De machtsstrijd

Elk verhaal sleept een ander verhaal achter zich aan. Het is dit tweede verhaal waar het om gaat, waar u als lezer op zit te wachten.

Schrijvers Gerwin van der Werf, Maartje Wortel, Ingmar Heytze, Elke Geurts, Ernest van der Kwast, Manon Uphoff en Thomas Heerma van Voss maakten voor Zomertijd een 'sterk verhaal'. Vandaag a¿evering 6.

Dit was het geval; wij bevonden ons in Kirgizië, tijdens het internationale PEN-congres in Bisjkek. Een bonte stoet van dichters, schrijvers, romanciers, afkomstig uit meer dan tachtig verschillende landen en gebieden, trok in gekreukte wijde broeken, slank gesneden pakken (Japan), traditionele kledij (Nepal, Tibet) door de congreszalen. Sommigen droegen bruine hoedjes die leken op bootjes. Anderen, oude meisjes, hadden hoog opgetaste mahoniekleurige haardossen en droegen wijde rokken met biesjes.

We hadden lezingen bijgewoond over de mensenrechten, de foto van de tot levenslang veroordeelde Azimjon Askarov van een signatuur voorzien, in een yurt geluisterd naar de befaamde zangeres R., en tijdens lange algemene vergaderingen waarin altijd dezelfde mensen aan het woord kwamen (zoals een Fransman die steevast riep dat hij maar un petit moment nodig had, maar de diepe teug lucht die hij dan nam wees op iets volledig anders en door ervaring wijs geworden trok de meute al naar de hal waar de lunchhapjes werden geserveerd) tientallen petities getekend. Nu bevonden wij ons in een bus, in kleiner gezelschap. Een excursie rond het meer van Issyk-Kul. We zouden overnachten bij een Kirgizische nomadenfamilie, daar dineren, meer van dit wonderbaarlijke uitgestrekte land zien met zijn specerijkleurige aarde, besneeuwde bergtoppen, staalblauwe water.

Ik had van een collega de novelle 'Jamila' (van schrijver Almatov) geleend. Mijn meereizende partner en ik hadden lang door Bisjkek geslenterd op zoek naar een boekhandel, na vele omzwervingen waren we terechtgekomen op een schrale verdieping van een warenhuis, daar bevond zich een soort witte boekenmarkt, met tuingidsen, een paar reis- en hobbyboeken en lesboeken Russisch en Engels. We mochten niet vergeten dat de Kirgiezen zich voornamelijk bezighielden met orale vertellingen, en dat er in het land sprake was van een orale verteltraditie. De Manas, het oude heldenepos van bijna een half miljoen regels, de tekst waarin alles zat vervat. Maar deze Kirgizische Odysseus of Ilias werd nog maar in zijn geheel gekend door zo'n vier of hooguit vijf eerbiedwaardige oude mannen.

Goed, hoe het precies kwam en georganiseerd was weet ik niet. Maar daar zitten we op een gegeven moment op een afgerasterd kippenerf bij een halfafgebouwde betonnen woning, en luisteren naar de oudste dochter van de Kirgiezen, een elfjarig meisje in een lange jurk over haar spijkerbroek, zittend op een lage houten kruk, naast haar op een driesnarige komuz spelende en neuriënde vader. Haar vlakke mooie gezicht is naar het niets of de toekomst gekeerd, haar rechterhand gesticuleert, haar linkerhand slaat tegen haar dij, waarop ze stevige klapjes geeft alsof ze een paard aanvuurt, wij luisteren naar de even felle als onverstaanbare klanken en zien stofwolken, dravende paarden, gevechten, bezwete mannen en vrouwen, kinderen in wollen geweven jasjes, dicht tegen het vee.

Maar ik laat me afleiden, want dit is allemaal helemaal niet waar het om gaat, dit is allemaal bijzaak en komt niet in de buurt van het sterke, ongelooflijke verhaal dat ik wil vertellen. Elk verhaal sleept een ander verhaal achter zich aan, het is steeds dit tweede verhaal dat over de grond schuurt en tegen wanden slaat waar het om gaat - en daarvoor moeten we terug die bus in, waar op de achterbank de in Parijs wonende Russischsprekende Pool en PEN-gedelegeerde zit. Een luidruchtige man, onaangenaam van stem, onaangenaam in gedrag. Steeds als hij wat wil zeggen leunt hij met het volle gewicht van zijn zware bovenlichaam over onze stoel, ademt in het gezicht van mijn man, die moeite heeft met dat soort dingen (hoesten, rochelen, slurpen, boeren, op een raar plekje krabben, je kunt hem net zo goed met een naaldje onder zijn nagels prikken). In onverstaanbare woorden, zijn eigen lingua franca, heeft hij het over politiek, gebouwen, oorlogen en geschiedenissen, hoe achterlijk dit land is waar we doorheen reizen, hoe primitief en on(der)ontwikkeld. Dit alles is gericht tot de groep Esten, die vriendelijk als drietal bij elkaar zit, nu en dan knikt, omkijkt, in een poging om de spreker niet het idee te geven dat ze zijn woorden niet wil horen, maar zonder de suggestie te wekken dat ze hem wenst aan te moedigen.

Een ingewikkelde en precaire kunst, die de Esten evenwel volmaakt beheersen. Zodat de man op de achterbank, schuifelend, en niet zonder af en toe een scherpe wind te laten waarvan de stank door de bus giert (al is het, eerlijk is eerlijk, met al die mensen op elkaar onmogelijk te zeggen of de stank werkelijk van hem komt, die kan ook verspreid zijn door het slapende mannetje met de grijswitte haardos voorin, dat voortdurend nootjes heeft zitten knabbelen, als een eekhoorn, de dopjes liggen overal om hem heen) zodat de man op de achterbank dus, zich in arren moede richt tot de Japanse excentrieke medereiziger rechts voorin de bus, direct achter onze vriendelijke gids, een jonge vrouw.

Wacht, eerst moet je weten: een eigenaardiger mens dan deze Japanner hadden wij nog niet ontmoet. Het vorige jaar was hij voor het eerst ter congres verschenen, in een snikhete zaal met kroonluchters en rijen tafels; klein, krom, gehuld in een kanariegele regencape met capuchon, daaronder blote gebruinde kuiten, witte sokken en Nike-gympen schuifelde hij tussen de tafels, hield nu en dan stil, tilde een naam- en landbordje op, bekeek het, plaatste het terug: Nepal, Birma, Tibet, Hongarije, Kroatië, Polen. Wat een welkome afleiding. Alsof er een mal tropisch vogeltje rondvloog in de ruimte die ons al uren en uren gevangenhield, eindeloze rijen petities, wereldvrede, wereldvrede... En wat met biogassen en het milieu, was het niet van groot belang dat schrijvers, ja, juist schrijvers zich daarmee bezighielden?

En verarming van gewassen, veredeling van zaden, snelwegen, mensenhandel, industrie, de smeltende poolkappen, de petities werden almaar langer en regen zich aaneen tot één grote petitie tegen het aanslibbend onrecht, tot er een massieve grote bol van onrecht overbleef, die wij, schrijvers, de berg op moesten zien te rollen.

Het curieuze Japanse mannetje hipte intussen rond en verdween ook weer uit beeld, wij zagen hem nog een keer, in datzelfde helgele kostuum, op een receptie, waar hij een gebakje at, waarna hij leek te zijn opgelost.

Maar nu zat hij in onze bus en ook hij praatte voortdurend, met groot enthousiasme. Hij bleek stinkend-rijk - een miljonair, een gast buiten uitnodiging, maar met tal van politieke en zakelijke contacten. En toen hij hoorde dat mijn man zich hier in Nederland met molens bezighield, nodigde hij hem onmiddellijk uit om naar de

baai van Tokio te komen, daar was hij bezig om

op een eilandje een pretparkje te bouwen voor Japanners en daar moesten molens komen... "I give you my card", zei hij, "and then my layweh will contact you" en overhandigde hem een kaartje dat nog steeds in mijn mans portemonnee zit.

Bij een tussenstop in de stad Karakol (waar wij het even buiten de stad gelegen przewalskimuseum en het graf van Przewalski bezochten en een stoffig opgezet Przewalskipaard aaiden), een plek met twee modderkleurige straten en afgebladderde gevels, die een zo ongelooflijke desolaatheid uitstraalde dat je er niet somber meer van kon worden, het was hier dat het woord 'desolaat' moest zijn ontstaan, dat het hele begrip en alles wat dit vertegenwoordigde was uitgevonden en uitgewerkt, keken we naar de klapperende borden, de uitgestrekte straat die verdween in de leegte, de winkels met de lege schappen.

Daar, in een antiekwinkeltje vol rommel en curiosa - een roestig strijkijzer, Russische speldjes, een afbeelding van Stalin op een paneeltje, stoffige bierglazen en drankglaasjes en enkele militaire kostuums - wist onze man uit Japan een helgeel synthetisch Nike-mutsje op te diepen, dat hij meteen had opgezet, het label met prijsje bungelde er nog aan.

De Poolse afgezant wees hem erop en zei dat dit verwijderd dient te worden. "No, I want people to see and know that this is Nike and that I bought it here." Hij zei het alsof het zijn overeenkomst was met Nike. Zijn persoonlijke toewijding aan de wens en het doel van Nike om gekend te worden over de hele wereld. Een Nike-patriot. En op de een of andere manier vormde hij een vreemd statement in die kale straten van Karakol. We raakten hem kwijt. Maar natuurlijk vonden we hem, zoals je een kleurrijke kolibrie terugvindt tegen een grijze achtergrond.

Nog steeds dwaal ik af, verwijder ik me van waar het om gaat, wat er gebeurde. Het gesprek tussen hem en mijn man bewoog van molens naar beeldende kunst en vanuit daar naar de literatuur. Toen hij begon over zijn favoriete schrijver Akutagawa wilde ik opspringen en hem de hand drukken en zeggen dat ik deze schrijver, zijn landgenoot, zo enorm bewonder en hem alles vertellen wat ik wist over diens verhalen, het prachtige 'De Dief' en het diep ontroerende 'O-Gin' en het wrange en vreselijke 'In het bos', en citeren uit de brief die was gevonden na zijn dood.

Maar onze man uit Japan en ik hadden nog geen drie woorden met elkaar gewisseld, ik kreeg de indruk dat niets van wat ik dacht of schreef enige betekenis voor hem zou kunnen hebben, de molens dienden een belang, ik durfde niet en zweeg en daar sloeg de Rus-Pool-Fransman zijn hengel naar hem uit, naar de Japanner (zo vrolijk, excentriek en met het kaartje met de prijs van zijn Nike-mutsje bungelend bij elke beweging, hij had inderdaad enorm veel weg van een vogeltje en bleek, niemand had dit kunnen geloven, al bijna tachtig te zijn, maar zo lenig als een wilgentak, zo eigenzinnig als een tiener) en daar stond hij op, onze man, die wij Tamagotchi hadden genoemd, de hele bus sprak hem aan met Tamagotchi, behalve de vriendelijke gids, die zijn echte naam kende en ons steeds verbeterde, daar stond hij op en begaf zich naar de Pool-Rus-Fransman op de achterbank.

Het gesprek, want eventjes leek er tussen de beide mannen een uitwisseling van gesproken woord te zijn dat vaag deed denken aan een gelijkwaardige uitwisseling van gedachten en ideeën, bewoog zich van Esperanto naar het gedeelde verleden, de Russisch-Japanse oorlog. Maar al snel vielen er harde woorden, van het Esperanto kwam niets meer terecht en de Japanse miljonair stond op, maakte een kleine buiging, "I thank you sih", zei hij, "I thank you foh this conve'sation" en keerde terug naar zijn stoel.

Er hing een eigenaardige spanning in de lucht. We keken naar het landschap, dat groter was en uitgestrekter en meer bergen liet zien dan onze ogen aankonden. Alles was leegte, was oker, paprika, kerriekleurig. De wolken dreven als sneeuwwitte schapen voorbij, de bergtoppen gingen over in nieuwe bergtoppen, eindeloze rijen bergen, het was alsof ik door het contrast van Nederland reed.

Er was maar een weg en over die weg reden wij, en niets zagen we, zelfs geen roofvogel, alleen nu en dan wat wilde paarden. Ja, schrijvers zaten gevangen, ook de Kirgizische Askarov zat nog steeds opgesloten, maar hier was alles vrij en bewoog het zonder restricties en beperkingen onder de eindeloze hemel, nergens was bebouwing, nergens zag je een bord of teken van menselijk ingrijpen, op de achterbank werd het stil, tot gesnurk de bus vulde, en Mr. Tamagotchi het woord alleen had, en vrolijk doorkwetterde...

We naderden het meer en daar lag het, reusachtig, niet in een blik te vangen, eindelozer dan een zee, als een grote diepe schaal, het had niets lieflijks, het leek op geslagen metaal, op een verzonnen meer zonder vissen of leven, het was een mooi en grimmig en angstaanjagend meer, een plek om te verdrinken in plaats van te zwemmen, een zoute plek om te verdorsten...

En het was daar, aan de oevers van het meer van Issyk-Kul, waar Kirgizische geitenpolospelers voorbijreden, hun prachtige sterke torso's glanzend in het zonlicht, dat het ridicule gevecht plaatsvond ("Sih, you ah challenging my patience! Silence, Silenzio! On dorme!") Een werkelijk en belachelijk gevecht. Tussen de Pools-Frans-Russische afgezant en de excentrieke Japanse miljonair. Over status. Over wie de baas was in de bus... Esperanto. Oorlogen. En dat het label van het kleine gele mutsje van de Japanse Krijger wordt vertrapt in het stof, en onze gids, een aantrekkelijk meisje, gespecialiseerd en afgestudeerd in conflictbeheersing, ze als een vriendelijke verpleegster uit elkaar haalt en herverdeelt over twee bussen, Mr. Tamagotchi zoals we hem noemden en die andere, met zijn onprettige volume...

Het geval wil dat er nog een gevecht is dat jaar waarbij een PEN-gedelegeerde betrokken raakt. Een eenzaam sinister gevecht onder een brug. Een steekpartij tussen twee monniken, een van hen is de vicepresident van PEN Tibetan Writers Abroad. Was het niet net als een van die verhalen van Akutagawa over wie de Japanse miljonair had gesproken? Een stille, afgrijselijke gebeurtenis vol horror, meteen gehuld in schaduwen. Twee levens sijpelen weg... Badend in het bloed was een van de mannen, de vicepresident, naar het hospitaal gebracht en daar gestorven. (Wat een hoffelijk en zachtmoedig karakter was hij, we hebben een foto van hem, gemaakt aan datzelfde meer van Issyk-Kul, naast een van onze collega's staat hij, in traditionele kleding, een enigmatische glimlach op zijn knappe jonge gezicht.)

Ach, wat een verhalen doen de ronde. De twee waren minnaars geweest, de twee, van verschillende religieuze groeperingen, waren elkaar aangevallen met een onder de kleding verstopt mes. De een had geprobeerd de zelfmoord van de ander te voorkomen. Nee, ze hadden juist zelfmoord gepleegd - nee, nee, het was de overheid geweest, daar aanwezig in de gedaante van vlijmend metaal. Dit het meest gefluisterde ge-rucht...

Twee gevechten. Een in het duister onder een hoge brug in New Delhi. Het andere in het volle zonlicht aan de oevers van het meer van Issyk-Kul.

Schilder Francisco Goya legde de verschrikkingen van zijn tijd vast in Zwarte Schetsen. Twee idioten vechten. Yard with Lunatics. Akutagawa schreef in een van zijn brieven die bij zijn bed werden gevonden na zijn dood: 'Ik leef in een wereld van aangetaste zenuwen. Wij zijn menselijke dieren en derhalve hebben wij ook een dierlijke angst voor de dood. Wat wij vitaliteit noemen is in feite slechts een ander woord voor dierlijke kracht.'

Maar jullie, mijn pen en ogen? Waarom leren jullie niet in het donker te zien en uit te vinden wat zich afspeelt in de schaduwen? Domme pen. In Bisjkek gekocht als souvenir, kopie van een Mont Blanc, geen inkt loopt er door je heen, al op de eerste dag zat je verstopt!

Nutteloze ogen, hoe deze wereld jullie tot toeristen heeft gemaakt.

De illustrator

Studenten van de Willem de Kooning Academie (Rotterdam) illu- streren de verhalenserie in 'Zomertijd'. David Gieling (1991) ging met 'De machtsstrijd' aan de slag. Lastig, omdat hij alleen over een synopsis beschikte. "Meestal krijg je visuele cues van de schrijver, nu moest ik zelf invullen hoe de karakters eruit-zien. Straks teken ik een snor, dacht ik, en dan blijkt het hoofdpersonage uiteindelijk geen snor te hebben." Met zijn illustratie stapte David uit zijn comfortzone. Zijn werk is vaak zwart-wit. Sterker: Gielings werk is vaak animatie. "Ik merk dat ik liever bewegende dingen maak. Bewegen is voor mij leven." instagram.com/davidgieling/

De auteur

Over haar laatste bundel, 'De zoetheid van geweld' (2013), schreef recensent Rob Schouten vorig jaar in deze krant: 'Manon Uphoff is onze beste korteverhalenschrijfster.'

Uphoff (1962) groeide op in een groot, katholiek, chaotisch, arm, samengesteld gezin in Utrecht. Die complexe jeugd duikt regelmatig op in haar romans en verhalen. In 1995 verscheen 'Begeerte', gevolgd door 'Gemis' (1997) en 'Koudvuur' (2005). In 2012 verscheen 'De ochtend valt'. Voor deze novelle, waarin een jongen getuige is van een fatale ruzie tussen zijn ouders, ontving Uphoff de Opzij Literatuurprijs.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden