De macht van een ’kunstdictator’

De Kröller-Müller-

’Hij was mijn eerste minister en naast hem voelde ik mij koningin...’ Dat schreef Helene Kröller-Müller in 1921 over Hendricus Petrus Bremmer. Hij was haar belangrijkste kunstadviseur en inkoper. Zonder Bremmer had ze niet zo’n imponerende kunstcollectie bijeen kunnen brengen. Sterker nog, zonder Bremmer was er waarschijnlijk nooit een Kröller-Müller Museum gekomen. Want Helene Kröller-Müller had nooit enige belangstelling voor kunst getoond, tot de dag dat haar dochter haar meenam naar een cursus van de charismatische Haagse kunstpedagoog Bremmer.

Vanaf 1908 was Bremmer elke vrijdagavond te gast in de villa van het echtpaar Kröller-Müller voor een kunstbeschouwing. Niet lang daarna begon Helene kunst te kopen, op advies van Bremmer vooral Franse en Nederlandse kunst vanaf het midden van de 19de eeuw, met een nadruk op het werk van Vincent van Gogh. Uiteindelijk zou ze ruim 800 schilderijen, waaronder 278 Van Goghs, zo’n 275 beelden, 5000 werken op papier en 500 stuks kunstnijverheid verzamelen.

Vijftig jaar na de dood van Bremmer (1871-1956) wijdt het Kröller- Müller Museum nu een expositie aan de invloedrijkste ’kunstpaus’ van vooroorlogs Nederland. Bremmer drukte niet alleen een stempel op het Nederlandse kunstbezit, maar heeft ook bijgedragen aan de beeldvorming van kunstenaars als Vincent van Gogh, Bart van der Leck en Charley Toorop.

’Bremmer moet zijn oordeel zeggen’ luidt de titel van een spotprent van Cornelis Veth op de expositie, die treffend de invloed van deze ’smaakdictator’ weergeeft. We zien Helene Kröller-Müller in een leunstoel zitten met haar lorgnet, terwijl Bremmer werken van Van Gogh en van Van der Leck aan een kritische blik onderwerpt.

Zijn mening was heilig en zijn invloed reikte zelfs zo ver dat sommige kunstenaars hun stijl aanpasten, omdat Bremmer dat had geadviseerd. Bram van der Leck is daar een voorbeeld van. Maar er hangt ook een schilderij dat door Bremmer was toegeschreven aan Van Gogh, en later een vervalsing bleek. En er worden meer dubieuze toeschrijvingen getoond op deze tentoonstelling. Zelf heeft Bremmer zijn ongelijk nooit erkend.

De expositieruimten hangen bomvol, net als destijds bij Bremmer thuis in de Trompstraat in Den Haag, waar de kunstwerken zelfs in de wc hingen. Overal stonden Chinese beeldjes en Delftse bordjes. Zijn dochter Willy speelde niet met poppen, maar met kunstvoorwerpen uit de verzameling. Bremmer en zijn vrouw legden de nadruk in de opvoeding van hun dochter en drie zonen sterk op hun kunstzinnige ontwikkeling, met als resultaat dat vooral de zonen behoorlijk wereldvreemd waren. Alleen hun dochter was een uitzondering. Zij begon zich op de middelbare school af te zetten tegen haar ouders en het gedweep van cursisten met haar vader, en zou later een normaal leven leiden.

De tentoonstelling verdeelt het leven van Bremmer in zes hoofdthema’s. In de eerste zaal wordt getoond hoe zijn smaak werd gevormd in de late 19de eeuw. Hij werkte aanvankelijk zelf als kunstschilder. Zijn atelier hing vol met reproducties van kunstwerken die hij naschilderde. Hij bewonderde de pointillisten Signac en Seurat, maar ook Jan Toorop en Johan Thorn Prikker, die bij hem over de vloer kwamen. Er zijn daarnaast enkele schilderijen van Bremmer zelf te zien: tamelijk brave doekjes in een pointillistische stijl en nauwkeurige stillevens. Na 1896 werd het lesgeven steeds belangrijker. Bremmer werd kunstpedagoog en het schilderen verdween naar de achtergrond. Al gauw had hij een dagtaak aan het geven van cursussen, overal in Nederland. Hij reisde per trein en had meestal een grote koffer bij zich met schilderijen en reproducties, die zijn cursisten ook konden kopen. Naarmate de vraag groeide, werd het transport problematischer, maar Bremmer loste dat op door een lange riem over zijn schouders te dragen met aan de einden haken, waaraan hij aktentassen en schilderijen hing. Letterlijk behangen met schildersdoeken reisde hij zo door het land. Tijdens de lange treinreizen schreef hij artikelen over kunst – hij gaf ook twee kunsttijdschriften uit. Ook daarin valt zijn dwingende toon op met veel herhalingen: het waren soms bijna ’kunstpreken’ die hij hield.

Van je verdiepen in kunst word je een beter mens, was het levensmotto van Bremmer, die dat aanvankelijk ook probeerde over te dragen op arbeiders. Maar die hadden geen belangstelling voor zijn kunstcursussen. Dat was een teleurstelling voor Bremmer, die zelf van eenvoudige komaf was. Zijn ouders runden een hotel in Leiden en hadden geen belangstelling voor kunst. Via zijn vrouw, de notarisdochter Aleida Beekhuis, kwam hij alsnog aan cursisten uit de gegoede milieus. Aleida had een uitgebreid netwerk in kringen van de aristocratie en hogere burgerij.

Zo diende zich op een dag de ’jongejuffrouw’ Kröller aan als cursiste. Zij was de dochter van de directeur van de Rotterdamse scheepvaart- en handelsonderneming Müller & Co, een van de rijkste mensen van Nederland. Ze had haar moeder Helene meegenomen. Net als de meeste cursisten was Helene Kröller-Müller meteen onder de indruk van Bremmers charismatische persoonlijkheid.

De tentoonstelling, voornamelijk samengesteld op basis van werken uit de eigen collectie van het museum, maakt duidelijk dat Bremmer een soort spin was in het web van de kunstwereld. Hij trad niet alleen op als leraar, criticus en uitgever van kunsttijdschriften, wat hem een aura van onafhankelijkheid gaf, maar hij was ook verzamelaar en handelaar. Deze combinatie van functies maakte dat Bremmer kunstenaarscarrières kon maken en breken. Wie door Bremmer was goedgekeurd, kon rekenen op een vaste afzet van zijn of haar werk.

Desalniettemin was Bremmer geen berekenende zakenman die vooral zijn eigen portemonnee wilde spekken, constateert kunsthistorica Hildelies Balk, die een boek heeft geschreven over Bremmer. Hij deed het allemaal voor de kunst en de kunstenaars.

Maar de expositie in het Kröller-Müller Museum belicht ook de keerzijde van de macht van Bremmer. In de jaren dertig kwam er steeds meer kritiek op zijn belangenverstrengeling.

Zelf achtte Bremmer zichzelf onfeilbaar. Zo bleef hij bepaalde werken aan Van Gogh toeschrijven, hoewel vaststond dat het vervalsingen waren. Voor kritiek stond de ’kunstdictator’ niet open en hij duldde geen autoriteit naast zich.

Die houding leidde later min of meer tot een breuk met Helene Kröller-Müller toen zij, tegen de zin van Bremmer, voor de bouw van het Kröller-Müller Museum in zee ging met de Belgische architect Henry van de Velde. Bremmer liet bij de opening van het museum in 1938 verstek gaan, met als excuus zijn gezondheid en zijn afkeer van officieel gedoe.

Maar die afkeer betrof waarschijnlijk, schrijft Hildelies Balk, gelegenheden waar hij kon verwachten niet de hoofdpersoon te zijn. Het was misschien maar goed ook dat hij wegbleef, want in de toespraken was slechts weinig aandacht voor zijn aandeel in het museum. Zijn invloed als kunstexpert liep toen al terug, niet alleen door de kritiek op de verschillende rollen die hij speelde, maar ook doordat zijn gezichtsvermogen minder werd. Ook een aantal foute beoordelingen speelde een rol.

Na de Tweede Wereldoorlog was er in Nederland geen plaats meer voor een ’kunstdespoot’ als Bremmer. De macht in de kunstwereld verschoof naar de overheid en het geven van adviezen werd een zaak van de kunsthandel.

Toch hebben verzamelaars nog steeds behoefte aan zo’n autoriteit, denkt kunsthistorica Hildelies Balk, om zich te vormen en aan op te trekken. Al is het maar om zich er later weer tegen af te zetten.

De tentoonstelling ’De Kunstpaus H. P. Bremmer’ is tot en met 28 januari te zien in het Kröller-Müller Museum in Otterlo, www.kmm.nl. Het boek van Hildelies Balk is uitgegeven door Thoth en telt 560 pagina's met 150 illustraties. euro 39,90.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden