolgt me met zijn achterlijke ijver”

Diep, heel diep in mijn binnenste vormde zich een melancholische leegte. Mijn meester was de vorige nacht door de kanker verslagen die een jaar eerder was geconstateerd. Hij stierf om 23.14 uur in het dorpje Saint-Gély-du-Fesc nabij Montpellier. Uitgeput, kon hij nog net op een fluitje blazen om zijn vrienden bij zich te roepen. Georges Brassens, de anarchistische zanger en dichter, was net zestig jaar geworden en ik kende al zijn liedjes uit mijn hoofd.

Ooit hoorde ik in het literaire tv-programma ’Apostrophes’ de junk-zanger Serge Gainsbourg beweren dat het schrijven, componeren en zingen van chansons een art mineur was. Hij werd onmiddellijk van repliek gediend door Guy Béart, een van de herauten van het Franse lied. Gainsbourg was een meester in provocaties. Ooit verbrandde hij voor de televisiecamera, tot verontwaardiging van vele kijkers, een briefje van 500 francs. Gainsbourg koketteerde graag met zijn beruchte zelfhaat en hij moet heimelijk hebben betreurd dat hij nooit was doorgedrongen tot de echte elite van wat hij een art mineur noemde. Want chansons zijn sinds de Middeleeuwen nauw verweven met de Franse ziel.

Er is praktisch geen evenement, oorlog of revolutie in de geschiedenis van dat land of ze hebben zich dankzij een chanson in het nationale geheugen genesteld. ’La Marseillaise’ van de voor de rest vrijwel onbekende componist Rouget de l’Isle is hier het bekendste voorbeeld van – helaas van een zeer matig niveau, zowel tekstueel als muzikaal. Misschien zijn de wraakzuchtige liederen van de Sans Culottes uit 1789, ’Ah ça ira’ of de ’Carmagnole’, een betere afspiegeling van wat er destijds in de hoofden van de kinderen van de guillotine omging. Maar chansons die oproepen tot het opknopen van politieke tegenstanders, vooral aristocraten en royalisten, zijn weinig consensusgericht en konden moeilijk de vernieuwde nationale eenheid verwoorden. De pompeuze Marseillaise, die zich expliciet tegen de buitenlandse vijand van de Republiek richtte, paste beter in de geest van het postrevolutionaire tijdperk dat in Frankrijk nog steeds voortduurt.

Bijna honderd jaar later schreef Jean-Baptiste Clément het veel subtielere ’Le temps des cerises’ om de opstand van de Parijse communards uit 1871 te vereeuwigen. Kersen die als druppels bloed neerdalen. In 1914 werd het Franse kanonnenvlees in de loopgraven met het schuine liedje ’La Madelon’ in slaap gesust. En de verzetsstrijders uit de Tweede Wereldoorlog neurieden in hun maquis het sombere ’Chant des Partisans’. Over de studentenopstand van mei 1968 hebben zich heel wat auteurs gebogen. Maar de geniale ritmiek van Claude Nougaro met zijn ’Paris mai’ blijft ongeëvenaard.

Mei, mei, mei, Parijs, mei

Mei, mei, mei, Parijs!

De helm van de kasseien beroert geen

wimper meer,

Opnieuw druipt het wijwater in de Seine,

De wind heeft de as van Bendit verstrooid,

En iedereen is in zijn automobiel

teruggekeerd.

Brassens daarentegen heeft zich altijd op respectabele afstand gehouden van al te tijdgebonden onderwerpen. Aan de harde actualiteit had hij een broertje dood. Die beschouwde hij als oppervlakkig en eigenlijk vulgair. En als hij toch een recente gebeurtenis wilde uitbeelden, dan nam hij zoveel armslag en omwegen dat hij al gauw in een sprookjesachtig verhaal of in de Middeleeuwen belandde. Sommige van zijn liedjes zijn dan ook rijkelijk bevolkt met kasteelheren, prinsessen, nonnen en troubadours.

Dat hij bij mij vanaf mijn veertiende een heldenstatus verwierf, lag niet voor de hand. Zijn personage was opvallend saai, zijn muziek op het eerste gehoor eenvoudig en monotoon, en voor de adolescent die ik was, leken zijn teksten doodeenvoudig en tegelijkertijd uiterst gecompliceerd door het archaïsche taalgebruik.

De man was berucht om zijn schuwheid die al te vaak de vorm aannam van plompe ongemanierdheid. ’De beer’ was zijn bijnaam, net niet vergezeld door de kwalificatie ’ongelikte’. Als geen ander wist hij de publiciteit te mijden door zich in zijn huisjes in Zuid-Frankrijk en Parijs af te zonderen. Schaars waren ook de interviews die hij gaf. En wanneer hij bij hoge uitzondering toch op televisie verscheen, dan moest de interviewer ieder woord met de verlostang uit zijn mond trekken. Brassens sprak bijna altijd op fluisterende toon – alsof hij zich wilde verontschuldigen voor zijn gedwongen aanwezigheid in de spotlights.

Ik kan me een memorabel optreden herinneren, midden jaren zeventig, die door de Franse televisie groots was aangekondigd. Men zou op die avond over het antimilitarisme debatteren. Brassens had een stevige reputatie van onverbeterlijk pacifist en overtuigd antimilitarist. Daarbij was hij zeer antiklerikaal, zoals een ware anarchist betaamt. Maar dan wel een anarchist van het ongebonden soort: noch God, noch meester. Hij hield zich verre van clubjes, partijen of bewegingen, en anders dan zijn zingende tijdgenoten zette hij nooit zijn naam onder een manifest of pamflet. Riep nooit op tot het steunen van een kandidaat voor de presidentsverkiezingen. Het individu stond voorop en zijn vrijheid van denken en onafhankelijkheid gingen boven alles. In zijn liedje ’Le pluriel’ (het meervoud) was hij daarover zeer expliciet: „Het meervoud is voor de mens van geen waarde/ zodra we met meer dan 4 mannen zijn/ worden we een stelletje klootzakken.”

Dat deze rebelse Brassens toch op televisie in discussie zou gaan met militairen als de oud-generaal Bigeard, berucht om het dekken van martelpraktijken in de Algerijnse oorlog, was een ware sensatie. Er kwamen die avond ook uitgesproken rechtse, zo niet extreem-rechtse figuren opdagen.

Brassens hield zich de hele uitzending op de vlakte. Hij leek volstrekt ongeïnteresseerd. Zoals gebruikelijk produceerde hij weinig woorden, maar wel opvallend dikke rookwolken uit zijn onafscheidelijke pijp die het zicht van de camera’s vertroebelden. Wie verwachtte dat hij de aanwezige militairen ervan langs zou geven, kwam van een koude kermis thuis. Sinds wanneer daalt God van zijn wolk om met nietige creaturen te bekvechten? Die militairen lagen overigens aan de voeten van de man die na dertig jaar schrijven, componeren en zingen een levend monument was geworden. Met laffe zelfverloochening verklaarden al die gewezen bloedhonden doodgewoon fans te zijn van de anarcho-pacifist. Brassens moet die avond het effect van al die doodskussen gevoeld hebben. Op een gegeven moment hief hij zijn hand en riep hij ironisch en een tikkeltje geïrriteerd: „Heren, heren, als u zo doorgaat, verlies ik mijn publiek.”

Voor de groupies die mijn vrienden en ik waren moest snel een dubbele bodem in deze toch al bleke prestatie van onze held worden gevonden. Onze onvoorwaardelijke bewondering kon zich geen twijfel veroorloven. Nadat we tot in de kleine uren hadden gedebatteerd, geworsteld en geanalyseerd, kwamen we tot de conclusie dat Brassens werkelijk van een andere planeet kwam. En dat sterkte ons in de overtuiging dat de man uniek was. Had hij in die uitzending niet minzaam boven het onderwerp en de hoofden van de voor hem kruipende officieren gezweefd? Onze held was ongrijpbaar en had maling aan alles. En toch stelde hij een subtiele daad als anarchist, vonden wij: de hinderlijke rook die hij uit zijn pijp zoog en blies was natuurlijk bedoeld om dit burgerlijke evenement vol militairen te ontregelen.

Georges Brassens werd op 21 oktober 1921 in het Zuid-Franse Sète geboren. Zijn moeder Elvira was een devote katholiek van Napolitaanse origine, zijn vader Jean-Louis daarentegen een vrijdenker met een uitgesproken afkeer van de kerk. Toch produceerde deze op het eerste gezicht tegennatuurlijke verbintenis een wolk van liefde waarin de kleine Georges een gelukkige jeugd zou vinden. Ook toen al was hij een rebel die meer belangstelling had voor vechten en kwajongensstreken dan voor studeren. Meer dan eens werd hij van school gestuurd. Als puber werd hij door de politie gearresteerd omdat hij zich met vrienden schuldig maakte aan kleine diefstallen. Op een dag moest zijn vader hem van het politiebureau halen. Maar, anders dan de vaders van zijn vrienden, zou deze imposante man hem niet straffen en geen verwijten maken.

Deze periode in zijn leven drukte onmiskenbaar een stempel op zijn karakter en vormde de bron voor heel wat latere liedjes. De tolerante en antirepressieve vader is terug te vinden in ’Les quatres bacheliers’. En zijn rebellie is vereeuwigd in het emblematische ’La mauvaise réputation’: „In het dorp zonder pretentie, heb ik een slechte reputatie.”

Vanaf de jaren veertig schrijft Brassens honderden gedichten en liedjes die vaak niet verderkomen dan de vlammen van de kachel. Hij raakt gefascineerd door dichters als Francois Villon en Paul Valéry en leeft een armoedig bestaan in Parijs waarnaar hij vertrokken is. In feite wordt hij door vrienden onderhouden; hij woont in een krot waar zijn grote liefde Jeanne wat ruimte voor hem heeft gemaakt.

Pas begin jaren vijftig begint hij in kleine zalen van de Franse hoofdstad op te treden. In die halflege cabarets wordt hij keer op keer met echecs geconfronteerd. Zijn poëtische, directe liedjes die de bourgeois verfoeien en de goede zeden op de hak nemen, begeleidt hij met eenvoudige gitaarmelodieën. Zijn onbehouwen verschijning raakt het publiek maar matig. De oncharismatische Brassens is volstrekt gedesillusioneerd en staat op het punt zijn avontuur te beëindigen.

Dan wordt hij ontdekt door een vrouw, de beroemde zangeres Patachou, die hem de kans geeft om in haar befaamde cabaret op te treden. Vanaf 1952 is het succes ongekend. In de dertig jaar die zijn carrière uiteindelijk beslaat zal de zanger in totaal meer dan twintig miljoen platen verkopen. Fransen vallen en masse voor deze anarchistische beer die burgerlijke taboes aanvalt maar ook liefdesballades zingt – soms in pornografische taal. (In een lied omschrijft hij zichzelf als ’de pornograaf van de fonograaf’.) In zijn eerste grote hit, ’Le gorille’, ontsnapt een Bokito avant la lettre uit zijn kooi. De geile gorilla grijpt een passerende rechter in zijn nekvel en verkracht hem in de nabijgelegen struiken. Brassens eindigt zijn chanson door op te merken dat de rechter op het moment suprème huilt en ’mama’ schreeuwt – net als de man die hij dezelfde dag had laten guillotineren.

Rijken, machtigen, bourgeoisie en hypocrieten nemen bij Brassens vaak de gedaante aan van gendarmes, flics, rechters, bisschoppen en militairen. Het uniform en de kazuifel zijn verdacht, de sociale en politieke hiërarchie is onderdrukkend. Maar de aartsvijand is bovenal de bonnes gens, de gegoede burgerij met haar conventies en goede zeden. Om die te benoemen heeft Brassens alleen het alomvattend begrip les cons nodig, de klootzakken. Zijn geliefde slachtoffer is dan ook de duffe echtgenoot wiens ontrouwe vrouw met veel passie aan de slaapkamerdeur klopt van onze held. Het toppunt van slechte smaak is de legale verbintenis. Het huwelijk bederft de liefde en het avontuur begint pas bij de vrouw van lichte zeden: „Ik heb de eer om je niet ten huwelijk te vragen/ laten we onze namen niet onderaan een papiertje zetten.” Voor hoeren, dieven, vagebonden, dronkaards en andere marginale figuren heeft Brassens altijd een zwak. Ze leven aan de rand van de verstikkende burgermaatschappij. Zij zijn de echte helden.

Dat in de jaren vijftig rond Brassens een schandaalluchtje hing, is niet te sterk uitgedrukt. Vooral zijn taalgebruik, dat pure poëzie mengde met grove woorden, stond garant voor controverses. En soms werden zijn chansons buiten de ether gehouden.

Eind jaren zestig en in het prille begin van de jaren zeventig leek Brassens even uit de mode te vallen. De fel geëngageerde zanger Leo Ferré met zijn totale en gewelddadige anarchisme (’Bloeddorstig’, zei Brassens) sloot beter aan bij de opstand van mei 1968. Net als Jean Ferrat die met zijn liederen de communistische zielen veroverde, of Georges Moustaki die in zijn zachtaardige ballades de softe revolutie bezong. Zij passeerden Brassens op de linkerflank – hoewel hijzelf de begrippen links en rechts wereldvreemd vond. Daarnaast deden de seksuele revolutie en de erotiserende chansons van het geile koppel Gainsbourg-Birkin (’Je t’aime, moi non plus’, ’69 année érotique’) de libidineuze verzen van de besnorde troubadour enigszins verbleken.

Brassens ouderwets en verouderd, archaïsch en stoffig, has been en passé? Het was in die periode dat een nieuwe generatie jonge en dromerige dwarsliggers de opa van het weerspannige chanson ineens ontdekte. Mijn vrienden en ik vielen voor deze nieuwe held die in feite een antiheld was. Wij maakten van hem ons idool. Van de man die alle modes had genegeerd. Die wars van elk vorm van (politiek) opportunisme zijn eigen weg had uitgestippeld. De ongebonden bezinger van het individuele engagement, buiten elke groep en orde. De zachte anarchist die geen geweld en revolutie predikte en het in sommige liedjes presteerde om door te dringen achter de vijandelijke linies. Die de geboden en verboden van zijn gilde aan de laars lapte om de dief en de hoer te beschermen.

Ik kocht binnen twee jaar al zijn lp’s en leerde al zijn liedjes uit mijn hoofd. In 1973, ik was nog geen zeventien jaar, bezocht ik een optreden en schreef een (natuurlijk lovende) recensie voor de regionale krant. Ik heb het vergeelde en fragiele krantenstukje nog steeds.

Van Brassens leerde ik de liefde voor de taal, voor scherpe formuleringen, voor poëzie. Maar ik leerde van hem ook de paradox te aanvaarden waartegen geen enkele zekerheid bestand is. De man die geen God of meester kon verdragen, was juist door God gefascineerd en werd mijn meester.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden