De luchtkastelen van Weinreb waren kaartenhuizen

LEIDEN - Het was een van de felste, langste en ingewikkeldste polemieken die na de tweede wereldoorlog in de Nederlandse media zijn gevoerd. De zaak Weinreb. Een veenbrand die tot 1981 in alle hevigheid woedde en nog steeds af en toe smeult. Een doolhof van verzinsels en bedrog, verraad en zwendel, waarin een keihard rapport van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie in 1976 klaarheid bracht.

Nieuwsgierig naar de vraag hoe de Nederlands-joodse econoom van Poolse afkomst Friedrich Weinreb (1910-1988) zo'n leger van fanatieke volgelingen en aanhangers aan zich wist te binden - ondanks de vele bewijzen van zijn onblusbare leugenziekte - maakte Regina Grüter de afgelopen jaren een zoektocht door dit 'listig labyrint van een fantast'.

Vandaag promoveert de historica aan de Rijksuniversiteit te Leiden op het onderzoek naar de affaires rond Weinreb, de man die bijna zijn hele leven een web van intriges, oplichting en fantasieën om zich heen heeft gesponnen. 'Een fantast schrijft geschiedenis' werd de titel.

Hoe kon iemand zo lang zoveel mensen in de maling nemen, vroeg Grüter (die ook een post-doctorale studie psychologie en psychiatrie heeft gevolgd) zich allereerst af. Hoe was het mogelijk dat hij bij zo veel mensen de juiste snaar wist te raken en dat hij zijn hobby om 'doktertje te spelen' (met een voorkeur voor gynaecologie en jonge vrouwen) zo gemakkelijk kon uitoefenen?

Daarna heeft Grüter met rode oortjes gezocht waarom zoveel linksgerichte, kritisch ingestelde en intellectueel gevormde Nederlanders zo hartstochtelijk achter Weinreb stonden en bleven staan - zoals de schrijfster Renate Rubinstein, de literatuurcriticus Aad Nuis (tegenwoordig staatssecretaris van cultuur), de parlementariër Joop Voogd (PvdA), de historicus Maarten Brands en de journalist Dick Houwaart.

Feiten

“Waarom gelóófden zij wat ze geloofden? Er waren toch veel feiten bekend waardoor je op z'n minst aan zijn verhalen moest twijfelen? Wat maakt het dat bij hen de wijzer die kant omsloeg en bij tegenstanders als W.F. Hermans en Henriëtte Boas naar de andere kant?”

De rol van Weinreb kent voor Grüter (44) geen twijfels. Was hij een oplichter die joodse lotgenoten in Nederland vanaf eind 1941 tot januari 1943 valselijk emigratiemogelijkheden naar het onbezette Frankrijk en Portugal voorspiegelde, tegen betaling van honderd gulden? Ja, Weinreb was zo'n smiecht: hij incasseerde op die manier waarschijnlijk 350 000 gulden, maar zijn verhaal over treinen naar de vrijheid en over een deal met de Duitse Sicherheitsdient (SD) waren bluf. 'Alle beloften waren zeepbellen', heeft hij zelf later ook toegegeven. De emigratielijsten die Weinreb aanlegde, hebben wel degelijk enkele tientallen joden een tijdje respijt gegeven - en daarmee de kans om onder te duiken. Maar het emigratiespel waar duizenden in doodsangst op vertrouwden, was verlakkerij (er waren namelijk geen treinen en er was geen deal). Geen heldendom, zoals de historicus Jacques Presser in 1965 in zijn boek 'Ondergang' over de jodenvervolgingen in de oorlog schreef. Geen creatieve verzetsdaad, zoals Rubinstein en Nuis vonden. Weinreb hield negen maanden lang joden en Duitsers voor de gek, is de stelling van Grüter. En schrijnend genoeg zijn vrijwel de enigen die daar baat bij hebben gehad, hijzelf en zijn gezin.

Verraad

Heeft Weinreb in de gevangenis van Scheveningen celgenoten bespioneerd en onderduikers verraden? Ja, zegt Grüter na bestudering van het dossier. Tientallen mensen, meest joden, kwamen daardoor in Duitse gevangenschap terecht en sommigen van hen hebben de oorlog niet overleefd. In 1948 werd Weinreb voor zijn zwendel in hoger beroep tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld. Dankzij de jubileumgratie die hem vanwege het vijftigjarig koningschap van Wilhelmina ten deel viel, kwam hij op 11 december 1948 vrij.

Was er in de zaak sprake van 'latent antisemitisme' bij de rechters en andere hooggeplaatste figuren, zoals de sympathisanten van Weinreb beschuldigden? En verdiende Weinreb niet het voordeel van de twijfel met zijn oorlogsverleden? Nee, en nogmaals nee, zegt de historica Grüter. Vrij snel na zijn vrijlating vulde het dossier-Weinreb zich met nieuwe duistere zaakjes. Zo werd hij in 1952 aangehouden op verdenking van verduistering in het bedrijf waarin hij werkte. Ook werd hij beschuldigd van een dubieuze rol als adviseur van vroegere Duitse joden die probeerden hun door de oorlog geblokkeerde vermogen terug te krijgen. In geen van beide gevallen kwam de rechter er aan te pas, maar Weinreb besloot wel een tijdje buitenslands te gaan.

Indonesië-spel

Op voorspraak van zijn beschermheer professor Jan Tinbergen kreeg hij eind 1952 een aanstelling als hoogleraar economische statistiek in Djakarta. De voormalige kolonie werd weldra het toneel voor een nieuwe intrige, door Grüter opgedoken uit de Haagse archieven en aangeduid als het Indonesië-spel.

In de sfeer van samenzwering en intrige werkte de misleiding (weer): Weinreb werd geloofd met zijn complotverhalen, zijn beloofde vergoeding van een lucratief salaris, een huis met airconditioning en een auto in het vooruitzicht gesteld. De ambtenaren vonden hem een 'chanteur' en een 'glibberige figuur'. Premier Drees en minister Luns namen het woord 'chantage' in de mond, maar ze zwichtten. Totdat de ambtenaren zijn antecedenten te zien kregen - de emigratiezwendel, de oplichting, zijn gynaecologische hobby en het spiegelverhaal dat hij de Indonesische autoriteiten op de mouw had gespeld. Daarna was het snel over.

Na de vondst van het Indonesië-spel deed Grüter nog een ontdekking. Weinreb werd in 1958 als hoogleraar uitgezonden naar Turkije, waar hij studentenwisselingen in het honderd liet lopen en twee Turkse studentes vooruitlopend op een reis naar Nederland zich aan een 'medische' keuring door hem liet onderwerpen. Het was de zoveelste (en niet de laatste) keer dat hij zich voor arts had uitgegeven en zijn handen niet thuis had kunnen houden. Soortgelijke praktijken kwamen hem in 1968 op een veroordeling tot acht maanden te staan, een celstraf die hij wist te ontlopen door naar het buitenland uit te wijken.

Intussen had de historicus Presser zijn veelgeprezen 'Ondergang' gepubliceerd, waarin hij in een mengeling van feiten en gevoelens de jodenvervolging had beschreven en Nederland tot een emotionele heroriëntatie op de oorlog dwong. Daarin paste wat Presser ook eerherstel voor de 'zondebok' Weinreb, de 'Tijl Uilenspiegel in het land van burgers en barbaren' zoals sympathisanten hem noemden.

Volgens Grüter is die oproep tot rehabilitatie door Presser niet gebaseerd op de strafdossiers van weinreb, want die heeft hij niet ingezien. Wat dan wel zijn bronnen waren, is niet na te gaan: de map-Weinreb ontbreekt opvallend genoeg in het archief dat hij de Universiteit van Amsterdam heeft nagelaten.

Nog kritischer is Grüter over andere Weinreb-fans als Renate Rubinstein, die Weinreb tot haar dood heeft geloofd en verdedigd, zonder dat ze diens strafdossier ooit heeft ingezien en zonder dat ze diens ontmaskering door justitie en het RIOD (in het vernietigende Weinreb-rapport uit 1976) ooit heeft gelezen. Of over Aad Nuis, die in 1979 een tegenschrift uitbracht waarin hij Weinreb een 'smetteloos gedrag' toedichtte en schande sprak over het RIOD-rapport. Hij hield de mythe van het heldendom van Weinreb in stand, vindt Grüter, zonder logische argumentatie. Nuis negeerde de feiten van de onderzoekers en de dossiers, schrijft ze. Hij kon geen balans vinden tussen de feiten. Zijn verdediging van Weinreb noemt Grüter 'bijna tegen beter weten in'. Het verbaast jaar dat de staatssecretaris vorig jaar nog in interviews bleef beweren dat er voor de beschuldiging van verraad door Weinreb geen bewijzen waren.

Gruüer legt een verband tussen de enorme steun voor Weinreb in de jaren zestig en de mentaliteitsverandering die in die tijd in de samenleving te zien was. Weinreb was de 'Che Guevara van de bureaucratie' (Harry Mulisch), de Provo's en de Kabouterpartij liepen met hem weg, steun aan Weinreb was een daad van verzet tegen het establishment (Aad Nuis). Bovendien werd Weinreb gezien als de verpersoonlijking van het leed dat in de oorlog aan joden was toegebracht en waar Nederland zich dankzij Presser voor schaamde. Kritische toetsing van wat Weinreb deed en zei was daarin niet op zijn plaats, de polemiek werd volgens de onderzoekster eerder dogmatiek (Renate Rubinstein). 'De meeste verdedigers van Weinreb die ik heb gesproken, hebben het RIOD-rapport niet gelezen', zegt Grüter.

Werkelijkheid

En Weinreb zelf? Die kwam volgens haar op het juiste moment met het juiste verhaal. 'Hij fantaseerde, creëerde, manipuleerde en acteerde een voor hem acceptabele rol en vervormde de wereld om hem heen tot een wereld waar hij greep op had. Zijn fantasie hielp hem steeds uit de brand, maar bracht hem ook steeds verder van de werkelijkheid. Hij bouwde luchtkastelen die een kaartenhuis bleken te zijn. Gedreven door een minderwaardigheidsgevoel dat in zijn jeugd is ontstaan en door de oorlog, was hij schurk en slachtoffer tegelijk.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden