De magie van vogels

De symboliek van veren, zang en vlucht in de ogen van Romeinse priesters en schilders uit de zeventiende eeuw

PAUL VAN DER STEEN

Er is zoveel te zien in het Rijksmuseum in Amsterdam dat bezoekers onmogelijk alles kunnen opslaan. Sommige beelden blijven echter vrijwel iedereen bij. Het rond 1650 vervaardigde 'De bedreigde zwaan' van Jan Asselijn is zo'n doek dat zich op het netvlies brandt. Een moeder beschermt haar nest met eieren. De symboliek die er destijds in werd gelegd, ontgaat ons eenentwintigste-eeuwers: het schilderij stond voor de manier waarop raadspensionaris Johan de Witt het graafschap Holland beschermde tegen bedreigingen van buiten. Dat het nu zo imponeert, ligt aan de durf van Asselijn. Zijn knobbelzwaan met gespreide vleugels gebruikt de volle breedte van het doek (ruim 1 meter 70). Je hoort het beest bijna blazen.

Met eenzelfde flair werkte Carel Fabritius in dezelfde tijd aan juist een heel petieterig werkje. Bij concurrentie van onder meer 'Het meisje met de parel' van Johannes Vermeer, 'De lachende jongen' van Frans Hals en de stillevens van Adriaen Corte en Willem Kalff is 'Het puttertje' van Fabritius een van de publiekslievelingen van het Mauritshuis in Den Haag. Sinds bestsellerauteur Donna Tartt een boek naar het werk noemde, is de toeloop alleen nog maar groter.

Matthias Depoorter, schrijver van 'Vliegwerk. Vogels in de kunst' vindt 'Het puttertje' "een voortreffelijk werkje in een robuuste en trefzekere stijl". Maar de eerlijkheid gebiedt hem te zeggen dat hij het schilderijtje net iets te weinig om het lijf vindt hebben om het te betitelen als meesterwerk. Vanwaar dan toch die grote populariteit? Misschien is het de aloude fascinatie voor vogels die ook aan de basis lag van Depoorters boek.

Van kindsbeen af was de Belgische schrijver gebiologeerd door vogels, waarschijnlijk mede onder invloed van zijn vader die ook een liefhebber was. Vanaf zijn tiende werd het menens en probeerde hij zoveel mogelijk kennis over zijn favoriete dieren te vergaren. Toch ging Depoorter kunstgeschiedenis studeren. Met dit boek wil hij laten zien hoe gemakkelijk zijn twee liefdes met elkaar zijn te verzoenen.

Vogels en hun vermogen om te vliegen intrigeerden de mens altijd al. Ze zijn niet weg te denken uit de mythologie. Wichelaars en andere pseudogeleerden konden uit soorten, aantallen, vliegrichting, geluid en andere tekens zien wat nog in de toekomst verborgen lag. De Romeinen riepen er zelfs een speciale priesterstand voor in het leven. Veren gaven religieuze objecten, ceremoniële kledij en wapens een extra glans. Daarnaast waren er de meer serieuze wetenschappers. Met scherp waarnemen en onderzoeken vormden ze zich een beeld van hun studieonderwerp.

De Romeinse schrijver Plinius de Oudere wijdde in zijn 'Naturalis Historia' een hoofdstuk aan het fenomeen vogeltrek. Een deel van zijn observaties klopte: ja, ooievaars op doorreis bouwen een vetreserve op voor de tocht die komen gaat. Andere als waar gepresenteerde stellingen waren baarlijke nonsens: nee, ooievaars op weg rijten elkaar niet aan stukken. Soms zei Plinius heel eerlijk dat iets nog duister was: "Waar ooievaars nu eigenlijk vandaan komen of waar ze heen gaan, weet men nog steeds niet".

In de schilderkunst waren soms slechts bijrollen weggelegd voor vogels. Depoorter wijst de lezer op een in eerste instantie misschien niet eens opvallende halsbandparkiet in de handen van het kindje Jezus op 'Madonna met kanunnik Joris van der Paele' van Jan van Eyck uit 1436. De meester van het realisme was overigens wat deze vogel betreft minder op dreef, de tekening in zijn verenkleed stemt niet overeen met de werkelijkheid, de kop is weinig secuur afgebeeld en de snavel is te lang en te smal. Soms keken kunstenaars juist heel goed naar vogels. Om engelen van geloofwaardige vleugels te voorzien speelden ze leentjebuur bij de natuur.

Een enkele schilder maakte een specialisatie van alles wat vloog. Melchior Hondecoeter (1636-1695) verkocht menig vogelstuk. Exotische soorten, niet zelden neergezet voor een Italiaans aandoend landschap, deden het goed in de interieurs van de nieuwe rijken. Frans Snijders (1579-1657) en een deel van zijn leerlingen maakten naam met hun vogelconcerten, waarbij een hele reeks soorten, vaak ook vogels die helemaal geen zangers waren, in een fantasierijke kooropstelling stond. De dirigent, vaak een uil, moest ervoor zorgen dat het nog tot iets leidde.

'Vliegwerk' is slechts een half geslaagd boek. Aan Depoorters betrokkenheid bij het onderwerp heeft het niet gelegen. Hij struikelt bij tijd en wijle bijna over zijn enthousiasme. "Kun je je een hemel inbeelden zonder vogelsilhouetten? Hoe leeg, mistroostig zelfs, zou de aanblik zijn?", schrijft hij. Niet-vogelaars noemt de auteur 'de armen van geest'. Ze weten niet wat ze missen. De wereld rondom wordt zoveel betekenisvoller met kennis over vogels. De jaren zonder kan Depoorter zich eigenlijk niet meer voorstellen: "Ik kan niet meer afdalen in mijn geheugen naar een periode waarin ik me niet laafde aan vogelzang".

De illustraties zijn ook een lust voor het oog. Het boek maakt ruimte voor fraaie voorbeelden uit de kunstgeschiedenis. Deels verplichte hoogtepunten, deels persoonlijke favorieten, verklaart de schrijver zijn selectie.

Het gaat fout in de tekst. In zijn inleiding belooft Depoorter een hybride boek: zowel ornithologische als kunsthistorische beschouwingen, dat alles ook nog eens gelardeerd met persoonlijke ontboezemingen van de schrijver als vogelaar. Zo'n complexe structuur is mogelijk als een auteur erin slaagt om voldoende cement aan te brengen tussen de afzonderlijke bouwstenen. Dat lukt Depoorter niet. Zijn bijdragen hangen als los zand aan elkaar.

De hoofdstukken missen een duidelijke richting. De schrijver fladdert van het ene onderwerp naar het andere. Van verdieping komt het vaak niet. Zo komt de symbolische betekenis van vogels er bekaaid vanaf. Zeker in vroeger tijden school achter vrijwel elk element op een schilderij een bijzondere betekenis. De zwaan op Asselijns doek, uit het begin van dit artikel, stond bijvoorbeeld ook vaak voor zuiverheid en liefde.

Het puttertje symboliseerde de passie van Christus. Het beestje voedt zich met distels en wordt ook wel de distelvink genoemd. Volgens de legende zou hij tijdens de kruisweg van Christus een doorn uit diens hoofd hebben getrokken. Daarbij zou wat bloed van de veroordeelde verlosser zijn opgespat, wat de rode vlek op het kopje van het vogeltje zou verklaren.

Moderne kunst ontbreekt ondertussen vrijwel volledig. Maar dat kan de vogelaar in Depoorter zijn. Ondanks zijn kunsthistorische achtergrond blijft hij kijkend naar schilderijen toch eerst en vooral een spotter.

Matthias Depoorter: Vliegwerk. Vogels in de kunst Athenaeum; 240 blz. euro 35

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden